beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/450986 / JE RK 26-1392
datum uitspraak: 27 augustus 2026
beschikking van de kinderrechter over een verzoek tot ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen de moeder,
advocaat mr. N. Limbourg.
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI).
1. Het procesverloop
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het op 30 juli 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen 1 en 2 van de Raad;
- de brief van mr. Limbourg van 14 augustus 2026 met producties 1 tot en met 5 en de brief van 17 augustus 2026 met productie 6.
Het verzoek is besproken op de zitting van 20 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
[minderjarige] is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld om haar mening over het verzoek te geven. Zij heeft via de advocaat van de moeder een korte schriftelijke verklaring aan de kinderrechter toegezonden.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij haar moeder.
De biologische vader van [minderjarige] is niet in beeld.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht van de GI te stellen voor de duur van een jaar en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
Ter onderbouwing van zijn verzoek voert de Raad aan dat sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] . Zij gaat al ruim anderhalf jaar niet structureel naar school, waardoor de leerplichtambtenaar betrokken is geraakt. Het lukt de betrokken hulpverlening tot op heden niet om samen met de moeder een passende onderwijsvorm voor [minderjarige] te vinden. Ook laat [minderjarige] vermoeidheids- en spanningsklachten zien. Het is belangrijk dat er een (breed) psychologisch onderzoek wordt afgenomen bij [minderjarige] , zodat haar capaciteiten duidelijk in beeld kunnen worden gebracht en er moet meer zicht komen op de thuissituatie. Er wordt een erg betrokken moeder gezien, maar in de samenwerking met de betrokken hulpverlening loopt het vast. De moeder heeft een sterke visie over wat goed en nodig is voor [minderjarige] , maar geeft tegelijkertijd weinig feitelijke informatie/openheid. De samenwerking wordt ook bemoeilijkt, omdat de moeder zich onvoldoende geïnformeerd lijkt te voelen door de betrokkenen, waardoor er sprake is van wantrouwen. De Raad gunt het [minderjarige] om zich te ontwikkelen en te groeien in (zelf)vertrouwen en daarvoor is het nodig dat de regie wordt genomen door een neutrale derde. Op die manier kunnen duidelijke kaders worden uitgezet en kan er worden ingezet op de noodzakelijke diagnostiek en behandeling. Een termijn van een jaar is hierin passend, omdat het tijd zal kosten de benodigde stappen te zetten en een vertrouwensrelatie op te bouwen met de moeder.
De moeder voert verweer tegen het verzoek. Zij is altijd bereid geweest om mee te werken aan het laten uitvoeren van bepaalde onderzoeken bij [minderjarige] , maar volgens haar is [minderjarige] al op alle vlakken onderzocht. Hierdoor is voor de moeder niet duidelijk wat er nog van haar wordt verlangd. In de afgelopen periode heeft de moeder ervaren dat de betrokken hulpverlening zelf niet op één lijn zit over de vraag wat [minderjarige] nodig heeft. De moeder kent [minderjarige] door en door en zij weet wat [minderjarige] aankan en nodig heeft. Er wordt gesteld dat sprake is van een ontwikkelingsbedreiging, maar de moeder heeft hierop een andere visie. [minderjarige] gaat niet naar het reguliere onderwijs, maar zij ontvangt thuisonderwijs. Daarnaast zit [minderjarige] op turnen, zwemmen en scouting, waardoor zij op die manier haar sociale contacten heeft.
De GI heeft op de zitting aangegeven dat zij achter het verzoek van de Raad staat. Het is ook mogelijk om de ondertoezichtstelling uit te voeren, maar er is een wachtlijst. Het is niet mogelijk om een tijdsbestek aan te geven waarbinnen deze zaak kan worden opgepakt, maar binnen vijf dagen na het uitspreken van de ondertoezichtstelling zal door de monitoringsmedewerker contact met de moeder worden opgenomen.
5. De beoordeling
Op grond van artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd, omdat er zorgen zijn over haar emotionele en sociale ontwikkeling. [minderjarige] gaat al jaren niet, dan wel nauwelijks naar school, waardoor zij onvoldoende toekomt aan de ontwikkelingstaken die passen bij haar leeftijd, bijvoorbeeld het aangaan en aanhouden van sociale contacten en haar verdere identiteitsontwikkeling. Ook zijn er zorgen over de relatie tussen [minderjarige] en haar moeder en de afhankelijkheid van elkaar. De moeder geeft aan dat er al veel onderzoeken bij [minderjarige] zijn afgenomen en dat voor haar duidelijk is wat [minderjarige] nodig heeft. Echter, de kinderrechter constateert dat de moeder slechts zeer beperkt inzage geeft in deze onderzoeken. Ook in deze procedure heeft zij ervoor gekozen om enkel een paar pagina’s van bepaalde verouderde onderzoeken in te dienen. Dit maakt dat het voor de betrokkenen en de kinderrechter niet mogelijk is om een objectief beeld te vormen over wat [minderjarige] nodig heeft. Doordat de moeder blijft vasthouden aan haar eigen visie en onvoldoende openheid geeft, lukt het niet om de voor [minderjarige] noodzakelijke stappen te zetten. Dit maakt naar het oordeel van de kinderrechter dat het van groot belang is om een jeugdbeschermer als regievoerder bij het gezin te betrekken, omdat het noodzakelijk is beter zicht te krijgen op [minderjarige] en de hulp die zij nodig heeft. Het is in het belang van [minderjarige] om voor haar passend onderwijs te vinden, omdat onderwijs heel belangrijk is voor haar algemene ontwikkeling.
Binnen de ondertoezichtstelling moet dan ook in ieder geval gewerkt worden aan het volgende doel:
- [minderjarige] volgt structureel en passend onderwijs, passend bij haar (on)mogelijkheden.
Bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling moet de jeugdbeschermer ook aandacht hebben voor het wantrouwen van de moeder richting onder andere de hulpverlening, zodat tot een constructieve samenwerking kan worden gekomen.
De kinderrechter ziet in de gegeven omstandigheden aanleiding om de ondertoezichtstelling uit te spreken voor de duur van zes maanden en het resterende deel van het verzoek aan te houden, teneinde een vinger aan de pols te houden. De kinderrechter verzoekt de GI om uiterlijk op de hierna in het dictum genoemde PRO FORMA datum schriftelijk verslag uit te brengen over de actuele stand van zaken, de voortgang van de hulpverlening en wat een en ander betekent voor de bestaande zorgen. Aan de Raad wordt verzocht om binnen zeven dagen na ontvangst van het verslag van de GI mede te delen of het resterende verzoek al dan niet gehandhaafd wordt. In geval het resterende verzoek gehandhaafd wordt, zal voor de afloopdatum van de maatregel opnieuw een zitting gepland worden om het resterende verzoek te bespreken.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen kan worden uitgevoerd.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg , met ingang van 27 augustus 2026 tot 27 februari 2027;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt het resterende deel van het verzoek van de Raad aan tot 21 januari 2027 PRO FORMA, in afwachting van het verslag van de GI en het bericht van de Raad, een en ander zoals in rechtsoverweging 5.3. is overwogen;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Pellikaan, kinderrechter, en, in aanwezigheid van mr. Hurkmans als griffier, in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.