ECLI:NL:RBZWB:2026:8236

ECLI:NL:RBZWB:2026:8236

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 27-08-2026
Datum publicatie 27-08-2026
Zaaknummer 02-034078-26 en 02-118197-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Jeugdstrafrecht. Veroordeling voor het aanwezig hebben van soft- en harddrugs, het voorhanden hebben van een boksbeugel en rijden zonder geldig rijbewijs. De rechtbank heeft deels voorwaardelijke werkstraf opgelegd. Toewijzing van drie vorderingen tenuitvoerlegging.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummers: 02-034078-26 en 02-118197-26 (ter terechtzitting gevoegd)

Parketnummers TUL: 02-291134-23, 96-077387-24 en 96-081859-24

Vonnis van de meervoudige kamer van 27 augustus 2026

in de strafzaak tegen de minderjarige

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 2008,

wonende te [woonadres] ,

raadsman mr. B.M.C.F. de Groen, advocaat te Breda.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 13 augustus 2026, waarbij de officier van justitie mr. P. Emmen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting zijn ook de vorderingen tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermelde parketnummers.

Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder de parketnummers 02-034078-26 en 02-118197-26 gevoegd.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

02-034078-26

Feit 1: op 28 september 2025 ongeveer 1 gram cocaïne en ongeveer 2 gram MDMA aanwezig heeft gehad;

Feit 2: op 28 september 2025 een boksbeugel voorhanden heeft gehad;

Feit 3: op 28 september 2025 ongeveer 7 gram hennep aanwezig heeft gehad;

02-118197-26

Feit 1: op 21 februari 2026 heeft vervoerd, in ieder geval aanwezig heeft gehad, ongeveer 0,4 gram hasjiesj en ongeveer 11 gram hennep;

Feit 2: op 21 februari 2026 als bestuurder van een personenauto op de weg heeft gereden, zonder geldig rijbewijs.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich voor wat betreft de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

02-034076-26

Feit 1, 2 en 3:

Aangezien ten aanzien van deze feiten geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank acht deze feiten wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] d.d. 28 september 2025, opgenomen op pagina 19 en 20 van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2025259946;

- het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] d.d. 28 september 2025, opgenomen op pagina 22 van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2025259946;

- het NFiDENT rapport van 3 december 2025, opgenomen onder pagina 34 van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2025259946;

- het NFiDENT rapport van 3 december 2025, opgenomen onder pagina 35 van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2025259946;

- het proces-verbaal onderzoek wapen d.d. 29 september 2025, opgenomen op pagina 39 van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2025259946.

02-118197-26

Feit 1:

Aangezien ten aanzien van dit feit geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] d.d. 21 februari 2026, opgenomen op pagina 20 en verder van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2026048536.

Feit 2:

Aangezien ten aanzien van dit feit geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] e.a. d.d. 21 februari 2026, opgenomen op pagina 16 en verder van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2026048536;

- het proces-verbaal van verhoor verdachte op 22 februari 2026, opgenomen op pagina 25 en verder van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2026048536.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

02-034078-26 1op 28 september 2025 te Bergen op Zoom, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en ongeveer 2 gram van een materiaal bevattende MDMA,zijnde cocaïne en MDMA telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwetbehorende lijst I;

2op 28 september 2025 te Bergen op Zoom, een wapen van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weteneen boksbeugel voorhanden heeft gehad;

3op 28 september 2025 te Bergen op Zoom, aanwezig heeft gehad ongeveer 7 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

02-118197-261op 21 februari 2026 te Bergen op Zoomaanwezig heeft gehad,ongeveer 0,4 gram van een gebruikelijk vastmengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep(hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en ongeveer11 gram hennep, zijndehennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwetbehorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van diewet;

2op 21 februari 2026 te Bergen op Zoom als bestuurder van eenmotorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, [locatie] [locatie] , zonder dat aan hem door de daartoe bevoegdeautoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 eenrijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe datmotorrijtuig behoorde.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte een werkstraf van 90 uur, subsidiair 45 dagen jeugddetentie op te leggen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de door de officier van justitie gevorderde straf te matigen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De aard en ernst van de feiten

Op 28 september 2025 heeft verdachte cocaïne, MDMA en hennep in zijn bezit gehad. Op 21 februari 2026 heeft verdachte ook (soft)drugs in zijn bezit gehad, namelijk hasjiesj en hennep. Verdachte is daarmee medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van verdovende middelen veroorzaakt. Met name cocaïne en MDMA zijn stoffen die sterk verslavend werken en schadelijk zijn voor de gezondheid. Verdachte heeft zich om deze gevolgen niet bekommerd.

Daarnaast heeft verdachte zich op 28 september 2025 schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een boksbeugel. Wapenbezit gaat gepaard met het grote risico dat dit wordt gebruikt of dat daarop wordt gereageerd met andere wapens.

Ten slotte heeft verdachte zich op 21 februari 2026 schuldig gemaakt aan het rijden zonder rijbewijs. Hij heeft daardoor de verkeersveiligheid in gevaar gebracht, aangezien hij geen tot zeer weinig ervaring als bestuurder van een personenauto heeft.

De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte

Justitiële documentatie

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 1 juli 2026, waaruit blijkt dat verdachte al eerder is veroordeeld voor feiten betreffende de Opiumwet.

Advies van de Raad van de Kinderbescherming

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van de Raad van de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en de mondelinge toelichting daarop ter zitting. De Raad maakt zich veel zorgen over de houding van verdachte. De inmiddels 18-jarige verdachte is al vaak met politie en justitie in aanraking gekomen. Een eerder opgelegde werkstraf, leerstraf en begeleiding door de jeugdreclassering zijn negatief retour gezonden. Sinds het bereiken van de meerderjarige leeftijd is verdachte geheel uit contact gegaan met zowel de jeugdreclassering als zijn ambulant begeleider. Verdachte is ook niet gestart bij het dagbestedingstraject dat voor hem geregeld was en heeft op dit moment geen volwaardige dagbesteding. Daardoor wordt de kans op recidive vergroot.

Ondanks dat verdachte geheel uit contact is gegaan met de jeugdreclassering en die maatregel negatief retour is gezonden, is de Raad van mening dat toezicht en begeleiding vanuit de (jeugd)reclassering passend is voor verdachte gezien de zorgen en zijn problematiek. Gelet op het (negatieve) verloop van de eerder aan verdachte opgelegde werkstraffen adviseert de Raad ter zitting aan verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte meewerkt aan de begeleiding van [begeleiding] en hun [traject] volgt.

De straf

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Hierbij heeft de rechtbank ook rekening gehouden met het feit dat sprake is van recidive ten aanzien van de feiten betreffende de Opiumwet. Verdachte neemt geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen, hetgeen ook blijkt uit het feit dat hij niet ter terechtzitting is verschenen. Ook is hij sinds het bereiken van de meerderjarige leeftijd volledig uit contact gegaan met de jeugdreclassering en de bij hem betrokken ambulant begeleider.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie passend en geboden is. Zij neemt die dan ook over en zal aan verdachte opleggen een werkstraf van 90 uur, te vervangen door 45 dagen jeugddetentie voor het geval verdachte deze werkstraf niet, dan wel niet naar behoren, verricht. De rechtbank vindt het belangrijk dat verdachte door het verrichten van een werkstraf de directe gevolgen ondervindt van zijn strafbare gedragingen. Een (deels) voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld een proeftijd met algemene en bijzondere voorwaarden en begeleiding door de jeugdreclassering vindt de rechtbank gelet op het voorgaande niet (meer) passend.

7. De vorderingen tenuitvoerlegging

02-291134-23

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke werkstraf van 60 uren die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 juli 2025 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

96-081859-24

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke werkstraf van 8 uren die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de kantonrechter te Bergen op Zoom van 9 januari 2025 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

96-077387-24

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke werkstraf van 8 uren die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de kantonrechter te Bergen op Zoom van 9 januari 2025 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 77a, 77g, 77m en 77n van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 3, 20, 22 van de Opiumwet, de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 107 en 177 van de Wegverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

02-034078-26

feit 1: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

feit 3: handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

02-118197-26

feit 1: handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2: overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 90 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 45 dagen;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 7 juli 2025 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 02-291134-23 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een werkstraf van 60 uren;

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 9 januari 2025 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 96-081859-24 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een werkstraf van 8 uren;

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 9 januari 2025 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 96-077387-24 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een werkstraf van 8 uren.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. van Triest, voorzitter,

en mr. R. Combee en mr. S.C.S. van Bree, rechters,

in tegenwoordigheid van I.H.E. van Diepen, griffier,

en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 augustus 2026.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A.R. van Triest
  • mr. R. Combee
  • mr. S.C.S. van Bree

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand