Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-248564-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 4 september 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
raadsvrouw mr. J.J.J. Jansen, advocaat te Kapelle.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 augustus 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.C. Fimerius en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
1) in de periode van 15 september 2011 tot en met 14 september 2014 [aangeefster] , die toen jonger dan 12 jaar was, heeft verkracht;
2) in de periode van 15 september 2011 tot en met 14 september 2014 [aangeefster] , die toen jonger dan 12 jaar was, heeft aangerand.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Voor zover nodig gaat de rechtbank daar bij de bijzondere overwegingen nader op in.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van beide feiten. Voor zover nodig gaat de rechtbank daar bij de bijzondere overwegingen nader op in.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Inleiding
Aangeefster heeft aangifte gedaan van seksueel misbruik door verdachte, de vader van haar achternichtje [persoon] , in de periode dat zij acht tot tien jaar oud was. Zij logeerde in die tijd regelmatig bij hem en [persoon] in hun woning in [plaats] . Er zouden op meerdere momenten seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Aangeefster kan zich drie momenten duidelijk herinneren. De officier van justitie heeft ter zitting toegelicht dat de tenlastelegging ziet op die drie momenten. Verdachte heeft de seksuele handelingen deels bekend en deels ontkend.
Bewijsminimum
In zedenzaken zijn doorgaans slechts twee personen aanwezig bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de verdachte. Indien de verdachte ontkent, moet de rechtbank beoordelen of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is voldaan. Dat bewijsminimum houdt in dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Er moet sprake zijn van steunbewijs, dat afkomstig is van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Uit rechtspraak van de Hoge Raad kan onder meer worden afgeleid dat voor een bewezenverklaring van verkrachting niet is vereist dat de verkrachting als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het voldoende is dat de verklaring van degene die de belastende verklaring heeft afgelegd (in dit geval aangeefster) op bepaalde punten bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, afkomstig van een andere bron dan de aangeefster. Tussen de verklaring van de aangeefster en dat overige bewijsmateriaal mag niet een te ver verwijderd verband bestaan.
Verklaring aangeefster
Uit de verklaring van aangeefster volgt dat verdachte op drie verschillende momenten seksuele handelingen bij haar heeft verricht. Zij weet niet meer in welke volgorde. Het eerste moment was in de slaapkamer van verdachte. [persoon] was daar ook bij. Aangeefster en verdachte lagen naakt in bed in standje 69. Aangeefster lag boven op verdachte. Zij pijpte verdachte en verdachte befte haar. Het tweede moment was in de woonkamer op de bank. [persoon] was daar ook bij. Verdachte zat op de bank met zijn broek uit en aangeefster zat op de grond. Aangeefster heeft verdachte toen ook gepijpt en slagroom van zijn penis afgelikt. Het derde moment was in de badkamer. Verdachte en aangeefster hadden geen kleding aan. Verdachte heeft toen geprobeerd zijn penis in haar vagina te stoppen, maar dat is niet gelukt. Ze voelde zijn penis tegen haar vagina. Verdachte zei dat het niet ging.
Steunbewijs
De verklaring van aangeefster wordt ondersteund door de verklaring van verdachte zelf. Hij heeft bekend dat de seksuele handelingen die aangeefster beschrijft als het eerste en tweede moment hebben plaatsgevonden. Over het derde moment zegt hij dat hij zeker weet dat dat niet is gebeurd.
De verklaring van aangeefster wordt ook ondersteund door de verklaring van [persoon] . Zij heeft verklaard dat zij zich een moment herinnert waarop verdachte op de bank zat. Aangeefster zat bij hem op schoot en ging met haar vagina langs zijn penis. Daarbij waren ze allebei naakt. Ook herinnert zij zich een moment in de slaapkamer van verdachte. Hij lag op zijn rug op het bed en aangeefster ging op haar hurken op zijn gezicht zitten zodat hij haar oraal kon bevredigen. Op het bed waren verdachte en aangeefster helemaal naakt en hebben zij ook met elkaar gezoend. Zij herinnert zich verder een moment waarop aangeefster verdachte beneden in de woning oraal heeft bevredigd. Zij herinnert zich dat er in een situatie slagroom is gebruikt. Verdachte heeft toen slagroom bij zijn geslachtsdeel gespoten en aangeefster heeft dit daarvan afgelikt. Dat was op de bank.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring van [persoon] steun biedt voor de verklaring van aangeefster in het geheel, dus ook voor het deel van haar verklaring dat gaat over moment drie. Wat verdachte en [persoon] over moment één en twee hebben verklaard, staat naar het oordeel van de rechtbank niet in een te ver verwijderd verband tot de verklaring van aangeefster over moment drie, nu het ook gaat om vergaande seksuele handelingen. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de verklaring van aangeefster.
Dit betekent dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte de onder feit 1 en 2 ten laste gelegde handelingen heeft verricht en zich dus schuldig heeft gemaakt aan verkrachting van aangeefster en het plegen van ontuchtige handelingen met haar, terwijl zij aan zijn zorg en waakzaamheid was toevertrouwd.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
meermalen in de periode van 15 september 2011 tot en met 14 september 2014 te [plaats] , met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [aangeefster] , geboren op [geboortedatum] 2003, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, telkens handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster] , hebbende verdachte zijn penis in de mond en tussen de schaamlippen van die [aangeefster] gebracht en zijn tong tussen de schaamlippen van die [aangeefster] heeft gebracht;
2
meermalen in de periode van 15 september 2011 tot en met 14 september 2014 te [plaats] , met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [aangeefster] , geboren op [geboortedatum] 2003, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het likken van de vagina van die [aangeefster] en het laten likken van zijn, verdachtes, penis door die [aangeefster] en zoenen en het met de penis langs de vagina van die [aangeefster] wrijven.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek van voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit in het geval van een veroordeling een voorwaardelijke gevangenisstraf met de in het reclasseringsadvies genoemde bijzondere voorwaarden.
Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op drie verschillende momenten schuldig gemaakt aan verkrachting van aangeefster en het plegen van ontuchtige handelingen met haar toen zij slechts 8 tot 10 jaar oud was. Aangeefster logeerde op die momenten bij verdachte, waardoor zij op die momenten aan zijn zorg was toevertrouwd. Bij twee van de drie momenten was ook de dochter van verdachte aanwezig, waardoor zij getuige is geweest van de feiten. Dit zijn zeer ernstige feiten. Door zijn handelen heeft verdachte de lichamelijke en geestelijke integriteit van aangeefster in zeer ernstige mate geschonden en haar normale en gezonde seksuele ontwikkeling doorkruist. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van dergelijke delicten later ernstige nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Uit de stukken bij de vordering tot schadevergoeding en het ter zitting uitgeoefende spreekrecht blijkt dat dit ook bij aangeefster het geval is. De feiten hebben een zeer negatieve invloed gehad op haar zelfbeeld, seksuele ontwikkeling en mentale gesteldheid. Zij ervaart als gevolg van de feiten mentale klachten die haar belemmeren bij haar werk, studie en het dagelijkse leven en zij is gediagnosticeerd met PTSS.
Eendaadse samenloop
Met betrekking tot feit 1 en feit 2 is sprake van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, Sr. De bewezen verklaarde gedragingen leveren in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet of slechts enigszins uiteenloopt.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Hieruit volgt dat hij na de verdenkingen uit deze zaak is veroordeeld voor ontucht met iemand van beneden de 16 jaren. Artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht is van toepassing.
De rechtbank heeft acht geslagen op de reclasseringsrapporten die over verdachte zijn opgemaakt en in het bijzonder het rapport van 28 juli 2026. Hieruit volgt dat de reclassering spreekt van een delictpatroon, ondanks dat er na zijn veroordeling in 2018 geen nieuwe verdenkingen of veroordelingen meer volgden. Het delictgedrag is gerelateerd aan het middelengebruik (alcohol) en het psychosociaal functioneren van verdachte. In stressvolle perioden grijpt hij vaak naar alcohol om spanningen te reguleren en vervagen zijn grenzen. De feiten vonden plaats toen verdachte onder invloed van alcohol verkeerde. Ook gevoelens van eenzaamheid en een laag zelfbeeld zouden hebben meegespeeld ten tijde van de feiten. Verdachte doorliep van 2016 tot 2021 een toezicht bij de verslavingsreclassering, waar een ambulante behandelverplichting (gericht op zijn seksueel grensoverschrijdende gedrag) deel van uitmaakte. Het werk van verdachte werd als beschermende factor gezien, maar op dit moment zit verdachte al enige tijd in de ziektewet en is er af en aan sprake van spanningen in zijn leven. In het kader van schorsing van de voorlopige hechtenis werd aan hem een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting, een alcoholverbod en contactverbod met aangeefster opgelegd. Verdachte houdt zich aan de afspraken en voorwaarden tijdens de schorsing, met uitzondering van een spanningsvolle periode, waarin hij terugviel in alcoholgebruik. Hierop is ingezet vanuit de behandeling en sindsdien draagt verdachte vrijwillig een alcoholband. Sindsdien zijn er geen signalen meer geweest van alcoholgebruik. Verdachte zegt de alcoholband nodig te hebben om abstinent te blijven van alcohol, totdat hij vanuit de behandeling meer handvatten heeft gekregen om anders te kunnen omgaan met stressvolle situaties. Ondanks zijn terugval in alcoholgebruik zijn er geen signalen geweest van nieuw delictgedrag. Op het gebied van huisvesting en financiën is sprake van stabiliteit. Verdachte heeft voldoende geld gespaard om een eventuele detentieperiode van tenminste een jaar financieel te overbruggen. Omdat er nog verschillende behandeldoelen open staan en het risico op zowel algemene delictpleging als het plegen van een nieuw zedendelict als gemiddeld wordt geschat, acht de reclassering het opleggen van bijzondere voorwaarden geïndiceerd. Verdachte toont zich gemotiveerd hieraan mee te werken. Geadviseerd wordt een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, cognitieve vaardigheden, seksueel grensoverschrijdend gedrag en/of andere problematiek, een verbod op het gebruik van verdovende middelen inclusief het meewerken aan controles daarop, meewerken aan dagbesteding, beheersing van het middelengebruik inclusief het meewerken aan controles daarop en het vermijden van digitale omgevingen over seksueel kindermisbruik, inclusief controle op gegevensdragers, met toezicht van de reclassering. Geadviseerd wordt de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden en het toezicht te bevelen.
Straf
Gelet op de aard en ernst van de feiten, de persoon van verdachte en de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd, zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 48 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Met het voorwaardelijk strafdeel beoogt de rechtbank verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden opleggen, met uitzondering van de voorwaarde die ziet op het vermijden van digitale omgevingen over seksueel kindermisbruik en het beheersen van middelengebruik. Uit het dossier of het reclasseringsrapport blijken geen signalen dat verdachte zich daarmee bezighoudt. Omdat een alcohol- en drugsverbod wordt opgelegd, ziet de rechtbank geen aanleiding daarnaast een afzonderlijke voorwaarde op te leggen over beheersing van het middelengebruik. De rechtbank ziet geen grond de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden en het toezicht te bevelen. Aan de wettelijke vereisten daarvoor is niet voldaan. Bij het bepalen van de duur van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het tijdsverloop sinds de feiten.
7. De vordering van de benadeelde partij
Vordering
De benadeelde partij [aangeefster] vordert een schadevergoeding van € 17.905,21 voor feit 1 en 2, bestaande uit € 5.405,21 aan materiële schade en € 12.500,= aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Oordeel rechtbank
De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte feit 1 en 2 heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Materiële schade
Medische kosten
De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 2.062,40 wegens medische kosten Nu de verdediging deze schadepost inhoudelijk niet heeft betwist en deze post voldoende is onderbouwd, zal de rechtbank deze geheel toewijzen.
Studiekosten
De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 3.253,05 wegens studiekosten. Zij stelt dat zij door mentale klachten als gevolg van de feiten haar studie heeft moeten staken, terwijl zij daarvoor verschillende kosten heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat deze schadepost de nodige vragen oproept, bijvoorbeeld de vraag in hoeverre sprake is van een rechtstreeks verband tussen de schade en de bewezenverklaarde feiten, maar ook of de aangeschafte meubels en studiebenodigdheden nog steeds in het bezit van aangeefster zijn of in verband met het stoppen van de studie (door)verkocht zijn of konden worden. Dit vergt een nadere onderbouwing. Aanhouding van de strafzaak ten behoeve van een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dit gedeelte van de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Reiskosten
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 89,76 wegens reiskosten. Nu de verdediging deze schadepost inhoudelijk niet heeft betwist en deze post voldoende is onderbouwd, zal de rechtbank deze geheel toewijzen.
Immateriële schade
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 12.500,= aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft de vordering gebaseerd op artikel 6:106 sub b BW. Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in haar eer of goede naam of 'op andere wijze' in haar persoon is aangetast. Van aantasting in de persoon 'op andere wijze' is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven zijn of kunnen worden vastgesteld. Op basis van de onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het door verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Uit de stukken blijkt dat bij haar PTSS is vastgesteld.
Immateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Verder wordt bij de begroting, zoveel als mogelijk, gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Naast de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, heeft de rechtbank bij de begroting van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. Gelet op de gevolgen van de feiten (waaronder de vastgestelde PTSS), de nog zeer jonge leeftijd van de benadeelde partij ten tijde van de feiten en gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend alsmede de Rotterdamse schaal, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom geheel toe.
Conclusie
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 14.652,16, waarvan € 2.152,16 materiële schade en € 12.500,= immateriële schade. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten. De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Wettelijke rente
Ook zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen, vanaf het tijdstip dat de schade is ontstaan. Voor wat betreft de immateriële schade geldt dat de schade is ontstaan in de pleegperiode van 15 september 2011 tot en met 14 september 2014. De rechtbank zal de wettelijke rente schattenderwijs toewijzen met ingang van 15 maart 2013, een datum gelegen in het midden van die periode. Ten aanzien van de materiële schade geldt dat de schade op verschillende momenten is ontstaan in de periode van 19 januari 2023 tot en met 7 juli 2026 (medische kosten) en in de periode van 24 november 2022 tot en met 20 juli 2026 (reiskosten). De rechtbank zal de wettelijke rente schattenderwijs toewijzen met ingang van 1 oktober 2024, een datum gelegen in het midden van die periode(s).
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 55, 63, 244, 247 en 248 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
eendaadse samenloop van:
feit 1: met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, begaan tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;
feit 2: met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, begaan tegen een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 48 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen vijf dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij [verslavingsreclassering]
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door [zorgverlener 1] , [zorgverlener 2] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van
behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, seksueel grensoverschrijdend gedrag en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
* dat verdachte gedurende de proeftijd geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek, ademonderzoek en/of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
* dat verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek, ademonderzoek en/of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
* dat verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- van rechtswege geldende voorwaarden daarbij zijn:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Benadeelde partij
T.a.v. feit 1 en 2
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster] van € 14.652,16, waarvan € 2.152,16 aan materiële schade en € 12.500,= aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, voor wat betreft de materiële schade vanaf 1 oktober 2024 tot aan de dag der voldoening en voor wat betreft de immateriële schade vanaf 15 maart 2013 tot de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster] , € 14.652,16 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, voor wat betreft de materiële schade vanaf 1 oktober 2024 tot aan de dag der voldoening en voor wat betreft de immateriële schade vanaf 15 maart 2013 tot de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 98 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.E. Mullers, voorzitter,
en mr. G.H. Nomes en mr. H. Skalonjic, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.J. van der Welle, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 september 2026.
De voorzitter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 15
september 2011 tot en met 14 september 2014 te [plaats] ,
met een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde
minderjarige, [aangeefster] , geboren op [geboortedatum] 2003,
die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt,
telkens een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of
mede
bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die
[aangeefster] ,
hebbende verdachte zijn penis in de mond en/of tussen de
schaamlippen van die [aangeefster] geduwd/gebracht en/of zijn tong tussen
de schaamlippen van die [aangeefster] heeft geduwd/gebracht;
(art 244 Wetboek van Strafrecht)
2
hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 15
september 2011 tot en met 14 september 2014 te [plaats] ,
met een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde
minderjarige, [aangeefster] , geboren op [geboortedatum] 2003, die toen de leeftijd van
zestien jaren nog niet had bereikt,
buiten echt,
een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het likken
en/of betasten van de vagina, althans schaamstreek, van die [aangeefster]
en/of het laten likken van zijn, verdachtes, penis door die [aangeefster] en/of
zoenen en/of het met de penis langs de vagina, althans schaamstreek,
van die [aangeefster] wrijven;
(art 247 Wetboek van Strafrecht)