Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-305947-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 1 september 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] , op [geboortedag] 1952,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
raadsvrouw mr. E.H.E.A. van Gestel, advocaat te Roermond.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 augustus 2026, waarbij de officier van justitie mr. S.A.A.P. van Hees en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
1. een verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen dan wel dat hij gevaar op de weg heeft veroorzaakt;
2. een voertuig heeft bestuurd terwijl hij onder invloed van drugs was.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals onder feit 1 primair ten laste is gelegd, en aan feit 2. De mate van schuld is volgens de officier van justitie zeer onvoorzichtig/onoplettend.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. Er dient vrijspraak te volgen. De verdediging refereert zich voor wat betreft de bewezenverklaring van feit 2.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feiten en omstandigheden
Op grond van de inhoud van het dossier en de behandeling ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 19 september 2025, om 11.22 uur, reed verdachte als bestuurder van zijn personenauto over de Reitse Hoevenstraat komende uit de richting van de Wandelboslaan, gaande in de richting van de Lage Witsiebaan. [slachtoffer], op dat moment aan het werk als politieagent, reed op een politiemotor op het, gezien vanuit de rijrichting van verdachte, rechts naast de rijbaan van de Reitse Hoevenstraat gelegen fietspad in dezelfde richting als verdachte. Ter hoogte van de ingang van het winkelcentrum de Rooi Pannen is verdachte rechtsaf geslagen en is daarbij in botsing gekomen met [slachtoffer]. [slachtoffer] kwam ten val en bleek zijn arm te hebben gebroken op twee plaatsen, waarvoor een operatie nodig was om deze breuken te kunnen laten herstellen. Uit bloedonderzoek bleek dat verdachte een combinatie van harddrugs had gebruikt.
Verdachte heeft ter zitting aangegeven de avond voorafgaande aan de dag van het ongeval drugs te hebben gebruikt. Hij heeft verklaard dat niet alleen hij, maar ook de bijzitter, [slachtoffer] helemaal niet had gezien.
Schuld in de zin van het primair ten laste gelegde artikel 6 WVW 1994
Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van overtreding van artikel 6 WVW 1994 is onder meer vereist dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte te wijten is. Om tot dat oordeel te komen moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid, onoplettendheid en/of onachtzaamheid van verdachte. Voor schuld is meer nodig dan het veronachtzamen van de voorzichtigheid en de oplettendheid die van een normaal oplettende bestuurder mag worden verwacht. Verder kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Bij de bepaling van de mate van schuld komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte bij het rechtsaf slaan voorrang had moeten verlenen aan het recht doorgaand verkeer, in dit geval aan [slachtoffer]. Verdachte heeft weliswaar verklaard te hebben gekeken, maar hij heeft dat in ieder geval niet voldoende gedaan, want hij heeft [slachtoffer] niet gezien. Hij had zich ervan moeten vergewissen dat de weg vrij was voordat hij met zijn auto rechtsaf sloeg.
Verdachte had een aanzienlijke hoeveelheid harddrugs (zowel amfetamine en methamfetamine) in zijn bloed, namelijk een waarde van 299 microgram per liter, waar de grenswaarde bij deze combinatie 50 microgram per liter bedraagt. Het is een feit van algemene bekendheid dat drugs het beoordelingsvermogen beïnvloedt en ervoor zorgt dat mensen meer risico’s nemen dan redelijkerwijs verantwoord is.
Gelet op voorgaande omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet de bijzondere zorgplicht in acht heeft genomen die van een verkeersdeelnemer in deze situatie mag worden verwacht. Zijn handelen was zeer gevaarzettend. Dit gevaar heeft zich vervolgens verwezenlijkt. Het geheel aan gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de omstandigheden waaronder die gedragingen hebben plaatsgevonden overziende, acht de rechtbank bewezen dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW, zoals primair is tenlastegelegd. Op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen merkt de rechtbank het rijgedrag van verdachte aan als zeer onvoorzichtig en onoplettend.
Zwaar lichamelijk letsel?
De rechtbank stelt aan de hand van de aangifte en de medische stukken in het dossier vast dat er bij [slachtoffer] sprake was van twee breuken in de arm. Er was uiteindelijk twee maanden na de aanrijding alsnog operatief ingrijpen nodig om de arm te kunnen laten herstellen. Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het letsel van [slachtoffer] als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt.
Rijden onder invloed drugs
De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op de bekennende verklaring van verdachte ter zitting, het proces-verbaal rijden onder invloed en het resultaat van het bloedonderzoek.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
1. primair:
op 19 september 2025 te Tilburg als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Reitse Hoevenstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend, terwijl hij verkeerde onder invloed van drugs,
- rijdend over de Reitse Hoevenstraat niet de nodige voorzichtigheid in acht te nemen en onvoldoende aandacht te hebben voor het verkeer en de verkeerssituatie ter plaatse en
- zijn motorrijtuig naar rechts te sturen en daarbij geen voorrang te verlenen aan een naast hem parallel op het fietspad rijdende medeweggebruiker, te weten een in uniform geklede en op een motorfiets rijdende politieagent ([slachtoffer]), waardoor het motorrijtuig van verdachte in botsing/aanrijding is gekomen met die motorfiets en waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten een gebroken rechter bovenarm en breuk in elleboog rechts, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994;
2.
op 19 september 2025 in de gemeente Tilburg , een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd, na gebruik van een of meer in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten methamfetamine en amfetamine, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen 299 microgram per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan het totale gehalte van de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stoffen vermelde grenswaarde.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden en een onvoorwaardelijke rijontzegging van twee jaar.
Het standpunt van de verdediging
Bij een bewezenverklaring van feit 2 dient te worden volstaan met een onvoorwaardelijke rijontzegging van 181 dagen met aftrek en een geldboete. Bij een bewezenverklaring van feit 1 in de subsidiaire variant en feit 2 kan worden volstaan met een rijontzegging en geldboete. Indien feit 1 in de primaire variant en feit 2 bewezen worden, is een taakstraf passend in combinatie met een geheel voorwaardelijke rijontzegging.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft door zijn rijgedrag een ernstig verkeersongeval veroorzaakt. Verdachte heeft [slachtoffer], die als politieagent op zijn motor reed, geen voorrang verleend bij het rechtsaf slaan waardoor [slachtoffer] tegen zijn auto aankwam en ten val kwam. Daarbij had verdachte harddrugs gebruikt en had hij een waarde van 299 microgram per liter bloed aan amfetamineachtige stoffen in zijn bloed waar de toegestane grenswaarde voor combinatiegebruik 50 betrof. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] niet heeft gezien. De rechtbank acht dat op zijn minst opmerkelijk, nu [slachtoffer] duidelijk zichtbare, felgekleurde politiekleding droeg en op een eveneens felgekleurde politiemotor reed.
Als gevolg van deze aanrijding heeft [slachtoffer] zijn arm op twee plaatsen gebroken en heeft hij lang moeten herstellen. Ter zitting heeft [slachtoffer] indringend gesproken over de gevolgen die de aanrijding heeft gehad voor hem en zijn jonge gezin. Als gevolg van de breuken in zijn rechterarm kon hij zijn hoogzwangere vrouw destijds niet helpen bij de zorg van de kinderen en kon hij later na de bevalling niet voor de baby zorgen. Toen [slachtoffer] twee maanden na de aanrijding alsnog een operatie moest ondergaan waarbij een titanium pin in zijn arm is gezet, begon het herstel- en revalidatieproces opnieuw. Dit alles heeft fysiek en mentaal grote impact gehad op [slachtoffer].
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, zoals hierboven is beschreven, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft geen documentatie en is inmiddels 73 jaar oud. De rechtbank acht het drugsgebruik van verdachte zorgelijk. Temeer, nu ter zitting is gebleken dat verdachte na dit ongeval wederom onder invloed van harddrugs zou hebben gereden. De rechtbank heeft verdachte hierover bevraagd en verdachte heeft verklaard dat hij op 31 mei 2026 inderdaad is aangehouden in het verkeer en wederom onder invloed van harddrugs in zijn auto was gestapt. Verdachte was toen zwaar depressief en in die gemoedstoestand had hij weer naar drugs gegrepen. De rechtbank vindt het zeer onverantwoordelijk en onbegrijpelijk dat dit wederom gebeurd is.
De rechtbank houdt bij de strafoplegging tevens rekening met de oriëntatiepunten voor straftoemeting en de afspraken van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).
Bij van een veroordeling voor overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet, waarbij iemand zwaar lichamelijk letsel is toegebracht, de verdachte heeft gereden met een alcoholpercentage in de hoogste categorie en er sprake is van ernstige schuld wordt normaliter een gevangenisstraf van 7 maanden en een onvoorwaardelijke rijontzegging van drie jaar opgelegd.
Gelet op de leeftijd van verdachte en zijn blanco strafblad, maar ook gelet op de zorgen omtrent zijn drugsgebruik, zal de rechtbank van deze oriëntatiepunten afwijken en verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Zij kiest voor de strafmodaliteit van een voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank acht het namelijk van groot belang dat verdachte een flinke stok achter de deur heeft, zodat hij niet weer onder invloed achter het stuur gaat zitten. Naast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaar, legt de rechtbank aan verdachte op de maximale taakstraf van 240 uren, bij niet uitvoeren te vervangen door 120 dagen hechtenis. Tot slot acht de rechtbank een onvoorwaardelijke rijontzegging voor de duur van twee (2) jaar passend.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1 primair: Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht;
feit 2: Overtreding van artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994;
- verklaart verdachte strafbaar;
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van drie (3) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;
Bijkomende straffen
- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van twee (2) jaren.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Wijffels, voorzitter, en mr. L.W. Louwerse en mr. J.P.E. Mullers, rechters, in tegenwoordigheid van G.T.A. Knoop, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 1 september 2026.
Mr. Mullers en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1hij op of omstreeks 19 september 2025 te Tilburg als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Reitse Hoevenstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, terwijl hij verkeerde onder invloed van drugs, althans na het gebruik van een niet onaanzienlijke hoeveelheid drugs (amfetamine en/of methamfetamine)- rijdend over de Reitse Hoevenstraat niet de nodige voorzichtigheid in acht te nemen en/of onvoldoende aandacht te hebben voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of- zijn motorrijtuig naar rechts te sturen en/of te rijden en/of (daarbij) geen voorrang te verlenen aan een naast hem parallel op het fietspad rijdende medeweggebruiker, te weten een in uniform geklede en op een motorfiets rijdende politieagent ([slachtoffer]), waardoor het motorrijtuig van verdachte in botsing/aanrijding is gekomen met die motorfiets en waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weteneen gebroken rechter bovenarm en/of breuk in elleboog rechts, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet;( art 6 Wegenverkeerswet 1994 )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 19 september 2025 te Tilburg , als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto), daarmee rijdende op de weg, te weten de Reitse Hoevenstraat, terwijl hij verkeerde onder invloed van drugs, althans na het gebruik van een niet onaanzienlijke hoeveelheid drugs (amfetamine en/of methamfetamine)- rijdend over de Reitse Hoevenstraat niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en/of onvoldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of- zijn motorrijtuig naar rechts heeft gestuurd en/of gereden en/of (daarbij) geen voorrang heeft verleend aan een naast hem parallel op het fietspad rijdende medeweggebruiker, te weten een in uniform geklede en op een motorfiets rijdende politieagent ([slachtoffer]), waardoor het motorrijtuig van verdachte in botsing/aanrijding is gekomen met die motorfiets, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;( art 5 Wegenverkeerswet 1994 )
2hij op of omstreeks 19 september 2025 in de gemeente Tilburg , een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van een of meer in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten methamfetamine en/of amfetamine, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen 299 microgram per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan het totale gehalte van de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stoffen vermelde grenswaarde;( art 8 lid 5 Wegenverkeerswet 1994 )