ECLI:NL:RBZWB:2026:8237

ECLI:NL:RBZWB:2026:8237

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 28-08-2026
Datum publicatie 27-08-2026
Zaaknummer BRE 25/6137
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Onplanbare zorg. Reclassering of WMO? Tussenuitspraak. Voorlopige voorziening getroffen tot de einduitspraak gedaan is.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Samenvatting

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 25/6137 T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2026 in de zaak tussen

[bewindvoerder] B.V., in de hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [eiser], uit [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. L.L. Ross),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, het college.

1. Deze tussenuitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van betrokkene voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit zowel onderzoeks- als motiveringsgebreken bevat. Het college krijgt via een zogeheten bestuurlijke lus de gelegenheid de gebreken te herstellen. De rechtbank treft tot de einduitspraak een voorlopige voorziening tot het verstrekken van een pgb (persoonsgebonden budget).

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo. Hij verzoekt om een indicatie voor beschermd wonen. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 9 april 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is het college, onder wijziging van de grondslag en motivering, bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft hangende beroep verzocht om een voorlopige voorziening. Dit verzoek is op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hierbij zijn partijen tot een akkoord gekomen. Op 20 april 2026 heeft het college de rechtbank bericht dat door partijen geen navolging gegeven wordt aan de overeengekomen afspraken.

De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en de heer [persoon] van [zorgorganisatie 1] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.C.J.P. Melsen.

De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.

Standpunten van partijen

Het bestreden besluit

3. Eiser is sinds juni 2024 uit detentie en kampt met een langdurige verslaving waarbij hij methadon gebruikt. Hij woont thuis maar heeft zowel planbare als onplanbare zorg nodig, omdat hij 24 uur per dag ondersteuning wil bij situaties die hij niet zelf kan oplossen. Hij heeft problemen met zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Hij worstelt met het bewaken van zijn grenzen en voordeur, wordt nog steeds benaderd door mensen uit zijn verleden die misbruik van hem proberen te maken en ervaart psychische onrust en paniek. Zonder directe steun dreigt terugval in oud gedrag. Daarnaast heeft hij hulp nodig bij het leefbaar houden van zijn woning, het ordenen van zijn gedachten, het uitbreiden van zijn sociale netwerk, het voorkomen van overlast, en het vinden van een zinvolle daginvulling.

4. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de aard en omvang van de benodigde zorg niet vastgesteld kan worden. Gebleken is dat de strafrechter een bijzondere maatregel heeft opgelegd. De uitspraak van de strafrechter en de meest actuele adviesrapportage van de reclassering zijn opgevraagd bij eiser, maar hij heeft deze niet overgelegd. Informatie over de strafrechtelijke titel en de op basis daarvan verleende forensische zorg kan van belang zijn voor de vraag of er nog een zorgvraag resteert waarin vanuit de Wmo kan worden voorzien. Als de forensische zorgtitel voorziet in beschermd wonen en/of begeleiding, dan is er geen aanvullende rol vanuit de Wmo. Eiser heeft niet voldaan aan zijn medewerkingsplicht door de gevraagde stukken niet te overleggen en daardoor kan het college de aard en omvang van de benodigde ondersteuning niet vaststellen. Daardoor komt het college ook niet toe aan de overige vragen uit het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep (CRvB).

Het standpunt van eiser

5. Eiser is van mening dat hij een zorgbehoefte heeft waarbij alleen de indicatie beschermd wonen passend is. Het college richt zich ten onrechte niet op de zorgbehoefte en de vraag of de indicatie beschermd wonen passend is, maar op het feit dat de reclassering ook hulpverlening biedt en er daarom minder zorgbehoefte zou zijn en een indicatie beschermd wonen dan wellicht niet meer nodig is. Het college stelt ten onrechte dat onduidelijk is wat de reclassering precies aan hulpverlening of waarborgen biedt, omdat is aangegeven dat het gaat om een kaal toezicht, zoals ook volgt uit de overgelegde uitspraak van de strafrechter.

Verweer

6. Het college blijft bij zijn standpunt. Uit de na de beslissing op bezwaar overgelegde uitspraak van de strafrechter blijkt dat er een behandeling door Novadic-Kentron of soortgelijke zorgverlener is opgelegd. De reclassering kan aanvullende begeleiding met forensische zorg regelen wanneer er een behandeling is opgelegd. Blijkbaar heeft betrokkene naast de behandeling van Novadic-Kentron nog aanvullende begeleiding nodig, anders meldt hij zich niet bij de Toegang. Door eiser is niet inzichtelijk gemaakt wat de reclassering heeft ondernomen om betrokkene in zijn zorgbehoefte te ondersteunen. Bijvoorbeeld welke zorgaanbieders zijn benaderd en met welke hulpvraag. Tot slot voert het college nog aan dat de rechtbank in het vonnis geen beschermd wonen heeft opgelegd en ook de reclassering tijdens het keukentafelgesprek heeft aangegeven dat beschermd wonen niet nodig is.

Beoordeling door de rechtbank

Het stappenplan van de CRvB

7. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB vloeit uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo voort dat het college voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. Dit brengt met zich dat wanneer bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning het college allereerst (stap 1) moet vaststellen wat de hulpvraag is. Vervolgens (stap 2) zal het college moeten vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving. Nadat die problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan (stap 3) worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving. Uit artikel 2.3.2, vierde lid, aanhef en onder b, c en f, van de Wmo in samenhang met het derde en vierde lid van artikel 2.3.5 van de Wmo vloeit voort dat het onderzoek er vervolgens op gericht moet zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden (stap 4). Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken.

Heeft het college de aanvraag op goede gronden afgewezen?

8. Het college heeft vastgesteld wat de hulpvraag van eiser is en welke problemen hij ondervindt bij de zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie. Daarover bestaat geen geschil.

9. Het college strandt in het bestreden besluit op stap 3, omdat eiser geen informatie van de reclassering heeft overgelegd. Daar verbindt het college het gevolg aan dat niet is vast te stellen welke zorg er overblijft om te compenseren vanuit de Wmo. De rechtbank stelt vast dat hiermee wordt tegengeworpen dat er een andere voorziening is die (mogelijk) de nodige hulp en ondersteuning kan bieden. Dit valt echter onder stap 4 van het stappenplan van de CRvB en niet onder stap 3.

10. Niet in geschil is dat eiser planbare en onplanbare zorg nodig heeft. Ter zitting heeft eiser benadrukt dat een maatwerkvoorziening moet worden toegekend voor de onplanbare zorg. Het college stelt zich op het standpunt dat eerst vastgesteld moet worden wat de reclassering kan doen aan onplanbare zorg. Ook dat valt echter onder stap 4 van het stappenplan van de CRvB.

10. Uit het vorenstaande volgt dat het college de afwijzing van de gevraagde maatwerkvoorziening feitelijk heeft gebaseerd op stap 4. Stap 3, welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is, is door het college niet inhoudelijk beoordeeld. Onder stap 4 had het college verder moeten beoordelen in welke zorg de reclassering kan voorzien. Het gaat hierbij niet om de vraag wat de reclassering feitelijk doet, maar om wat de reclassering binnen de opgelegde strafrechtelijke maatregel van kaal toezicht kan bieden aan onplanbare zorg die is vastgesteld onder stap 3. Om deze vraag te beantwoorden is geen adviesrapportage van de reclassering nodig. Dit betekent dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser de medewerkingsplicht heeft geschonden door geen informatie van de reclassering aan te leveren. Dit kan dus geen grondslag vormen voor weigering van de aanvraag van eiser. Schending van de medewerkingsplicht is in het bestreden besluit dan ook ten onrechte aan eiser tegengeworpen.

Conclusie en bestuurlijke lus

12. Uit het voorgaande volgt dat het onderzoek van het college onvoldoende is geweest en dat de beslissing onvoldoende is gemotiveerd. Het beroep is om die reden gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

13. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen, de zogeheten ‘bestuurlijke lus’. De rechtbank ziet aanleiding om van deze mogelijkheid gebruik te maken en zal het college in de gelegenheid stellen om de hiervoor geconstateerde gebreken te herstellen. Bij de herstelpoging dient het college met het volgende rekening te houden.

14. Het college moet onder stap 3 de aard en omvang van de door eiser benodigde onplanbare zorg (binnen en buiten kantoortijden) vaststellen. Eiser heeft al een overzicht van de daaraan door [zorgorganisatie 1] bestede uren overgelegd, maar blijkens het verhandelde ter zitting acht het college dit niet voldoende. Eiser heeft aangegeven dat er desgevraagd meer informatie overgelegd kan worden. Het college dient hier nader onderzoek naar te doen.

15. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat het college niet betwist dat door de strafrechter kaal toezicht is opgelegd en dat de reclassering momenteel geen onplanbare zorg levert. Ter zitting heeft het college gesteld dat de reclassering heeft aangegeven dat er onplanbare zorg geleverd kan worden, eventueel ook binnen een beschermd wonen setting, maar dat daarvoor een verzoek bij de rechtbank moet worden ingediend voor bijzondere voorwaarden. Dat betekent dat er op dit moment alleen kaal toezicht is, zodat er zorg overblijft om te compenseren vanuit de Wmo.

16. Het college moet bij het onderzoek ook aandacht besteden aan wie de zorg aan eiser kan dan wel moet leveren. Het college heeft ter zitting gesteld dat de zorg geleverd kan worden via [zorgorganisatie 2] met [zorgorganisatie 1] als onderaanbieder. Eiser heeft in reactie daarop gesteld dat het niet duidelijk is of dan ook de onplanbare zorg geboden kan worden. Daarnaast heeft hij zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat hij voor zijn zorgbehoefte is aangewezen op de zorg van de heer [persoon] van [zorgorganisatie 1] vanwege de vertrouwensband die zij hebben opgebouwd. Hij kan niet zomaar wisselen van zorgverlener. Het college dient dan ook nader onderzoek te doen naar de vraag of een andere zorgverlener voor eiser een reële optie is, of dat eiser is aangewezen op de heer [persoon] als zorgverlener.

17. Het college heeft zich ter zitting ook op het standpunt gesteld dat als er al een voorziening moet worden toegekend vanuit de Wmo, dit niet in de vorm van een pgb kan worden verstrekt omdat eiser niet regievaardig is en zijn bewindvoerder de regie niet wil voeren. Eiser heeft in reactie hierop aangegeven dat de bewindvoerder aanvankelijk heeft aangegeven dit niet te willen doen, omdat de vraag vanuit het college rauw op zijn dak viel. Later heeft hij het college een e-mail gestuurd met het verzoek hierover in gesprek te gaan, maar daarop is geen reactie vanuit het college gekomen. Eiser heeft ter zitting aangegeven dat zijn bewindvoerder bereid is het pgb te beheren, hij doet dit ook voor andere cliënten. De heer [persoon] heeft bovendien ter zitting verklaard dat eiser in staat is de regie te voeren en dat hij in de praktijk ziet dat andere cliënten van [zorgorganisatie 1] dit ook zelf doen. Voor zover het college vasthoudt aan het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een pgb, moet het college ook nader onderzoek te doen naar de vraag of de voorziening in de vorm van een pgb aan eiser kan worden verstrekt.

18. Voor zover het college in verband met het bovenstaande nadere informatie bij eiser opvraagt, dient het verzoek om informatie voldoende concreet te zijn.

19. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college de gebreken kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak. Als het college hiervan geen gebruik wil maken, dan moet het dit binnen twee weken aan de rechtbank meedelen.

20. Als het college gebruik maakt van de gelegenheid om de gebreken te herstellen, zal de rechtbank vervolgens eiser in de gelegenheid stellen om binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college.

21. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

Voorlopige voorziening

22. De rechtbank ziet aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen gedurende de periode die het college nodig heeft om de gebreken te herstellen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat vast staat dat eiser onplanbare zorg nodig heeft waar op dit moment niet in wordt voorzien. Blijkens de gemaakte afspraken in het kader van de voorlopige voorziening was vijf uur per week daarbij zowel voor eiser als voor het college akkoord. Het college dient daarom aan eiser met ingang van 1 februari 2026 tot de einduitspraak in deze procedure aan eiser een pgb voor de maatwerkvoorziening ambulante begeleiding te verstrekken voor vijf uur per week, zodat eiser daarmee onplanbare zorg kan inkopen bij [zorgorganisatie 1] . Gelet op het onderzoek dat nog verricht moet worden, zullen de andere overeengekomen afspraken niet overgenomen worden.

23. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dit betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of het gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;

- stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- treft een voorlopige voorziening, inhoudende dat aan eiser met ingang van 1 februari 2026 tot de einduitspraak een pgb wordt verstrekt voor ambulante begeleiding via [zorgorganisatie 1] voor vijf uur per week;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier, op 28 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J. van Alphen

Griffier

  • mr. A.J.J. Sterks

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand