ECLI:NL:RBZWB:2026:8244

ECLI:NL:RBZWB:2026:8244

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 27-08-2026
Datum publicatie 27-08-2026
Zaaknummer 02-010608-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Verdachte heeft een hoeveelheid amfetamine en flakka voorhanden gehad. Daarnaast heeft hij zich tweemaal schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen die waren gericht op de productie van flakka. Deze handelingen hebben beide keren plaatsgevonden in een woning, in een woonwijk. De rechtbank legt op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek van de tijd in voorarrest.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-010608-25

Vonnis van de meervoudige kamer van 27 augustus 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd

in de Penitentiaire Inrichting te [locatie] ,

raadsman mr. L.M. van Spanjen, advocaat te 's-Hertogenbosch.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 augustus 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.S. Kikkert en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 10 januari 2025 opzettelijk amfetamine en alfa-PVP (hierna: flakka) voorhanden heeft gehad;

feit 2: zich op 10 januari 2025 schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen ten aanzien van flakka en amfetamine;

feit 3: op 4 maart 2026 een pistool en munitie voorhanden heeft gehad;

feit 4: zich op 4 maart 2026 schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen ten aanzien van flakka.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle ten laste gelegde feiten, met uitzondering van de onder feit 2 ten laste gelegde voorbereidingshandelingen waar het gaat om de amfetamine.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder feit 3 ten laste gelegde. Ten aanzien van de overige feiten kan wel een bewezenverklaring volgen, met dien verstande dat de voorbereidingshandelingen onder feit 2 enkel zien op de flakka en niet op de amfetamine.

Het oordeel van de rechtbank

Aangezien verdachte ten aanzien van de feiten 1, 2 en 4 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank deze feiten wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 13 augustus 2026;

Feit 1:

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 10 januari 2025, opgenomen op pagina 137 van het eindproces-verbaal met nummer PL2000-2025008037;

- het rapport van NFiDENT van 3 februari 2025 met zaaknummer 2025.02.03.099, opgenomen op pagina 167 van het eindproces-verbaal met nummer PL2000-2025008037;

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 10 januari 2025, opgenomen op pagina 142 van het eindproces-verbaal met nummer PL2000-2025008037;

- het proces-verbaal van het Team Landelijke Faciliteit Ontmantelen, opgenomen op pagina 131 e.v. van het eindproces-verbaal met nummer PL2000-2025008037;

- het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 27 maart 2025 met zaaknummer 2025.02.04.088, los opgenomen;

Feit 2:

- het proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, van verbalisant [verbalisant 2] van 10 januari 2025, opgenomen op pagina 37 en 38 van het eindproces-verbaal met nummer PL2000-2025008037;

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] van 10 januari 2025, opgenomen op pagina 121 en 122 van het eindproces-verbaal met nummer PL2000-2025008037;

- het proces-verbaal van het Team Landelijke Faciliteit Ontmantelen, opgenomen op pagina 131 e.v. van het eindproces-verbaal met nummer PL2000-2025008037;

Feit 4:

- het proces-verbaal van het Team Landelijke Faciliteit Ontmantelen, opgenomen op pagina 51 e.v. van het eindproces-verbaal met nummer ZB2R026027 (onderzoek AZAN).

Vrijspraak

Feit 3

Het vuurwapen en de munitie zijn in een zwart tasje op de bestuurdersstoel van een grijze Kia aangetroffen. Deze auto behoorde toe aan [persoon] . Uit het dossier volgt dat verdachte op de dag van aantreffen van het wapen op enig moment (samen met [persoon] ) in die auto heeft gezeten en deze ook wel bestuurd heeft. Voor een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van dat vuurwapen en die munitie is vereist dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van dat vuurwapen en die munitie. Het enkele feit dat verdachte de auto waarin het tasje is aangetroffen, naast een ander ook gebruikt heeft, is naar het oordeel van de rechtbank daarvoor echter onvoldoende. Door het ontbreken van nadere informatie en van forensisch bewijs, zoals DNA-sporen of vingerafdrukken, kan er niet van uitgegaan worden dat verdachte wist van de aanwezigheid van het vuurwapen en de munitie in het tasje. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte vrijgesproken moet worden van dit feit.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1op 10 januari 2025 te Roosendaal opzettelijk aanwezig heeft gehad 32,77 gram van een materiaal bevattende amfetamine en 15,71 gram en ongeveer 200 ml van een materiaal bevattende alfa-PVP (Flakka), zijnde amfetamine en alfa-PVP, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2op 10 januari 2025 te Roosendaal, om een feit, bedoeld in het vierde van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen,

te weten- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken en/of- het opzettelijk vervaardigen

van alfa-PVP

voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waaronder:- flessen en een jerrycan met (vermoedelijk) Ethylacetaat, en - een fles met (vermoedelijk) Hydrobromic acid 48%, en - een fles met (vermoedelijk) waterstofperoxide 35%, en - een fles met (vermoedelijk) ethylene glycol diformate, en - (vermoedelijk) Halffabricaat, en - verschillende (glazen) scheikundige objecten, en - mondmaskers, en - PH-meters, en - een notitieblok met een lijst met productie benodigdheden en hetrecept voor het produceren van synthetische drugs,

waarvan hij, verdachte, wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit;

4op 4 maart 2026 te Oudenbosch, gemeente Halderberge, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, - een glazen rondbodemkolf met (vermoedelijk) Valerofenon en ethylacetaat en - een fles met (vermoedelijk) 2-broom-valerofenon en - een fles met (vermoedelijk) aceton en - een fles met (vermoedelijk) ethanol en - een jerrycan met (vermoedelijk) pyrrolidine en - verschillende (glazen) scheikundige objecten, en - een digitale thermometer en - een metalen statief met roerwerk en - een setje buffervloeistof

voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 25 maanden met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft aangegeven helemaal klaar te zijn met de drugs en voorgoed te willen stoppen. Hij wenst hulp van de reclassering bij het clean blijven na detentie. Hij is gemotiveerd om een ander leven te leiden. Dit blijkt ook uit het gegeven dat hij op eigen initiatief contact met [dagbesteding] heeft opgenomen voor dagbesteding na zijn detentie. Verdachte wenst hulp van de reclassering en wil zich aan alle voorwaarden houden die de rechtbank aan een straf zou verbinden. Het verzoek is om verdachte een kans te geven om zich te bewijzen. Voorgesteld wordt om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden. Deze bijzondere voorwaarden zouden kortgezegd kunnen zijn: meldplicht, verbod op verdovende middelen, alcoholverbod, ambulante en/of klinische behandeling, begeleid wonen en dagbesteding.

Het oordeel van de rechtbank

De aard en ernst van het feit

Verdachte heeft een hoeveelheid amfetamine en flakka voorhanden gehad. Daarnaast heeft hij zich tweemaal schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen die waren gericht op de productie van flakka. Deze handelingen hebben beide keren plaatsgevonden in een woning, in een woonwijk. De tweede keer dat verdachte zich hieraan schuldig maakte, was bovendien tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis van de eerste keer. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan. Het is algemeen bekend dat deze drug een zeer verslavende werking heeft en ernstige gezondheidsrisico’s met zich brengt voor de gebruikers daarvan. Met het verrichten van voorbereidingshandelingen voor de productie daarvan heeft verdachte bijgedragen aan de instandhouding van de illegale drugsproductie en de daarmee samenhangende risico's voor de samenleving en de volksgezondheid. De rechtbank gaat er daarbij wel van uit dat de productie grotendeels bedoeld was voor eigen gebruik door verdachte.

De persoon van verdachte

Bij de straftoemeting betrekt de rechtbank voorts het zeer uitgebreide strafblad van verdachte. Daaruit blijkt dat hij al meermalen met justitie in aanraking is gekomen en dat sprake is van hardnekkige recidive, ook op het gebied van Opiumwetdelicten. Kennelijk hebben eerdere veroordelingen en opgelegde straffen verdachte er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarbij weegt de rechtbank in het bijzonder mee dat verdachte eerder een ISD-maatregel heeft ondergaan. Deze maatregel is niet succesvol geweest en heeft er in ieder geval niet toe geleid dat verdachte zijn crimineel gedrag en middelengebruik heeft beëindigd.

Dit blijkt ook uit het reclasseringsrapport van 27 mei 2026. Uit dit rapport volgt dat bij verdachte sprake is van een hoog risico op recidive. Dit risico hangt onder meer samen met zijn hardnekkige verslavingsproblematiek, zijn pro-criminele houding en de problematiek die voortvloeit uit zijn licht verstandelijke beperking. Daarnaast ontbreken beschermende factoren die het risico op nieuwe strafbare feiten zouden kunnen beperken.

De reclassering ziet geen aanknopingspunten voor een interventie binnen een gedwongen kader. Verdachte blijkt niet of nauwelijks gevoelig voor dergelijke interventies. Daarbij is van belang dat sinds 2008 meer dan twintig behandeltrajecten zijn ingezet, zonder dat deze hebben geleid tot structurele gedragsverandering of duurzame abstinentie van middelen. Ook heeft verdachte een geschiedenis van het niet nakomen van afspraken en voorwaarden. De reclassering ziet geen mogelijkheden om door middel van interventies binnen een gedwongen kader het recidiverisico te beperken of het gedrag van verdachte in positieve zin te veranderen. Gelet op dit alles adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden.

De op te leggen straf

De rechtbank volgt dit advies van de reclassering. Anders dan door de verdediging is bepleit, ziet de rechtbank geen meerwaarde in het opleggen van een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden gericht op behandeling of begeleiding. De ervaringen uit het verleden, waaronder de mislukte ISD-maatregel, de veelheid aan ingezette behandeltrajecten - die niets hebben opgeleverd - en het herhaaldelijk niet nakomen van afspraken en voorwaarden, bieden daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat een gedwongen hulpverleningstraject nu wel tot een beperking van het recidiverisico zal leiden.

Dit betekent dat het nu aan verdachte zelf is om, indien hij daadwerkelijk gemotiveerd is om behandeling en begeleiding te accepteren, hulp daarvoor te zoeken.

De rechtbank houdt er tot slot rekening mee dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek van de tijd in voorarrest passend en geboden. Met de straf wordt enerzijds recht gedaan aan de ernst van de feiten en anderzijds aan het gegeven dat verdachte, ondanks eerdere veroordelingen, een ISD-maatregel en een groot aantal ingezette behandeltrajecten, zijn criminele gedrag en middelenproblematiek niet duurzaam heeft weten te doorbreken. Een straf zonder bijzondere voorwaarden doet naar het oordeel van de rechtbank het meest recht aan de huidige situatie van verdachte en de noodzaak om de maatschappij tegen nieuwe strafbare feiten te beschermen.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

7. Het beslag

De onttrekking aan het verkeer

De inbeslaggenomen voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer. De voorwerpen zijn hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om die voorwerpen te onttrekken aan het verkeer, omdat de bewezenverklaarde feiten 1, 2 en 4 met betrekking tot die voorwerpen zijn begaan.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36b, 36c, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 3 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder C van de Opiumwet;

feiten 2 en 4: Telkens: het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door voorwerpen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart aan het verkeer onttrokken de volgende voorwerpen:

Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Louwerse, voorzitter,

en mr. M.H.M. Collombon en mr. S.C.S. van Bree, rechters,

in tegenwoordigheid van M.R. Tafazzul, griffier,

en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 augustus 2026.

De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

1hij op of omstreeks 10 januari 2025 te Roosendaal, althans in Nederlandopzettelijkaanwezig heeft gehadongeveer 32,77 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaalbevattende amfetamine en/ofongeveer 15,71 gram en/of 200 ml, in elk geval een hoeveelheid vaneen materiaal bevattende alfa-PVP (Flakka),zijnde amfetamine en/of alfa-PVP(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan welaangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet )

2hij op of omstreeks 10 januari 2025 te Roosendaal, althans in Nederland,om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,voor te bereiden en/of te bevorderen,

te weten- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken en/of- het opzettelijk vervaardigen

van alfa-PVP en/of amfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij deOpiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid vande Opiumwet

voorwerpen en/of stoffen voorhanden heeft gehad, waaronder:- flessen en/of een jerrycan met (vermoedelijk) Ethylacetaat, en/of- een fles met (vermoedelijk)Hydrobromic acid 48%, en/of- een fles met (vermoedelijk) waterstofperioxide 35%, en/of- een fles met (vermoedelijk) ethylene glycol diformatie, en/of- een jerrycan met (vermoedelijk) Ethylacetaat, en/of- (vermoedelijk) Halffabricaat, en/of- verschillende (glazen) scheikundige objecten, en/of- mondmaskers, en/of- PH-meters, en/of- een notitieblok met een lijst met mogeijk productie benodigdheden en/of hetrecept voor het produceren van synthetische drugs

waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit;

( art 10a lid 1 ahf/sub 1 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 2 Opiumwet, art 10a lid 1ahf/sub 3 Opiumwet )

3hij, op of omstreeks 4 maart 2026 te Oudenbosch, gemeente Halderberge,- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, teweten een pistool, van het merk RMS Defense, typeRNS 2, kaliber 9 mm Lugerzijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver en/of pistool, en/of- munitie van de categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een ofmeerdere kogelpatronen van het merk S&B (Sellier & Bellot), kaliber 9 mm Lugervoorhanden heeft gehad;

( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )

4hij op of omstreeks 4 maart 2026 te Oudenbosch, gemeente Halderberge, althans inNederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van deOpiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten- een glazen rondbodemkolf met (vermoedelijk) Valerofenon en thylacetaat en/of- een fles met (vermoedelijk) 2-broom-valerofenon en/of- een fles met (vermoedelijk) aceton en/of- een fles met (vermoedelijk) ethanol en/of- een jerrycan met (vermoedelijk) pyrrolidine en/of- verschillende (glazen) scheikundige objecten, en/of- een digitale thermometer en/of- een metalen statief met roerwerk en/of- een setje buffervloeistofwaarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zijbestemd waren tot het plegen van dat feit;

( art 10a lid 1 ahf/sub 1 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 2 Opiumwet, art 10a lid 1ahf/sub 3 Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand