RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
7 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser
Samenvatting
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/299
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de subsidieaanvraag van eiser op grond van de “Subsidieregeling isolatie 2025-2027” (hierna: de Subsidieregeling). Eiser is het niet eens met de afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
Procesverloop
1. Eiser heeft een aanvraag om een subsidie op grond van de Subsidieregeling ingediend. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 20 juni 2025 afgewezen.
Met het bestreden besluit van 25 november 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 7 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Uit artikel 2, onder I, in samenhang met artikel 6 en 7.2 van de Subsidieregeling, volgt dat subsidie slechts wordt verstrekt indien de energiebesparende maatregelen worden uitgevoerd door een erkende uitvoerende partij én de subsidie voorafgaand aan de uitvoering van die maatregelen wordt aangevraagd. Deze voorwaarden strekken ertoe de kwaliteit en controleerbaarheid van de werkzaamheden en het behalen van de beoogde energiebesparing en CO2-reductie te waarborgen.
Vaststaat dat eiser de isolatiewerkzaamheden zelf heeft uitgevoerd en daarmee geen gebruik heeft gemaakt van een erkende uitvoerende partij. Daarnaast staat vast dat eiser de werkzaamheden reeds had uitgevoerd vóórdat hij de subsidieaanvraag indiende. Eiser voldoet daarmee niet aan de voorwaarden van de Subsidieregeling. Dat de oude subsidieregeling ten tijde van de aanvraag buiten werking was en de aanvraag daarom aan de nieuwe regeling is getoetst, maakt dat niet anders. Op de website van de gemeente was uitdrukkelijk vermeld dat de voorwaarden van de nieuwe regeling nader bekend zouden worden gemaakt. Hieraan kon eiser dan ook niet de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat de nieuwe regeling hem zonder meer recht op subsidie zou geven. Het college heeft de subsidieaanvraag daarom terecht afgewezen.
De rechtbank ziet geen grond voor toepassing van de hardheidsclausule zoals opgenomen in artikel 12 van de Subsidieregeling. Eiser heeft ondanks dat hij geen subsidie kreeg, de isolatiemaatregelen aan zijn woning kunnen uitvoeren. Dat betekent dat eiser de subsidie niet nodig heeft gehad. Daarbij acht de rechtbank tevens van belang dat de Subsidieregeling met name is bedoeld om mensen die nog geen energiebesparende maatregelen aan hun woning hebben getroffen een zetje in de rug te geven om zulke maatregelen te nemen. Niet is gebleken dat de weigering van de subsidie tot onevenredige gevolgen leidt of leidde voor eiser. Mede gelet hierop heeft het college naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid kunnen concluderen dat eiser geen beroep op de hardheidsclausule toekomt.
Conclusie en gevolgen
3. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep van eiser ongegrond. Eiser heeft geen recht op vergoeding van het griffierecht. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omgeschreven wijze.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2026 door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Faqiri, griffier, en wordt geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.