ECLI:NL:RBZWB:2026:8241

ECLI:NL:RBZWB:2026:8241

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 27-08-2026
Datum publicatie 27-08-2026
Zaaknummer 02-140588-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Daarbij is onder andere tegen het hoofd van het slachtoffer geschopt. Beroep op noodweerexces verworpen. Rechtbank legt op een taakstraf voor de duur van 100 uren, bij niet voltooiing te vervangen door 50 dagen hechtenis. Daarnaast legt de rechtbank een gevangenisstraf van 140 dagen op, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geformuleerd.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-140588-26

Vonnis van de meervoudige kamer van 27 augustus 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2006,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]

,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd,

raadsman mr. R. van ‘t Land, advocaat te Breda.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 augustus 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.S. Kikkert en de verdediging, waarnemend raadsvrouw mr. A.C.M. Tönis, hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander [slachtoffer] heeft geprobeerd te doden, dan wel zwaar te mishandelen, dan wel openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] .

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het medeplegen van poging tot doodslag of het medeplegen van poging tot zware mishandeling. Verdachte had geen opzet op het doden van of het zwaar lichamelijk letsel toebrengen aan [slachtoffer] , ook niet in voorwaardelijke zin. Op grond van de handelingen van verdachte valt geen aanmerkelijke kans aan te nemen. Dit geldt ook voor de bewuste aanvaarding van die kans. Daarbij is van belang dat verdachte in het verleden zelf slachtoffer is geweest van ernstig groepsgeweld, waardoor zijn handelen niet werd ingegeven door een weloverwogen afweging van risico’s en gevolgen. Het was eerder handelen dat was ingegeven door paniek, angst en een instinctieve behoefte zichzelf te beschermen. Nu het voorwaardelijk opzet niet kan worden bewezen, moet verdachte dan ook worden vrijgesproken van het primair en het subsidiair ten laste gelegde. Verder is geen sprake geweest van medeplegen, nu de daarvoor vereiste bewuste en nauwe samenwerking ontbreekt.

Verder doet de verdediging een beroep op noodweerexces en wordt verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feiten en omstandigheden

Op 12 april 2026 hebben verdachte en [slachtoffer] op de parkeerplaats van een supermarkt te Tilburg een conflict dat zou gaan over gedrag in het verkeer kort daarvoor. [slachtoffer] zoekt met een agressieve houding de confrontatie met verdachte. [slachtoffer] geeft op een gegeven moment ook een duw tegen verdachte, waarna verdachte de handen van [slachtoffer] wegduwt. [medeverdachte 1] en ene [medeverdachte 2], beiden behorende bij verdachte, proberen in eerste instantie de situatie te sussen. Met name [medeverdachte 1] plaatst zichzelf meermaals tussen [slachtoffer] en verdachte. [medeverdachte 1] duwt [slachtoffer] meerdere malen weg. Op de camerabeelden is ook te zien dat [medeverdachte 2] verdachte meerdere malen bij de arm vasthoudt, waarbij het lijkt alsof hij verdachte probeert weg te trekken van de situatie, en hem vervolgens ook daarvan wegduwt. [slachtoffer] en verdachte blijven echter druk gebarend en met geagiteerde houding tegen elkaar praten en elkaar opzoeken. Verdachte duwt daarbij ook de hand van [slachtoffer] weg. Uiteindelijk maakt [slachtoffer] een beweging met zijn hoofd tegen het hoofd van verdachte. Verdachte reageert hierop door met zijn rechtervuist een klap tegen het hoofd van [slachtoffer] te geven. Medeverdachte [medeverdachte 1] duwt meteen daarop tegen [slachtoffer] , waarna deze achterover valt en maakt een trappende beweging richting [slachtoffer] . Verdachte schopt vervolgens tegen [slachtoffer] aan, terwijl [medeverdachte 1] deze [slachtoffer] met zijn knieën tegen de grond duwt. Terwijl [slachtoffer] op de grond ligt, schopt verdachte tegen zijn hoofd en [medeverdachte 1] slaat hem meerdere malen tegen het hoofd. Terwijl [slachtoffer] dan weerloos op de grond ligt, stampt verdachte twee keer op het hoofd van [slachtoffer] . Tot slot schopt verdachte nog een laatste keer richting het hoofd van [slachtoffer] . Bij dit incident draagt verdachte sneakers. Als verdachte wegloopt, draait hij zich nog een aantal keren om en maakt drukke handgebaren

[slachtoffer] loopt lichamelijk letsel op, onder meer een wond rechtsboven zijn oor, een hechtwond op het achterhoofd, een zwelling boven het linkeroor en een bloedneus.

Er is een vermoeden van licht traumatisch hersenletsel, zonder uitval of op een CT-scan zichtbare afwijkingen.

Poging tot doodslag

Voor een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde, is vereist dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . Niet is vast te stellen dat verdachte daadwerkelijk de bedoeling had om [slachtoffer] te doden. Voor het aannemen van voorwaardelijk opzet op de dood is vereist dat verdachte met zijn handelen de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat [slachtoffer] zou komen te overlijden en deze kans ook bewust heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Onder bepaalde omstandigheden kan het schoppen tegen het gezicht/hoofd de aanmerkelijke kans in het leven roepen dat aangever als gevolg daarvan komt te overlijden. Daarvoor is onder andere van belang de kracht waarmee is geschopt, de hoeveelheid schoppen en de plaats waar aangever op het hoofd wordt geraakt.

De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende aanwijzingen bevat dat door het schoppen door verdachte een aanmerkelijke kans op de dood is ontstaan. Ter zitting zijn de beelden van het incident bekeken, ook vertraagd. Daarop is onder meer te zien dat, zoals hiervoor is vastgesteld, verdachte het slachtoffer verschillende keren tegen het hoofd heeft geschopt en getrapt terwijl het slachtoffer weerloos op straat ligt. Te zien is dat verdachte het slachtoffer met kracht schopt, maar niet is te zien waar het slachtoffer precies op het hoofd wordt geraakt. Daarbij komt dat verdachte ten tijde van het incident sneakers droeg. Op grond van deze eigen waarneming door de rechtbank en de overige processtukken oordeelt de rechtbank dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het schoppen met zodanige kracht heeft plaatsgehad en het hoofd op zodanige wijze heeft geraakt, dat in de gegeven omstandigheden een aanmerkelijke kans bestond op de dood van [slachtoffer] . De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

Poging tot zware mishandeling

Zoals de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld, heeft verdachte het slachtoffer verschillende keren met schoenen aan met kracht tegen het hoofd geschopt terwijl het slachtoffer weerloos op straat lag. Het hoofd is een zeer kwetsbaar en vitaal deel van het menselijk lichaam en door de met kracht uitgevoerde geweldshandelingen van verdachte tegen het hoofd van het slachtoffer, kan wel worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel is ontstaan. Het op voornoemde wijze schoppen en trappen door verdachte is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat hieruit volgt dat verdachte die aanmerkelijke kans op dit gevolg ook heeft aanvaard. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gepoogd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Medeplegen

Gelet op de geweldshandelingen die medeverdachte [medeverdachte 1] gelijktijdig met verdachte richting [slachtoffer] heeft uitgeoefend, is de rechtbank van oordeel dat hiermee voldaan is aan de nauwe en bewuste samenwerking die vereist is voor een bewezenverklaring van het medeplegen.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

subsidiair:op 12 april 2026 te Tilburg, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten

[slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] meermalen, - met kracht tegen het lichaam heeft geduwd en - met kracht tegen het hoofd en het lichaam heeft gestompt en ten val heeft gebracht en - (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) met kracht tegen het hoofd en het lichaamheeft geschopt en/of getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte zich noodzakelijk heeft moeten verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] . Ter onderbouwing van deze stelling heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte als eerste wordt geduwd door [slachtoffer] . Vervolgens blijft [slachtoffer] onder het uiten van woordelijke bedreigingen het contact zoeken, ondanks dat hij wordt tegengehouden. Uiteindelijk geeft [slachtoffer] een kopstoot aan verdachte. Dit is een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mag verdedigen, hetgeen hij ook doet door uit reflex te slaan. Dit staat in redelijke verhouding tot wat tot dat moment is gebeurd. De schoppen die verdachte hierna heeft gegeven, werden veroorzaakt door een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding was ontstaan. Deze reactie is ingegeven door de angst en paniek die verdachte ervaarde en welke verband houden met het geweldsincident dat verdachte in het verleden heeft meegemaakt. Nu sprake is van noodweerexces, dient verdachte ontslagen te worden van alle rechtsvervolging.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat een noodweer(exces)situatie niet aannemelijk is geworden, omdat verdachte zich laat uitdagen door en in de buurt blijft bij [slachtoffer] . Verdachte had op meerdere momenten de keuze om weg te lopen, maar heeft dat niet gedaan. Er was geen noodweersituatie en als die er al was, dan zijn de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit dermate overschreden, dat een beroep op noodweer daarop strandt.

Het oordeel van de rechtbank

Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Van een ogenblikkelijke aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De enkele vrees of angst voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd, zodanig bedreigend zijn voor verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

De rechtbank heeft onder 4.3 vastgesteld dat [slachtoffer] met een agressieve houding richting verdachte telkens de confrontatie met hem zocht. Daarbij duwde hij tegen verdachte en uiteindelijk maakt hij een beweging met zijn hoofd tegen het hoofd van verdachte. Anders dan de verdediging, ziet de rechtbank, nu niet blijkt dat dit met kracht is gedaan, geen “kopstoot” in deze beweging. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat deze beweging als een ogenblikkelijke aanranding van verdachte kwalificeert, dan was het naar het oordeel van de rechtbank niet noodzakelijk voor verdachte om zich daartegen te verdedigen. Uit de beelden in het dossier blijkt dat verdachte op meerdere momenten waarop [slachtoffer] hem heeft benaderd de mogelijkheid had zich te onttrekken aan de situatie en weg te lopen. Die mogelijkheid werd hem onder meer geboden door medeverdachte [medeverdachte 1] , die meermaals tussen verdachte en [slachtoffer] is gaan staan en op zijn beurt die [slachtoffer] wegduwde. Ook [medeverdachte 2] trok en duwde verdachte bij [slachtoffer] weg. Verdachte is ondanks de bemoeienissen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] niet weggegaan, maar heeft zich op verschillende momenten naar [slachtoffer] toe bewogen en hem opgezocht. Hij had daarbij een geagiteerde houding en maakte gebaren. Ook na de hiervoor genoemde beweging van het hoofd van [slachtoffer] tegen het gezicht van verdachte, die in feite een voortzetting vormde van de daaraan voorafgaande gedragingen van [slachtoffer] , bestond voor hem de mogelijkheid zich aan de situatie te onttrekken en weg te lopen. Verdachte had dit naar het oordeel van de rechtbank ook moeten doen. Mitsdien was geen sprake van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweerexces faalt.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest. Aan het voorwaardelijk deel moeten de bijzondere voorwaarden verbonden worden, zoals geformuleerd en geadviseerd door de reclassering.

Het standpunt van de verdediging

Bij een veroordeling is het verzoek te volstaan met het opleggen van een taakstraf, waarvan een deel voorwaardelijk, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.

Het oordeel van de rechtbank

De aard en ernst van het feit

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Verdachte en zijn medeverdachte hebben het slachtoffer geduwd, gestompt en tegen het hoofd geschopt, onder meer terwijl hij weerloos op de grond lag. Dat dit in dit geval niet tot zwaar lichamelijk letsel heeft geleid, is een gelukkige omstandigheid. Met dit gewelddadig handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . De impact daarvan is groot geweest voor hem en zijn naasten, zoals door hem is gesteld in de vordering die hij heeft ingesteld. Het gewelddadig handelen vond bovendien plaats op de parkeerplaats van een supermarkt en is ook waargenomen door meerdere omstanders, waarbij het aannemelijk is dat dit heeft geleid tot gevoelens van onveiligheid bij deze omstanders. Verdachte heeft bij dit alles kennelijk niet stilgestaan of dit op de koop toegenomen. De rechtbank rekent verdachte zijn handelen dan ook ernstig aan.

De rechtbank weegt mee wat de aanleiding is geweest van het incident. [slachtoffer] heeft zich daarbij namelijk niet onbetuigd gelaten en hij is degene geweest die op uiterst vervelende manier telkens de confrontatie zocht met verdachte. De manier waarop verdachte en medeverdachte gereageerd hebben, valt echter op geen enkele manier te rechtvaardigen.

De persoon van verdachte

Bij de straftoemeting houdt de rechtbank rekening met het feit dat uit zijn strafblad blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.

De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het reclasseringsadvies van 19 juni 2026. Daaruit komt naar voren dat bij verdachte sprake is van ADHD en ODD en dat hij als gevolg van gedragsproblematiek geen startkwalificatie heeft behaald. Verder heeft verdachte een schuldenlast bij het CJIB. Daar staat tegenover dat hij beschikt over een steunend familienetwerk. De reclassering schetst het beeld van een jongeman die langzaam aan het afglijden is, mede doordat de structuur van het gezin is weggevallen toen hij uit huis is gegaan. Ook ontbreekt een zinvolle dagbesteding. De reclassering adviseert toepassing van het volwassenenstrafrecht. Het risico op recidive kan door de reclassering niet worden ingeschat, gelet op de proceshouding van verdachte inhoudende dat hij uit zelfverdediging heeft gehandeld. De reclassering acht het wel wenselijk dat verdachte onder toezicht komt van de reclassering wanneer hij schuldig bevonden wordt. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, het hebben van een zinvolle dagbesteding en het aflossen van schulden. Daarbij heeft de reclassering aangegeven dat verdachte in staat is een taakstraf te verrichten.

De rechtbank acht het gelet op de bevindingen van de reclassering van belang om verdachte begeleiding en structuur te bieden om verder afglijden en toekomstig strafbaar gedrag te voorkomen. De rechtbank neemt ook het advies om volwassenenstrafrecht toe te passen over.

Ter zitting heeft verdachte kenbaar gemaakt dat hij bij een veroordeling zal meewerken aan de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Hij wenst een opleiding te gaan volgen, waarbij hij ook kan gaan werken zodat hij vervolgens zijn schulden kan gaan aanpakken.

De op te leggen straf

Gelet op de aard en de ernst van het feit in samenhang met de hiervoor genoemde omstandigheden, ziet de rechtbank, anders dan de officier van justitie, die ook is uitgegaan van een andere bewezenverklaring, geen aanleiding om een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Wel acht de rechtbank het passend om, naast een gevangenisstraf die gelijk is aan het voorarrest, een taakstraf op te leggen in combinatie met een deels voorwaardelijke gevangenisstraf.

Bij de bepaling van de duur van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor straftoemeting. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de jonge leeftijd van verdachte ten tijde van dat feit en zijn persoonlijke omstandigheden.

Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is een taakstraf voor de duur van 100 uren, bij niet voltooiing te vervangen door 50 dagen hechtenis. Daarnaast legt de rechtbank een gevangenisstraf van 140 dagen op, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geformuleerd.

7. De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 18.716,50, bestaande uit € 3.716,50 aan materiële schade en € 15.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schademaatregel.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit heeft gepleegd, zoals weergegeven onder 4.4 en stelt vast dat verdachte de poging tot zware mishandeling samen met de medeverdachte heeft begaan. Dit betekent dat verdachte en de medeverdachte onrechtmatig hebben gehandeld tegenover de benadeelde partij. Beiden zijn naar burgerlijk recht – op grond van artikel 6:166 van het Burgerlijk Wetboek (BW) – hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele schade van de benadeelde partij, voor zover deze rechtstreeks het gevolg is van de poging tot zware mishandeling en dat zij verplicht zijn de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

Materiële schade

De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 385,- in verband met het eigen risico. Deze schadepost is een rechtstreeks gevolg van de poging tot zware mishandeling en is door de verdediging niet betwist. De rechtbank acht deze schadepost geheel toewijsbaar.

Daarnaast vordert de benadeelde partij een vergoeding van € 500,- voor een telefoon, die door verdachte zou zijn weggenomen. De verdediging heeft betwist dat verdachte de telefoon heeft weggenomen. Zonder nader debat en eventuele bewijsvoering kan niet worden vastgesteld of dit het geval is geweest. Nu dit strafgeding zich daarvoor niet leent, zal de benadeelde partij niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering voor zover deze ziet op de schade van de telefoon.

Verder vordert de benadeelde partij een vergoeding van € 1.500,- voor schade aan een horloge en een tas, € 799,50 voor kosten huishoudelijk hulp en € 532,- voor verzorgingskosten. De verdediging heeft de vordering betreffende deze schadeposten voldoende gemotiveerd weersproken. Zonder nader debat en eventuele bewijsvoering, waartoe dit strafgeding zich niet leent, kan niet worden vastgesteld dat de benadeelde partij als gevolg van het incident deze schade heeft geleden. Ook in zoverre dient de benadeelde partij niet ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Immateriële schade

De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 15.000,- voor door hem opgelopen immaterieel nadeel.

Bij de onderbouwing van dit deel van de vordering is gebruik gemaakt van de Rotterdamse schaal onder verwijzing naar het opgelopen letsel.

Het staat vast dat [slachtoffer] als gevolg van het incident letsel heeft opgelopen, zodat hij recht heeft op vergoeding van immaterieel nadeel. Voor de begroting van de omvang van deze schade komt betekenis toe aan de aard van de gedraging, de aard en ernst van het letsel en de gevolgen voor de benadeelde. Daarnaast is van belang wat andere rechters in soortgelijke gevallen aan schadevergoeding hebben toegekend en dient rekening te worden gehouden met geldontwaarding.

Het letsel van [slachtoffer] is hiervoor door de rechtbank beschreven. Met inachtneming van de hiervoor genoemde maatstaf, begroot de rechtbank deze schade op € 1.500,00. De door de benadeelde partij gestelde gevolgen van het letsel voor het functioneren van [slachtoffer] zijn door de verdediging gemotiveerd weersproken, zodat in zoverre nader debat en eventuele bewijsvoering nodig zijn hetgeen een onevenredige belasting voor dit strafproces zou opleveren. Voor zover de vordering € 1.500,00 overstijgt, zal de benadeelde partij niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf het moment dat de schade is ontstaan, te weten 12 april 2026.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel op tot betaling van het totaal toegekende schadebedrag en de wettelijke rente. Dit betekent dat het Centraal Justitieel Incasso Bureau de inning verzorgt en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 47 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder het primaire ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Subsidiair: Medeplegen van poging tot zware mishandeling;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 140 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

1.dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;

2.dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door TGC Tilburg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling;

3.dat verdachte gedurende de proeftijd, indien, voor zover en voor zolang de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;

4.dat verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of het volgen van een opleiding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;

5.dat verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;

6.dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

7.dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 100 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 1.885,-, waarvan € 385,- aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 april 2026 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- bepaalt dat verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , € 1.885,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 april 2026 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 18 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.M. Collombon, voorzitter,

en mr. L.W. Louwerse en mr. S.C.S. van Bree, rechters,

in tegenwoordigheid van M.R. Tafazzul, griffier,

en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 augustus 2026.

De oudste rechter en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 12 april 2026 te Tilburg, althans in Nederland, tezamen en invereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het doorverdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander,te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen althanseenmaal,

- met kracht tegen het lichaam heeft geduwd en/of- met kracht tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/ofgestoten en/of (daarbij) ten val heeft gebracht en/of- (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) (met kracht) tegen het hoofd en/of het lichaamheeft geschopt en/of getrapt,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 april 2026 te Tilburg, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomenmisdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer]opzettelijkzwaar lichamelijk letsel toe te brengen,die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal,- met kracht tegen het lichaam heeft geduwd en/of- met kracht tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/ofgestoten en/of (daarbij) ten val heeft gebracht en/of- (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) (met kracht) tegen het hoofd en/of het lichaamheeft geschopt en/of getrapt,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht ofzou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 april 2026 te Tilburg, althans in Nederland, op of aan deopenbare weg, de de [plaats] , in elk geval openlijk in vereniging geweldheeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer] , welk in vereniginggepleegde geweld bestond uit het meermalen althans eenmaal,

- met kracht tegen het lichaam van die [slachtoffer] duwen en/of- met kracht tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] slaan en/of stompenen/of stoten en/of (daarbij) ten val brengen van die [slachtoffer] en/of- (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) (met kracht) tegen het hoofd en/of het lichaamvan die [slachtoffer] te schoppen en/of trappen;

( art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand