ECLI:NL:RBZWB:2026:8242

ECLI:NL:RBZWB:2026:8242

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 27-08-2026
Datum publicatie 27-08-2026
Zaaknummer 02-173319-24, 02-034898-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Vrijspraak poging doodslag, veroordeling poging zware mishandeling voor inrijden op verbalisant. Veroordeling belaging tijdens contactverbod. Vrijspraak overige feiten. Opgelegd een gevangenisstraf van 270 dagen met aftrek, waarvan 166 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met bijzondere voorwaarden en een voorwaardelijke OBM van 2 jaar met een proeftijd van 2 jaar.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummers: 02-173319-24, 02-034898-26 (GEV TTZ)Parketnummers TUL: 02-173571-24, 96-274047-24

Vonnis van de meervoudige kamer van 27 augustus 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] ,

waarnemend raadsman mr. G. Vermeulen, advocaat te Tilburg.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 augustus 2026, waarbij de officier van justitie mr. S. van Hees en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting zijn ook de vorderingen tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermelde parketnummers.

Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.

2. De tenlasteleggingen

De tenlasteleggingen zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenkingen komen er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

02-173319-24, feit 1: heeft geprobeerd verbalisant [slachtoffer 1] te doden dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

02-173319-24 feit 2: heeft geprobeerd verbalisant [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel deze verbalisant heeft bedreigd;

02-034898-26: zich schuldig heeft gemaakt aan belaging van [slachtoffer 3] gedurende een periode van bijna zes maanden.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich ten aanzien van beide verbalisanten schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Verdachte heeft zich daarnaast ook schuldig gemaakt aan belaging van aangeefster [slachtoffer 3] .

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen voor de poging doodslag op verbalisant [slachtoffer 1] , zoals primair ten laste is gelegd. Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Verdachte moet worden vrijgesproken van zowel de poging tot zware mishandeling als de bedreiging van verbalisant [slachtoffer 2] , feit 2. Ook moet vrijspraak volgen van de belaging van [slachtoffer 3] . Subsidiair is verzocht om ten aanzien van dit feit slechts de periode van 30 juni 2025 tot 4 september 2025 bewezen te verklaren.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

02-173319-24 - feiten 1 en 2

De rechtbank stelt vast dat verbalisant [slachtoffer 1] op 26 mei 2024 omstreeks 01:45 uur verdachte vanaf zijn fiets een stopteken heeft gegeven waarop verdachte met een enorme snelheid met zijn Volvo achteruit is weggereden. Met het indraaien van de Lancierstraat is de motor van de Volvo afgeslagen en is verdachte met zijn auto tot stilstand gekomen. Verbalisant [slachtoffer 1] en verbalisant [slachtoffer 2] hebben direct al fietsend de achtervolging ingezet.

Binnen enkele seconden was verbalisant [slachtoffer 1] ter plaatse, is hij voor de auto van verdachte langsgereden en heeft hij zijn fiets ter hoogte van de rechterkoplamp tot stilstand gebracht. Zelf verklaart [slachtoffer 1] dat hij met zijn fiets circa 20 centimeter voor de voorbumper stond, de rechtbank gaat ervan uit dat hij op een zeer korte afstand van de auto stond. Verbalisant [slachtoffer 2] kwam met zijn fiets tot stilstand ter hoogte van de linkerbuitenspiegel van de Volvo. Verdachte reed, nadat hij zijn motor had gestart, naar voren weg en maakte daarbij een stuurbeweging naar links omdat hij dacht dat hij tussen de twee verbalisanten door zou kunnen rijden.

Verbalisant [slachtoffer 1] werd daarbij door de voorbumper van de auto bij zijn schenen geraakt en kwam op de motorkap terecht. De verbalisant is uiteindelijk aan de voorzijde van de rechterkoplamp bovenop zijn fiets ten val gekomen. Verdachte reed vervolgens over de fiets van [slachtoffer 1] heen terwijl deze nog met zijn been tussen zijn fiets en de auto klem zat. Verbalisant [slachtoffer 1] is hierdoor nog ongeveer 2 meter over de grond meegesleurd. Verdachte heeft verklaard dat hij verbalisant [slachtoffer 1] inderdaad met de voorzijde van zijn auto ter hoogte van de rechterkoplamp heeft geraakt.

Nu vast is komen te staan dat [slachtoffer 1] op een zeer korte afstand van de auto stond toen verdachte met zijn auto vanuit stilstand is gaan rijden, is de rechtbank van oordeel dat de kans op het mogelijk overlijden van deze [slachtoffer 1] niet aannemelijk is geworden. Hoewel er in het dossier verklaringen zitten waaruit blijkt dat verdachte met een hoge snelheid is weggereden, acht de rechtbank het niet waarschijnlijk dat verdachte over een dergelijke korte afstand een snelheid heeft kunnen ontwikkelen die mogelijk tot dodelijk letsel had kunnen leiden. De rechtbank zal verdachte daarom partieel vrijspreken van de tenlastegelegde poging doodslag. Wel acht de rechtbank bewezen dat verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan verbalisant [slachtoffer 1] heeft aanvaard. Er is dan sprake van voorwaardelijke opzet op het toebrengen van dergelijk letsel. De subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling wordt bewezen verklaard.

Ten aanzien van de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan dan wel bedreiging van verbalisant [slachtoffer 2] overweegt de rechtbank dat van belang is dat [slachtoffer 2] zich op een andere positie ten opzichte van de auto bevond dan verbalisant [slachtoffer 1] , namelijk aan de zijkant van de auto ter hoogte van de linkerbuitenspiegel. Naar het oordeel van de rechtbank is er echter onvoldoende duidelijkheid over de precieze positie van [slachtoffer 2] als ook over de stuurbeweging van verdachte om vast te stellen dat er een reële mogelijkheid op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de verbalisant bestond. De verklaringen zijn op dit punt tegenstrijdig en uit de beelden volgt dit ook niet voldoende. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er ook geen bewezenverklaring voor bedreiging kan volgen, omdat daarvoor onder meer bewezen moet worden dat verdachte met de auto is ingereden op [slachtoffer 2] . Op de beelden is niet te zien dat dit is gebeurd. De rechtbank zal verdachte daarom van beide feiten ten aanzien van verbalisant [slachtoffer 2] vrijspreken.

02-034898-26

De rechtbank stelt vast dat verdachte heeft bekend dat hij ondanks het geldende contactverbod aangeefster [slachtoffer 3] in de periode van 30 juni 2025 tot 4 september 2025 meermaals anoniem heeft gebeld. Omdat er sprake is van meermaals, te weten 20 keer, bellen binnen een geldend contactverbod is de stelselmatige en wederrechtelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 3] wat betreft de rechtbank gegeven. De rechtbank acht het dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de voornoemde periode schuldig heeft gemaakt aan de belaging van aangeefster [slachtoffer 3] .

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

02-173319-24

op 26 mei 2024 te Tilburgter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omaan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaarlichamelijk letsel toe te brengen,met een auto met snelheid op die [slachtoffer 1] in te rijden -die op dat momentmet zijn fiets voor die auto stond, waardoor de voorbumper van die auto die [slachtoffer 1] raakte en ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] met een klap op de motorkap terecht kwam en vervolgens met snelheid met die auto verder is gereden, ten gevolge waarvandie [slachtoffer 1] ten val kwam voor de voorkantvan de auto bovenop zijn fiets en met de auto over de fiets reed, waardoor die [slachtoffer 1] klem zat tussen de auto enfiets en op die manier een of meerdere meters werd meegesleurd over de grond,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

02-034898-26

in de periode van 30 juni 2025 tot 4 september 2025 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 3] , door die [slachtoffer 3] meermalen te bellen,

met het oogmerk die [slachtoffer 3] , te dwingen iets te dulden;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen voor alle feiten een gevangenisstraf voor de duur van 540 dagen, met aftrek, waarvan 436 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in haar rapportage van 4 augustus 2026. Deze houden in: meldplicht bij reclassering, ambulante behandeling en beheersing middelengebruik. Daarnaast is verzocht om aan verdachte op te leggen de maximale taakstraf van 240 uren en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid (OBM) voor de duur van 2 jaren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om bij een eventuele bewezenverklaring een onvoorwaardelijke straf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest van verdachte en om verder te volstaan met een voorwaardelijke straf.

Het oordeel van de rechtbank

In plaats van gehoor te geven aan een stopteken van de politie is verdachte met zijn auto in zijn achteruit met hoge snelheid weggereden. Nadat de auto van verdachte tijdens deze vlucht was afgeslagen, probeerde verdachte nogmaals weg te komen door tussen twee verbalisanten door te rijden. Verdachte heeft met zijn handelen groot gevaar voor de betrokken verbalisanten veroorzaakt. De rechtbank acht het ontoelaatbaar dat een politieambtenaar tijdens de uitoefening van zijn publieke taak op een dergelijke manier in gevaar wordt gebracht en rekent het verdachte ten zeerste aan dat hij enkel oog heeft gehad voor zijn eigen belang om zo snel mogelijk weg te komen.

De rechtbank rekent het verdachte daarnaast aan dat hij aangeefster [slachtoffer 3] , ondanks het geldende contactverbod, ruim drie maanden heeft belaagd. Te meer omdat verdachte ook nog in een proeftijd liep van zaken met betrekking tot aangeefster [slachtoffer 3] . Verdachte was gewaarschuwd wat betreft zijn gedrag jegens [slachtoffer 3] en had anders kunnen en vooral moeten handelen.

In het advies van 4 augustus 2026 benoemt de reclassering een zorgelijk delictpatroon met een diversiteit aan delicten met voornamelijk antisociaal gedrag. Verdachte voldoet bijna aan de juridische vereisten voor de oplegging van een ISD-maatregel. De reclassering maakt zich zorgen over het psychosociale welzijn en de houding van verdachte. Verdachte is gediagnosticeerd met een licht verstandelijke beperking en ten tijde van de poging tot zware mishandeling waren er ook zorgen rondom middelenmisbruik en zijn sociale netwerk. Tijdens het toezicht heeft verdachte echter positieve stappen gemaakt. Zijn moeder vormt een beschermende factor. Verdachte staat op een wachtlijst voor een behandeling bij Fivoor en lijkt oprecht in zijn wens om te breken met delictgedrag. De reclassering acht het ter voorkoming van delictgedrag echter noodzakelijk dat de ambulante behandeling én de abstinentie van middelen van verdachte worden voortgezet en adviseert daarom de oplegging van bijzondere voorwaarden in de vorm van een meldplicht bij reclassering, ambulante behandeling en beheersing van middelengebruik.

Bij de strafoplegging weegt de rechtbank de voornoemde ernst van de feiten en omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd in het nadeel van verdachte mee. De rechtbank heeft daarbij ook acht geslagen op de justitiële documentatie van verdachte waaruit recidive voor een geweldsdelict en meerdere lopende proeftijden zijn gebleken. Daarbij is meermaals de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht aan de orde.

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat ten aanzien van de feiten onder parketnummer 02-173319-24 sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met 3 maanden.

Alles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur 270 dagen met aftrek, waarvan 166 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. Verdachte heeft daarmee het onvoorwaardelijke deel van zijn gevangenisstraf uitgezeten.

Naast de algemene voorwaarden zal de rechtbank daarbij de geadviseerde bijzondere voorwaarden betreffende de meldplicht bij reclassering, ambulante behandeling en beheersing van middelengebruik aan verdachte opleggen. De oplegging van een taakstraf acht de rechtbank gelet op de voornoemde overwegingen niet meer opportuun. De rechtbank zal tot slot overgaan tot de oplegging van een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid (OBM) voor de duur van 2 jaar met een proeftijd van 2 jaar. Verdachte wordt met deze strafoplegging de kans geboden om zijn delictgedrag daadwerkelijk te doorbreken.

7. Het beslag

De teruggave

Ten aanzien van het in beslag genomen voorwerp (weegschaal) wordt een last gegeven tot teruggave aan verdachte.

8. De vorderingen van de benadeelde partijen

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 1.000,00 voor feit 1 inzake 02-173319-24. Het gaat daarbij om immateriële schade.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 650,00, aan immateriële schade. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.

Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot toewijzing van het gevorderde bedrag zouden kunnen leiden niet voldoende vast staan. De benadeelde partij zal voor dat deel niet-ontvankelijk in de vordering worden verklaard.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 26 mei 2024.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 551,00 voor feit 2 inzake 02-173319-24. Het gaat daarbij om immateriële schade.

Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

9. De vorderingen tenuitvoerlegging

TUL 02-173571-24

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter van 3 september 2024 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zal de rechtbank verdachte in de gelegenheid stellen een taakstraf te verrichten in plaats van de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet op de lovs-oriëntatiepunten zet de rechtbank de voorwaardelijke gevangenisstraf omzetten in een taakstraf van 120 uren, subsidiair 1 maand hechtenis.

TUL 96-274047-24

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 week aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter van 13 januari 2025 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zal de rechtbank verdachte in de gelegenheid stellen een taakstraf te verrichten in plaats van de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet op de lovs-oriëntatiepunten zet de rechtbank de voorwaardelijke gevangenisstraf omzetten in een taakstraf van 30 uren, subsidiair 1 week hechtenis.

10. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 27, 36f, 45, 57, 63, 285b en 302, van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179a Wegverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11. Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 02-173319-24, feit 2 ten laste gelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

02-173319-24 feit 1 subsidiair: poging zware mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

02-034898-26: belaging;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

T.a.v. 02-173319-24 feit 1 subsidiair en 02-034898-26

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 270 dagen, waarvan 166 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* Meldplicht bij reclassering; dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Langedijk 34 te Breda. Huisbezoeken zijn onderdeel van de meldplicht;

* Ambulante behandeling; dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door forensische polikliniek Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo snel mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;

* Beheersing middelengebruik; dat verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of drugs. Deze controles bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak wordt gecontroleerd;

Daarbij gelden van rechtswege de voorwaarden:

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

T.a.v. 02-173319-24 feit 1 subsidiair

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 2 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Benadeelde partijen

T.a.v. [slachtoffer 1] , 02-173319-24 feit 1 subsidiair

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 650,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 26 mei 2024 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer 1] , € 650,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 26 mei 2024 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 6 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

T.a.v. [slachtoffer 2] , 02-173319-24 feit 2

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten: een weegschaal (goednummer PL2000-2024130957-2729687);

Vorderingen tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 03 september 2024 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 02-173571-24 ten uitvoer zal worden gelegd;

- gelast dat deze ten uitvoer te leggen gevangenisstraf van 1 maand wordt vervangen door een taakstraf van 120 uren, subsidiair 1 maand hechtenis;

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 13 januari 2025 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 96-274047-24 ten uitvoer zal worden gelegd;

- gelast dat deze ten uitvoer te leggen gevangenisstraf van 1 week wordt vervangen door een taakstraf van 30 uren, subsidiair 1 week hechtenis;

Voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. van Triest, voorzitter,

en mr. R. Combee en mr. M.A.E. Dekker, rechters,

in tegenwoordigheid van J.H. Cornelissen, griffier,

en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 augustus 2026.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

02-173319-24

1

hij op of omstreeks 26 mei 2024 te Tilburg

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer 1] ,

opzettelijk

van het leven te beroven, althans om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen,

met een auto met (hoge) snelheid op die [slachtoffer 1] in te rijden -die op dat moment

met zijn fiets voor die auto stond, waardoor de voorbumper van die auto de

schoenen van die [slachtoffer 1] raakten en/of

tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] met een klap op de motorkap terecht kwam en/of

vervolgens met (hoge) snelheid met die auto verder is gereden, tengevolge waarvan

die [slachtoffer 1] van die auto werd afgeslingerd en/of ten val kwam voor de voorkant

van de auto bovenop zijn fiets en/of

met de auto over de fiets reed, waardoor die [slachtoffer 1] klem zat tussen de auto en

fiets en/of op die manier een of meerdere meters werd meegesleurd over de grond,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2

hij op of omstreeks 26 mei 2024 te Tilburg

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer 2]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

met een auto met (hoge) snelheid op die [slachtoffer 2] is ingereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 mei 2024 te Tilburg

[slachtoffer 2] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door met een auto met (hoge) snelheid op die [slachtoffer 2] is ingereden;

( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

02-034898-26

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 juni 2025 tot en met 23 december 2025 te Tilburg en/of te [plaats] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 3] , door die [slachtoffer 3] veelvuldig, althans meermalen te bellen,

met het oogmerk die [slachtoffer 3] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

( art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht )

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand