Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-220942-21
Beslissing van de meervoudige kamer van 2 september 2026 met betrekking tot de verlenging van de terbeschikkingstelling van:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] ,
op dit moment (als passant) verblijvende in de PI [plaats] ,
hierna: betrokkene.
Raadsvrouw: mr. E.M.W. Lock, advocaat in Amsterdam.
1. Inleiding
Betrokkene is op 7 juli 2022 door de rechtbank Zeeland-West-Brabant veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden met aftrek van het voorarrest en terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden. De tbs met voorwaarden is opgelegd wegens overtreding van de artikelen 240b, 245, 247 en 248e van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank constateert dat het hier gaat om misdrijven als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
De tbs met voorwaarden is aangevangen op 13 september 2022 en op 27 augustus 2024 verlengd met een termijn van twee jaar.
De tbs met voorwaarden is op 12 december 2024 door de rechtbank Zeeland-West-Brabant omgezet naar een tbs met verpleging van overheidswege.
2. Procesverloop
De rechtbank heeft op 20 juli 2026 van het openbaar ministerie een vordering ontvangen tot verlenging van de tbs met verpleging van overheidswege. De vereiste stukken zijn bijgevoegd dan wel toegezonden.
De vordering is op de openbare terechtzitting van 19 augustus 2026 behandeld. De officier van justitie, mr. I.M.H. Masselink, is gehoord. Ook is betrokkene gehoord, bijgestaan door zijn raadsvrouw.
3. Advies van de tbs-instelling ( [tbs-instelling] )
De tbs-instelling heeft in het rapport van 16 juli 2026 geadviseerd de tbs met verpleging van overheidswege te verlengen met twee jaar. Bij betrokkene is sprake van een borderline persoonlijkheidsstoornis, een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis (met trekken van een histrionische en narcistische persoonlijkheidsstoornis) en een andere gespecificeerde parafiele stoornis (voorkeur voor tienermeisjes).
Betrokkene is op 18 oktober 2022 opgenomen op de afdeling Klinische Kortdurende Behandeling van [tbs-instelling] . Op 12 december 2024 is de tbs met voorwaarden omgezet naar een tbs met verpleging van overheidswege, omdat betrokkene tijdens zijn verblijf in de tbs-instelling stelselmatig over verschillende onderwerpen had gelogen, contact had gehad met zijn ex-vriendin en op zijn telefoon 969 kinderpornografische afbeeldingen had staan. De problematiek van betrokkene is hardnekkig gebleken. Ondanks intensieve klinische behandeling is hij teruggevallen in strafbare feiten die vergelijkbaar zijn met de indexdelicten. Het baart grote zorgen dat dit delictpatroon zo verborgen naast zijn behandelattitude heeft kunnen bestaan.
Betrokkene verblijft momenteel in de Penitentiaire Inrichting in [plaats] in afwachting van een plaatsing bij [tbs-instelling] . Het is nog niet bekend wanneer hij daar kan worden opgenomen. Omdat de persoonlijkheidsproblematiek nog steeds aanwezig is, het risico op recidive ook tijdens de eerdere klinische opname hoog is gebleven en de behandeling in het kader van de tbs met verpleging van overheidswege nog niet is aangevangen, ligt het niet in de lijn der verwachting dat een voorwaardelijke beëindiging binnen een jaar aan de orde zal zijn. Het advies is dan ook om de tbs met verpleging van overheidswege met twee jaar te verlengen.
4. Standpunt van partijen
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie is op de zitting gebleven bij de vordering om de tbs met verpleging van overheidswege met twee jaar te verlengen. Aan de formele vereisten daarvoor is voldaan. Nu betrokkene nog altijd wacht op een plaatsing bij [tbs-instelling] en de behandeling nog moet starten, ligt het niet in de redelijke verwachting dat binnen een jaar de stap naar een ander juridisch kader kan worden gemaakt. Een verlenging met twee jaar is dan ook op zijn plaats.
Standpunt van de verdediging
Betrokkene heeft op de zitting verklaard dat hij al geruime tijd wacht op plaatsing in [tbs-instelling] en dat hij hoopt dat dit op korte termijn zal gebeuren, zodat hij met zijn behandeling kan beginnen. Hij staat momenteel op de tweede plaats van de wachtlijst. Hij krijgt op dit moment medicatie, wat hem meer rust lijkt te bieden. Ook heeft hij eens in de twee à drie weken een gesprek met een psychiater.
De verdediging heeft op de zitting verzocht de tbs met verpleging van overheidswege te verlengen met één jaar. Betrokkene wacht al twee jaar op een plaatsing bij [tbs-instelling] en er is nog altijd geen zicht op een opnamedatum. Hij heeft geen idee waar hij aan toe is. Na dat jaar kan worden bekeken of betrokkene inmiddels in de tbs-instelling is opgenomen en hoe zijn behandeling verloopt. Daarnaast is verzocht om een dubbelrapportage op te laten stellen, gelet op de tijd die inmiddels is verstreken en de positief veranderde houding van betrokkene.
5. Beoordeling
De tbs van betrokkene kan slechts worden verlengd indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen dat eist. Het recidivegevaar moet nog aanwezig zijn en dient voort te vloeien uit een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens.
Gelet op het advies van de tbs-instelling wordt nog steeds voldaan aan dit wettelijke criterium. Bij betrokkene is nog steeds sprake van een borderline persoonlijkheidsstoornis, een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis (met trekken van een histrionische en narcistische persoonlijkheidsstoornis) en een andere gespecificeerde parafiele stoornis (voorkeur voor tienermeisjes). Het risico op recidive bij beëindiging van de tbs wordt op dit moment als hoog ingeschat. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de tbs moet worden verlengd.
De vraag die vervolgens voorligt, is of de tbs met één of twee jaar moet worden verlengd. Uitgangspunt is dat wanneer aannemelijk is geworden dat de behandeling meer tijd in beslag zal nemen dan de tijd die resteert bij een verlenging van de tbs met één jaar, de tbs verlengd dient te worden met twee jaar, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden.
Aan betrokkene is eerder een tbs met voorwaarden opgelegd, waarbij behandeling als voorwaarde was gesteld. De tbs met voorwaarden is eind 2024 echter omgezet naar een tbs met verpleging van overheidswege, omdat betrokkene stelselmatig over verschillende onderwerpen had gelogen, contact had gezocht met zijn ex-vriendin en kinderpornografisch materiaal op zijn telefoon had staan. De rechtbank heeft destijds geconcludeerd dat de behandeling tot dan toe geen effect heeft gehad.
Sinds de omzetting van de tbs met voorwaarden naar een tbs met verpleging van overheidswege verblijft betrokkene in een penitentiaire inrichting en ligt de behandeling stil.
Hij is inmiddels aangemeld en geaccepteerd voor opname in [tbs-instelling] , maar vanwege de wachtlijst is het onduidelijk per wanneer hij daar kan worden opgenomen. Betrokkene zou op dit moment wel op de tweede plek staan. De rechtbank betreurt dat de opname zo lang op zich laat wachten en hoopt dat betrokkene op korte termijn bij de [tbs-instelling] terecht kan, zodat zijn behandeling (opnieuw) kan aanvangen. De rechtbank ziet hierin echter geen bijzondere omstandigheid om de tbs met maar één jaar te verlengen. Hoe schrijnend het ook is, de rechtbank kan plaatsing van betrokkene in een tbs-instelling niet afdwingen, ook niet door de termijn van de tbs maar met één jaar te verlengen. Er staat bovendien al vast naar welke tbs-instelling betrokkene zal gaan en wat het plan van aanpak zal zijn. De behandeling en de verschillende resocialisatiestappen zullen naar verwachting meer dan twee jaar in beslag nemen. Daarbij wordt ook in aanmerking genomen dat betrokkene eerder langdurig klinisch is behandeld, waarna betrokkene toch opnieuw vergelijkbare feiten heeft gepleegd. De rechtbank zal de tbs met verpleging van overheidswege van betrokkene daarom verlengen met een termijn van twee jaar. Tegen die tijd zal er – conform de wettelijke cyclus – ook een dubbelrapportage over betrokkene worden opgesteld.
6. Beslissing
De rechtbank:
verlengt de termijn van de terbeschikkingstelling met twee jaar.
Deze beslissing is genomen door mr. C.H.M. Pastoors, voorzitter, en
mr. M.H.M. Collombon en mr. D. Fontein, rechters, in tegenwoordigheid van
mr. S.D.M. Bos, griffier en is uitgesproken ter openbare zitting op 2 september 2026.
De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.