ECLI:NL:RBZWB:2026:8290

ECLI:NL:RBZWB:2026:8290

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 19-08-2026
Datum publicatie 28-08-2026
Zaaknummer 02-043439-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Veroordeling voor verlengde uitvoer van 1.900 gram heroïne tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden. Beslag verbeurd verklaard.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-043439-26

Vonnis van de meervoudige kamer van 19 augustus 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1994,

ingeschreven op het [adres] ,

raadsvrouw mr. R.J. Jager, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 5 augustus 2026, waarbij de officier van justitie mr. S.A.A.P. van Hees en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de uitvoer van ongeveer 1900 gram heroïne, dan wel dat hij die heroïne heeft vervoerd.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte het feit heeft bekend en geen verweer wordt gevoerd ten aanzien van de bewezenverklaring.

Het oordeel van de rechtbank

Aangezien verdachte ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 5 augustus 2026;

- de kennisgevingen van inbeslagneming op pagina 13 en 17 van het einddossier;

- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen op pagina 72 van het einddossier.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

primair op 15 april 2025 te Hazeldonk-West te Breda, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1900 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, dan wel een zo kort mogelijke onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De raadsvrouw heeft daarbij gewezen op uitspraken in vergelijkbare zaken.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de verlengde uitvoer van 1900 gram heroïne. Heroïne is een harddrug waarvan het gebruik ernstige risico's voor de volksgezondheid met zich meebrengt. De handel in en uitvoer van dergelijke verdovende middelen vormt een ernstige aantasting van de rechtsorde en gaat vaak gepaard met andere vormen van criminaliteit. Door zijn handelen heeft verdachte een bijdrage geleverd aan het in stand houden van deze (internationale) drugshandel. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Voor de uitvoer van 1500 gram tot 2000 gram heroïne geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 tot 24 maanden.

De rechtbank heeft bij haar oordeel ook het rapport van de reclassering van 16 juli 2026 betrokken.

Volgens de reclassering kan, gelet op het strafblad van verdachte, niet worden gesproken van een delictpatroon ten aanzien van drugsdelicten. Er was bij verdachte sprake van een financieel motief, voortkomend uit opportunisme in combinatie met de aanwezige (stressvolle) financiële situatie. Verdachte heeft onderhavig feit als tijdelijke oplossing gezien voor zijn financiële problemen. Dit geeft blijk van ontoereikende probleemoplossende vaardigheden. De reclassering acht dit de voornaamste delictgerelateerde risicofactoren. Daarbij ziet de reclassering ook risicovolle signalen in het psychosociaal functioneren van verdachte, met name de impulsiviteit in combinatie met aanwijzingen voor een (toenmalig) deels negatief sociaal netwerk.De reclassering verwacht dat de risico's onveranderd blijven wanneer er geen inzet wordt gepleegd op het gebied van zijn financiën en psychosociaal functioneren.

Het feit dat verdachte stabiliteit lijkt te ervaren op een aantal facetten in zijn leven, draagt mogelijk bij aan de haalbaarheid van het plan van de reclassering. Zo is er sprake van huisvesting, dagbesteding en een enigszins steunend familiair netwerk. Voornoemde factoren kunnen als positief gezien worden.

Volgens de reclassering is het risico op recidive aanwezig en wordt het risico op onttrekken aan voorwaarden als laag ingeschat.

De reclassering heeft in het rapport geadviseerd om bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf aan verdachte op te leggen met daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, het volgen van een ambulante behandeling gericht op onder meer impulsiviteit en het vergroten van probleemoplossende vaardigheden en het geven van inzicht in financiën en schulden.

De rechtbank heeft oog voor de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze volgen uit het reclasseringsrapport en ter zitting naar voren zijn gebracht. Ook heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, in deze zaak slechts twee dagen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en daarna gedurende langere tijd in vrijheid is geweest. Deze omstandigheden wegen echter, naar het oordeel van de rechtbank, niet op tegen de ernst van het door verdachte gepleegde feit. Gelet op de aard en ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf met een onvoorwaardelijk deel onvermijdelijk is. Daarbij acht de rechtbank het belang van de generale preventie zwaarwegend. Op de uitvoer van harddrugs dient zichtbaar en consequent te worden gereageerd met een vrijheidsbenemende straf om duidelijk te maken dat dergelijke feiten onaanvaardbaar zijn en om anderen ervan te weerhouden zich aan soortgelijke strafbare feiten schuldig te maken.

De rechtbank ziet wel aanleiding om een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Daarmee wordt enerzijds recht gedaan aan de ernst van het feit en het belang van de generale preventie, terwijl anderzijds ruimte wordt geboden voor begeleiding en het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering. De rechtbank acht deze voorwaarden passend en noodzakelijk om het recidiverisico te beperken.

Gelet op het bovenstaande legt de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf op van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd.

7. Het beslag

De verbeurdverklaring

De in beslag genomen voorwerpen worden verbeurd verklaard. De voorwerpen zijn hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om naast de hoofdstraf verbeurdverklaring op te leggen, omdat de voorwerpen aan verdachte toebehoren en het bewezen feit met behulp van deze voorwerpen is begaan.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod,

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;* dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo spoedig mogelijk na in het ingaan van de proeftijd. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, omgaan met stress (in combinatie met schuldenproblematiek) en het vergroten van probleemoplossende vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;* verdachte geeft inzicht in zijn financiën en schulden. Indien schuldhulpverlening geïndiceerd is dan werkt verdachte mee aan het treffen van afbetalingsregelingen.

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Beslag

- verklaart verbeurd de volgende voorwerpen: iPhone en Citroën DS3.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Kralingen, voorzitter, en mr. L.W. Louwerse en mr. C.M.B. Gijselman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.J.M. van de Vrede, griffier,

en is uitgesproken ter openbare zitting op 19 augustus 2026.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

primair hij op of omstreeks 15 april 2025 te Hazeldonk-West te Breda, althans in Nederland,opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1900 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet

subsidiair hij op of omstreeks 15 april 2025 te Hazeldonk-West te Breda, althans in Nederland,opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 1900 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. C.J.M. van de Vrede

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand