ECLI:NL:RBZWB:2026:8239

ECLI:NL:RBZWB:2026:8239

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 27-08-2026
Datum publicatie 27-08-2026
Zaaknummer 02-164680-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Veroordeling voor meerdere verkeersdelicten, waaronder artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (roekeloosheid). Toepassing van het jeugdstrafrecht. Werkstraf van 200 uur en een geheel voorwaardelijke jeugddetentie van 3 maanden. Daarnaast een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 36 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-164680-25

Vonnis van de meervoudige kamer van 27 augustus 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2007,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] ,

raadsman mr. P.C. Schouten, advocaat te Breda.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 augustus 2026, waarbij de officier van justitie mr. P. Emmen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

Feit 1: op 19 mei 2025 als bestuurder van een personenauto een verkeersgeval heeft veroorzaakt, waarbij drie andere inzittenden zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen;

Feit 2: op 19 mei 2025 als bestuurder van een personenauto gevaar op de weg heeft veroorzaakt;

Feit 3: op 19 mei 2025 een personenauto heeft bestuurd onder invloed van THC (cannabis);

Feit 4: op of omstreeks 19 mei 2025 zonder toestemming een personenauto van een ander heeft gebruikt;

Feit 5: op 19 mei 2025 als bestuurder in een personenauto heeft gereden zonder geldig rijbewijs.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt alle vijf ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Met betrekking tot feit 1 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de schuldgradatie roekeloosheid bewezen kan worden verklaard. Tevens wordt het letsel van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ), [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) en [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) door de officier van justitie aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 verzocht om verdachte partieel vrij te spreken van de ten laste gelegde roekeloosheid. Bij [slachtoffer 1] was geen sprake van letsel in de zin van artikel 6 WVW. Door de verdediging zijn verder geen verweren gevoerd ten aanzien van het bewijs.

Het oordeel van de rechtbank

Aangezien verdachte ten aanzien van de feiten 1, 2, 3, 4 en 5 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Ieder bewijsmiddel is – ook in onderdelen – slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De rechtbank acht de feiten wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 augustus 2026;

- het proces-verbaal aanrijding misdrijf, opgemaakt op 12 augustus 2025, opgenomen op pagina 10 e.v. van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2025127530 van de politie Zeeland-West-Brabant opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 t/m 246;

- het proces-verbaal van aangifte door [aangever] gedaan op 29 juni 2025, pagina 28 e.v. van voornoemd dossier;

- het proces-verbaal van bevindingen, in-beeld snelheidsmeting, opgemaakt op 7 juli 2025, opgenomen op pagina 49 e.v. van voornoemd dossier;

- een schriftelijk bescheid, te weten een rapport drugs in het verkeer van het Maasstad Ziekenhuis d.d. 17 juni 2025, opgenomen op pagina 184 e.v. van voornoemd dossier;

- een schriftelijk bescheid, te weten de RDW-registratie van verdachte d.d. 1 oktober 2025, opgenomen op pagina 187 van voornoemd dossier;

- een schriftelijk bescheid, te weten medische informatie betreffende [slachtoffer 1] d.d. 31 juli 2025, opgenomen op pagina 219 van voornoemd dossier;

- een schriftelijke bescheid, te weten een brief van het [ziekenhuis] betreffende [slachtoffer 2] d.d. 26 mei 2025, opgenomen op pagina 241 van voornoemd dossier;

- een schriftelijk bescheid, te weten medische informatie betreffende [slachtoffer 3] d.d. 31 juli 2025, opgenomen op pagina 215 van voornoemd dossier.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1

Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van artikel 6 van de Wegenverkeerswet (hierna: WVW) is onder meer vereist dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte te wijten is geweest. Dat betekent in eerste plaats dat er een causaal verband moet bestaan tussen de gedragingen van verdachte en het ongeval. De rechtbank concludeert dat het ongeval is veroorzaakt doordat verdachte, onder invloed van THC en terwijl hij niet beschikte over een rijbewijs, met een forse overschrijding van de ter plaatse geldende maximumsnelheid, bij een fietsoversteekplaats de stoep heeft geraakt en daardoor de controle over de auto is kwijtgeraakt en uiteindelijk aan de overkant van de weg tegen een boom is gebotst. Daarmee is sprake van een causaal verband tussen de gedragingen van verdachte en het verkeersongeval.

Mate van schuld

In de tweede plaats moet verdachte ten aanzien van het verkeersongeval een schuldverwijt kunnen worden gemaakt. Schuld in de zin van artikel 6 WVW heeft de betekenis van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Of sprake is van schuld in deze zin, hangt volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad af van het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Wanneer sprake is van gedragingen met een hogere graad van verwijtbaarheid, kan dit worden gekwalificeerd als zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend handelen en in zeer ernstige gevallen als roekeloos rijgedrag.

Roekeloosheid

Bij de beoordeling van de mate van schuld heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat per 1 januari 2020 de Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten in werking is getreden. In het tweede lid van artikel 175 WVW, waarin de strafbaarstelling van artikel 6 WVW is geformuleerd, is de begripsbepaling van roekeloosheid toegevoegd, waarbij wordt teruggegrepen op artikel 5a WVW. Daarmee is feitelijk het toepassingsbereik van het begrip roekeloosheid verbreed. Van roekeloosheid is nu in ieder geval sprake indien het (verkeers)gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW kan worden aangemerkt.

De rechtbank dient in dit kader te beoordelen of verdachte met de hiervoor vastgestelde verkeersgedragingen, die tot het ongeval hebben geleid, (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.

a. Schending van verkeersregels

In het eerste lid van artikel 5a WVW zijn onder a tot en met m verkeersgedragingen opgenomen die als grondslag voor een veroordeling ter zake van artikel 5a WVW aangemerkt zouden kunnen worden. De opsomming in artikel 5a WVW is niet limitatief.

Als schending van de verkeersregels wordt in artikel 5a WVW onder andere genoemd: het overschrijden van de maximumsnelheid. Uit onderzoek is gebleken dat verdachte veel harder heeft gereden dan de ter plaatse toegestane snelheid. Bovendien reed verdachte in de auto zonder te beschikken over een rijbewijs en was hij onder invloed van THC. Door deze combinatie van gedragingen heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank meerdere verkeersregels geschonden.

b. In ernstige mate

Artikel 5a WVW heeft alleen betrekking op ernstig verkeersgevaarlijk gedrag. Gekeken moet worden naar het samenstel van de gedragingen van verdachte, waarbij alle omstandigheden in ogenschouw moeten worden genomen. Op grond van artikel 5a, tweede lid, WVW wordt hierbij ook de mate waarin verdachte onder invloed verkeerde in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zonder in het bezit te zijn van een rijbewijs en zonder over voldoende rijvaardigheid te beschikken op de Zundertseweg te Roosendaal gereden met een snelheid die veel hoger was dan toegestaan. De indicatieve snelheid is vastgesteld op 111 km/u, waar op de Zundertseweg een snelheid 50 km/u is toegestaan. Verdachte verkeerde op dat moment onder invloed van drugs, namelijk THC. Het THC-gehalte in het bloed van verdachte betrof bijna tweemaal de toegestane grenswaarde. De rechtbank is van oordeel dat verdachte met de genoemde combinatie van gedragingen de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden.

c. Opzettelijk

Artikel 5a WVW vereist dat het opzet van verdachte zowel gericht is op het schenden van de verkeersregels als het in ernstige mate schenden van die regels. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van dergelijk opzet moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze zijn verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. Daaruit moet kunnen worden afgeleid dat de gedragingen, in samenhang bezien, naar hun uiterlijke verschijningsvorm op opzettelijke ernstige schending van de verkeersregels gericht zijn geweest.

De rechtbank is van oordeel dat het besturen van een personenauto zonder in het bezit te zijn van voldoende rijvaardigheden net als het zeer fors overschrijden van de maximumsnelheid en het rijden onder invloed van THC naar hun uiterlijke verschijningsvorm bezwaarlijk anders kunnen worden aangemerkt dan als het willens en wetens in ernstige mate overtreden van de verkeersregels.

d. Te duchten gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen

In zijn algemeenheid acht de rechtbank het voorzienbaar dat gevaarlijke situaties kunnen ontstaan door het hiervoor beschreven verkeersgedrag. Het verkeersgedrag van verdachte was op ieder onderdeel reeds op zichzelf gevaarlijk en was des te gevaarlijker omdat verdachte niet beschikte over een rijbewijs en over geen tot zeer weinig ervaring beschikte als bestuurder van een personenauto. Gelet op deze combinatie van factoren was het zonder meer voorzienbaar dat er gevaarlijke situaties konden ontstaan, hetgeen door de rampzalige afloop van de rit, waarbij de drie passagiers ernstig gewond raakten, nog eens wordt onderstreept.

Tussenconclusie

Het voorgaande betekent dat het verkeersgedrag van verdachte dat tot het ongeval heeft geleid, kan worden aangemerkt als een overtreding van artikel 5a WVW. Daarmee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een verkeersongeval waarbij sprake is van de zwaarste vorm van schuld, namelijk roekeloosheid.

Letsel van de slachtoffers

Als gevolg van het ongeval zijn [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ernstig gewond geraakt. Bij [slachtoffer 1] was (onder meer) sprake van een heupluxatie waarvoor operatief ingrijpen noodzakelijk was. Bij [slachtoffer 2] was (onder meer) sprake van een gebroken rug waarvoor operatief ingrijpen noodzakelijk was. Bij [slachtoffer 3] was (onder meer) sprake van een gebroken rechter enkel en een snee in het gezicht die gehecht moest worden. Gelet op de aard van elk van de voornoemde letsels, de noodzaak van medisch ingrijpen en de (geschatte) genezingsduur, is de rechtbank van oordeel dat het letsel van elk van de slachtoffers telkens dient te worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.

Conclusie

Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank feit 1 wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1op 19 mei 2025 te Roosendaal als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto),daarmede rijdende over de weg, de Zundertseweg,zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, terwijl hij verkeerde onder invloed van drugs,- een motorrijtuig te besturen, terwijl hij niet in het bezit was van het daarvoor vereiste rijbewijs (categorie B) en- met een hogere snelheid dan de aldaar voor personenauto’s toegestane maximum snelheid van 50 kilometer per uur te rijden te weten ongeveer rond 111 km per uur,- niet de rijbaan van voornoemde weg te volgen en daarbij met één of meer banden de aan de rechterzijde van de weg, gezien verdachtes rijrichting, liggende trottoirband te raken, en de controle over de door hem bestuurde personenauto te verliezen, en in de (linker)berm, gezien verdachtes rijrichting, tegen een boom aan te rijden,waardoor anderen zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten[slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten heupluxatie (waarvoor operatie noodzakelijk was), randpneumothorax rechts, fractuur dekplaat C4,[slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel, te weten gebroken rug (type C fractuur L1)[slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel, te weten distale fibula fractuur en een wond op lip onder neus (welke gehecht moest worden),terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994,

2op 19 mei 2025 te Roosendaal, als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto), daarmee rijdende op de weg, te weten de Zundertseweg,terwijl hij verkeerde onder invloed van drugs- een motorrijtuig heeft bestuurd, terwijl hij niet in het bezit was van het daarvoor vereiste rijbewijs (categorie B) en - met een hogere snelheid dan de aldaar voor personenauto’s toegestane maximum snelheid van 50 kilometer per uur heeft gereden te weten ongeveer rond 111 km per uur, en - niet de rijbaan van voornoemde weg heeft gevolgd en daarbij met één of meer banden de aan de rechterzijde van de weg, gezien verdachtes rijrichting, liggende trottoirband heeft geraakt,en de controle over de door hem bestuurde personenauto heeft verloren, en in de (linker)berm, gezien verdachtes rijrichting, tegen een boom is aangereden,door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, en het verkeer op die weg kon worden gehinderd en waardoor anderen genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] letsel werd toegebracht;

3op 19 mei 2025 te Roosendaal, een voertuig, te weten een personenauto,heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten THC, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 5,8 microgram THC per liter bloed bedroeg;

4te Roosendaal op of omstreeks 19 mei 2025 opzettelijk wederrechtelijk een motorrijtuig (personenauto), toebehorende aan een ander dan aan verdachte,als bestuurder heeft gebruikt op de weg;

5op of omstreeks 19 mei 2025 te Roosendaal als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich, conform het advies van de reclassering van 3 augustus 2026, op het standpunt gesteld dat het adolescentenstrafrecht dient te worden toegepast. De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 200 uren en een geheel voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van twee jaren, met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Daarnaast vordert de officier van justitie een rijontzegging voor de duur van 36 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van de tijd dat het (brommer)rijbewijs van verdachte al is ingenomen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om het adolescentenstrafrecht toe te passen. Verdachte bekent de feiten en heeft spijt van zijn handelen. Dat hiervoor een straf dient te volgen, begrijpt de verdediging, maar een voorwaardelijke jeugddetentie wordt door de verdediging als een wel hele grote stok achter de deur gezien. Verdachte is bereid zich te houden aan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, met uitzondering van het verbod op verdovende middelen. De verdediging verzet zich ook niet tegen begeleiding door de volwassenenreclassering volgens de jongvolwassenenmethodiek.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De aard en ernst van de feiten

De destijds net 18-jarige verdachte heeft op 19 mei 2025 een ernstig eenzijdig verkeersongeval veroorzaakt waarbij de drie andere inzittenden zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen. Tevens heeft hij zich schuldig gemaakt aan rijden onder invloed van (soft)drugs, rijden zonder rijbewijs en joyriding.

Verdachte wilde samen met [slachtoffer 1] gaan chillen in de auto van zijn moeder. Hij heeft toen, zonder toestemming van zijn moeder, haar autosleutels gepakt en heeft samen met [slachtoffer 1] (als bijrijder) [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] opgehaald. De vier jongens zijn in eerste instantie naar een parkeerplaats gegaan buiten Roosendaal, waar in ieder geval verdachte een jointje heeft gerold en weer in de auto zijn gestapt om naar een andere locatie te rijden. Verdachte, die in de middag ook al had geblowd, heeft gereden met de joint in zijn hand. Op de Zundertseweg te Roosendaal ter hoogte van de fietsoversteekplaats raakt de auto de trottoirband aan de rechterzijde van de weg. Als gevolg hiervan is de auto uitgeweken naar links, terechtgekomen in de grasberm aan de linkerzijde van de weg en vervolgens tegen een boom tot stilstand gekomen.

Met zijn rijgedrag heeft verdachte de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht en onaanvaardbare risico’s genomen, niet alleen voor hemzelf, maar ook voor de andere inzittenden in de auto en voor medeweggebruikers. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan.

Als gevolg van het ongeval hebben [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Zowel bij [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] was operatief ingrijpen noodzakelijk. Het kan niet anders dan dat het ongeval een grote impact heeft gehad op [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] .

Eendaadse samenloop

De rechtbank stelt vast dat sprake is van eendaadse samenloop tussen feiten 1, 2, 3 en 5. De rechtbank zal hiermee rekening houden bij het bepalen van (de hoogte van de) straf.

De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte

Justitiële documentatie

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij op 18 en 24 maart 2025 ook is aangehouden vanwege het rijden onder invloed. Op 18 maart 2025 en 15 april 2025 zou hij een auto hebben bestuurd zonder rijbewijs. Voor deze feiten zijn hem geldboetes opgelegd. Gelet hierop is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.

Advies van de reclassering

De rechtbank heeft kennis genomen van het rapport van de reclassering van 3 augustus 2026. De reclassering ziet meerdere delictgerelateerde risicofactoren. Het betreft met name de impulsiviteit van verdachte, de vastgestelde autismespectrumstoornis in combinatie met een beperkt vermogen om de gevolgen van zijn handelen te overzien, het cannabisgebruik ten tijde van de pleegdatum en het feit dat hij eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen vanwege drugsgerelateerd delictgedrag en joyriden. Hoewel deze risicofactoren aanwezig zijn, zien verdachte en zijn ouders geen meerwaarde in professionele hulpverlening.

De reclassering adviseert het jeugdstrafrecht toe te passen. Verdachte maakt deel uit van het ouderlijk gezin, er is bij hem sprake van beperkte cognitieve vermogens en een autismespectrumstoornis en impulsief handelen. Voor het regelen en organiseren van zaken is verdachte nog in belangrijke mate afhankelijk van de ondersteuning van zijn ouders. De reclassering ziet in beginsel nog voldoende pedagogische beïnvloedingsmogelijkheden. De reclassering vindt reclasseringstoezicht geïndiceerd om het probleembesef van verdachte te vergroten, zijn impulscontrole te versterken, zijn verantwoordelijkheidsbesef verder te ontwikkelen en het risico op toekomstige politie- en justitiecontacten te beperken.

De reclassering adviseert dan ook een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden de meldplicht bij de reclassering, de gedragsinterventie cognitieve vaardigheden en een verbod op verdovende middelen. Hoewel toepassing van het jeugdstrafrecht wordt geadviseerd, adviseert de reclassering de uitvoering van het toezicht bij de volwassenenreclassering te beleggen. Begeleiding kan plaatsvinden volgens de jongvolwassenenmethodiek.

Toepassing van het jeugdstrafrecht

Volgens artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, kan de rechtbank - ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar niet die van 23 jaren heeft bereikt - recht doen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg, indien de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of in de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

De rechtbank stelt vast dat verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd toen hij 18 jaar oud was. Gelet op het gegeven advies door de reclassering en de geschetste persoonlijkheid van de verdachte zal de rechtbank ten aanzien van het bewezenverklaarde op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht het jeugdstrafrecht toepassen. Verdachte maakt nog deel uit van het ouderlijk gezin, er is bij hem sprake van beperkte cognitieve vermogens, een autismespectrumstoornis en impulsief handelen. Hierbij past een pedagogische aanpak om gedragsverandering te realiseren.

De straf

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank naast al het voorgaande ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Hierbij heeft de rechtbank ook rekening gehouden met het feit dat verdachte in maart 2025, twee maanden voor het plegen van onderhavige feiten, twee keer staande is gehouden vanwege het rijden onder invloed en hiervoor beide keren een geldboete opgelegd heeft gekregen. Ook reed verdachte daarbij eenmaal in een auto zonder dat hij over een rijbewijs beschikte en heeft hij dat in april 2025 nogmaals gedaan. Verdachte was dan ook een zeer gewaarschuwd mens. Verdachte neemt ook geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen, hetgeen blijkt uit het feit dat hij in april, mei en juni 2026 nog meerdere keren door de politie is gecontroleerd en telkens bij hem (soft)drugs zijn aangetroffen. Op 17 juli 2026 werd verdachte zelfs tijdens een controle (weer) met een joint achter het stuur aangetroffen.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie passend en geboden is. Zij neemt die dan ook over en zal aan verdachte opleggen een werkstraf van 200 uren, te vervangen door 100 dagen jeugddetentie voor het geval verdachte deze werkstraf niet, dan wel niet naar behoren, verrichten daarnaast een jeugddetentie voor de duur van drie maanden, geheel voorwaardelijk. De rechtbank vindt het belangrijk dat verdachte door het verrichten van een werkstraf de directe gevolgen ondervindt van zijn strafbare gedragingen. De voorwaardelijke jeugddetentie dient om de ernst van het feit te benadrukken, verdachte ervan te weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen en om daaraan de bijzondere voorwaarden te kunnen verbinden die de reclassering heeft geadviseerd.

Daarnaast zal de rechtbank verdachte, mede ter bescherming van de verkeersveiligheid, een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen opleggen voor de duur van 36 maanden waarvan 18 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van de tijd dat verdacht zijn (brommer)rijbewijs al heeft ingeleverd.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 55, 63, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77r, 77x, 77y, 77z en 77aa van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 6, 8, 11, 107, 175, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

de eendaadse samenloop van:

feit 1: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor anderen zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van deze wet;

feit 2: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

feit 3: overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

en

feit 5: overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994

feit 4: overtreding van artikel 11 van de Wegenverkeerswet 1994 ( joyriding);

.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 200 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 100 dagen;

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van drie maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* Meldplicht bij reclassering

Dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.

Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Langendijk 34 te Breda, nadat hij een afspraak heeft gemaakt voor een eerste contact via telefoonnummer 088-8041505.

* Gedragsinterventie cognitieve vaardigheden

Dat verdachte binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa-plus/Solo van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer.

* Verbod verdovende middelen

Dat verdachte gedurende de proeftijd geen middelen gebruikt als bedoeld in de Opiumwet, tenzij de reclassering hiervoor toestemming geeft. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn: urineonderzoek, ademonderzoek, speekseltest.

De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

- draagt de reclassering Nederland op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

voorwaarden daarbij zijn:

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken en aan het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

Bijkomende straffen

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 36 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd dat verdachte zijn (brommer)rijbewijs al heeft ingeleverd in mindering wordt gebracht op de rijontzegging.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Combee, voorzitter,

en mr. A.R. van Triest en mr. S.C.S. van Bree, rechters,

in tegenwoordigheid van I.H.E. van Diepen, griffier,

en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 augustus 2026.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. R. Combee
  • mr. A.R. van Triest
  • mr. S.C.S. van Bree

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand