Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-226919-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 4 september 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1997,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
raadsman mr. M. Broere, advocaat te Roosendaal.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 augustus 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.C. Fimerius en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Bewezen kan worden dat verdachte [aangeefster] heeft verkracht op 28 juni 2024 en aangerand op 30 juni 2024. Dat verdachte haar ook in de nacht van 29 op 30 juni 2024 heeft verkracht kan niet wettig en overtuigend worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van beide feiten. Voor zover nodig gaat de rechtbank daar bij de bijzondere overwegingen nader op in.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Inleiding
In het weekend van 27 tot en met 30 juni 2024 verbleven verdachte en [aangeefster] samen in een huisje in verband met het festival Concert at Sea. Zij sliepen samen op één kamer. Aangeefster heeft aangifte gedaan van verkrachting door verdachte op twee verschillende momenten in dat weekend. Verdachte heeft dit ontkend.
Bewijsminimum
In zedenzaken zijn doorgaans slechts twee personen aanwezig bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de verdachte. Indien de verdachte ontkent, moet de rechtbank beoordelen of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is voldaan. Dat bewijsminimum houdt in dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Er moet sprake zijn van steunbewijs, dat afkomstig is van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Uit rechtspraak van de Hoge Raad kan onder meer worden afgeleid dat voor een bewezenverklaring van verkrachting niet is vereist dat de verkrachting als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het voldoende is dat de verklaring van degene die de belastende verklaring heeft afgelegd (in dit geval aangeefster) op bepaalde punten bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, afkomstig van een andere bron dan de aangeefster. Tussen de verklaring van de aangeefster en dat overige bewijsmateriaal mag niet een te ver verwijderd verband bestaan.
Feit op 28 juni 2024
Verklaring aangeefster
Aangeefster heeft verklaard dat zij op vrijdagochtend 28 juni 2024 op bed lag en dat verdachte na het douchen in zijn onderbroek de kamer in kwam. Hij kwam op het bed zitten tussen de knieën van aangeefster. Hij maakte ruimte door met een hand een been opzij te duwen en ging over haar heen hangen. Verdachte probeerde haar te zoenen, maar zij had zijn gezicht weggeduwd. Hij deed haar pyjamatopje naar beneden en gaf een kus op haar borst. Hij wreef met zijn hand over zijn onderbroek en zei dingen als 'al help je me maar heel even, dan maak ik het zelf wel af', 'kom op [aangeefster] , anders maar heel even, al mag ik maar twee keer stoten' en 'toe nou'. Ze zei toen tegen hem dat ze er helemaal geen zin in had en dat ze ook niet aan de anticonceptie zat. Toen hij voorstelde een condoom te pakken, heeft ze wederom gezegd dat ze geen seks wilde. Verdachte masturbeerde met één hand zichzelf en zat met zijn andere hand tussen haar benen tegen haar broekje. Hij zei toen de hele tijd dingen als 'kom nou [aangeefster] '. Al heel snel schoof hij in één beweging haar pyjamabroekje en slip opzij en schoof hij zijn penis bij haar naar binnen. Door het geven van tegendruk met haar benen probeerde ze verdachte van haar af te wenden. Ze probeerde haar benen bij elkaar te krijgen, maar verdachte had haar been vast en hij zette kracht om haar benen uit elkaar te houden. Ze probeerde tegen te gaan dat hij haar zou penetreren.
Verklaring verdachte
Verdachte heeft verklaard dat hij vaker seks had met aangeefster en dat dat ook het geval was in de ochtend van 28 juni 2024. Hij heeft het initiatief daartoe genomen en had het gevoel dat hij werd toegelaten door aangeefster. Verdachte heeft geen signalen gezien dat zij het niet zou willen en heeft niets ongewoons gemerkt in de communicatie. Hij herkende responsief seksueel verlangen dat ze met elkaar opbouwden, waarbij – zoals vaker het geval was – sprake was van aantrekken en afstoten. Hij had niet het idee dat ze in de fase van afstoten zaten.
Steunbewijs
Ter zitting heeft verdachte verklaard dat het goed zou kunnen dat aangeefster heeft gezegd dat ze niet aan de anticonceptie zat. Ook heeft hij verklaard dat het goed zou kunnen dat hij dingen heeft gezegd als 'al help je me maar heel even, dan maak ik het zelf wel af', 'kom op [aangeefster] , anders maar heel even, al mag ik maar twee keer stoten' en 'toe nou'. In die zin wordt de verklaring van aangeefster ondersteund door die van verdachte zelf.
De verklaring van aangeefster wordt verder ondersteund door de verklaring van [getuige] , destijds een vriend van verdachte. Hij heeft verklaard dat hij een telefoongesprek met verdachte heeft gehad en heeft gevraagd naar het incident tussen verdachte en aangeefster. Hij heeft gevraagd ‘heb je hem erin gestopt’, waarop verdachte ‘ja’ antwoordde. Vervolgens heeft hij gevraagd of ze gezegd had dat ze het niet wilde. Daarop heeft hij ook ‘ja’ geantwoord. Verdachte heeft verder tegen [getuige] iets gezegd in de trant van ‘ze zei wel nee, maar twee keer nee had nog een ja kunnen worden’. Gelet op de rest van de verklaring van [getuige] is – anders dan de verdediging betoogt – duidelijk dat dit deel van het gesprek ging over wat er op 28 juni 2024 zou zijn voorgevallen.
Daarnaast wordt de verklaring van aangeefster ondersteund door de geluidsopname van het gesprek dat de vader van aangeefster met verdachte heeft gehad. Hieruit volgt dat verdachte heeft gezegd dat hij over de grenzen van aangeefster heen is gegaan en op de stelling van de vader van aangeefster dat aangeefster ‘nee’ heeft gezegd, heeft gereageerd met ‘Ja er waren woorden maar die herkende ik uit voorgaande als in die zin twijfel die...’ en op de vraag van de vader van aangeefster of hij niet luistert als ze nee zegt en ervan uitging dat ze ja bedoelde, antwoordt hij ‘daar komt het in die zin op neer maar uit ja in die zin onze relatie kennende kwam daar vaak een uhm een wederzijds consent op uit.’
De rechtbank verwerpt het verweer van verdachte dat hij naar eigen zeggen ‘een zachtgekookt ei’ is en hij tijdens het gesprek met [getuige] en de vader van aangeefster zodanig onder druk werd gezet dat aan zijn verklaringen tegenover hen geen waarde kan worden toegekend. De inhoud van het dossier en de houding van verdachte ter zitting bieden daarvoor onvoldoende concrete aanknopingspunten. Bovendien komt de strekking van zijn uitlatingen tegen [getuige] en de vader over de dynamiek tussen hem en aangeefster overeen met zijn verklaring ter zitting.
De rechtbank is van oordeel dat het hiervoor genoemde steunbewijs past bij de verklaring van aangeefster dat zij aan verdachte verbaal (en non-verbaal) kenbaar heeft gemaakt dat zij geen seks met hem wilde hebben.
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte, nadat aangeefster aan hem kenbaar heeft gemaakt dat zij geen seks wilde, desondanks haar pyjamabroek en onderbroek opzij heeft geschoven, haar benen uit elkaar heeft geduwd en uit elkaar geduwd heeft gehouden en vervolgens onverhoeds zijn penis in de vagina van aangeefster heeft geduwd. Door zo te handelen heeft hij haar door middel van geweld en/of een andere feitelijkheid gedwongen seks met hem te hebben die bestond uit seksueel binnendringen van haar lichaam. Daarmee acht de rechtbank de ten laste gelegde verkrachting op 28 juni 2024 wettig en overtuigend bewezen.
Feit(en) op 29 of 30 juni 2024
Verklaring aangeefster
Aangeefster heeft verklaard dat zij in de nacht van zaterdag op zondag na half vier (dus op 30 juni 2024) ergens van wakker werd en dat ze iets wegduwde. Ze besefte dat dat de hand van verdachte was. Toen zij naar het toilet ging, merkte zij dat haar vagina vochtiger was dan normaal. Toen viel voor haar het kwartje dat ze wakker was geworden doordat ze was gevingerd in haar slaap. Ze heeft een aanraking gevoeld bij haar vagina en voelde dat die aanraking stopte toen ze wakker werd. Ze heeft niet ervaren dat verdachte haar met zijn vinger penetreerde.
Verklaring verdachte
Verdachte heeft ontkend dat hij aangeefster heeft gevingerd. Hij heeft verklaard dat zijn hand op haar haar broek en hooguit in haar broek was, mogelijk in de buurt van haar vagina, maar niet in haar onderbroek en niet in haar vagina.
Steunbewijs
Uit de door verdachte geschreven brief en whatsappberichten naar aangeefster volgt dat hij heeft geschreven dat zijn hand in de broek van aangeefster ging en dat zijn hand tussen haar benen lag.
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte seksueel is binnengedrongen bij aangeefster met zijn vinger, omdat het dossier daarvoor onvoldoende bewijs bevat. De rechtbank zal verdachte dus vrijspreken van de onder feit 1 ten laste gelegde verkrachting op 29 of 30 juni 2024. Gelet op de hiervoor genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wel bewezen dat verdachte met zijn hand de schaamstreek van aangeefster heeft betast. Dat verdachte haar schaamstreek over de kleding heeft betast, maakt voor de bewezenverklaring niet uit. De rechtbank acht feit 2 dus in genoemde zin wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1op 28 juni 2024 te [plaats] , gemeente Schouwen-Duiveland door geweld en/of een andere feitelijkheid, [aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina van die [aangeefster] geduwd en bestaande datgeweld en/of die feitelijkheid - op 28 juni 2024 uit het negeren van de verbale uitingen van die [aangeefster][aangeefster] dat zij geen seks wilde enhet boven die [aangeefster] hangen en depyjamabroek en onderbroek van die [aangeefster] opzij te schuiven en de benen vandie [aangeefster] uit elkaar te duwen en uit elkaar geduwd te houden en vervolgensonverhoeds zijn penis in de vagina van die [aangeefster] te duwen;
2op 30 juni 2024 te [plaats] , gemeente Schouwen-Duiveland , door een andere feitelijkheid, [aangeefster] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, te weten het betasten van de schaamstreek van die [aangeefster] en bestaande die feitelijkheid uit het onverhoeds betasten van de schaamstreek van die [aangeefster] terwijl die [aangeefster] lag teslapen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Daarnaast vordert zij een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), inhoudende een contactverbod met aangeefster voor de duur van vijf jaar, met een maand vervangende hechtenis per overtreding en een maximum van zes maanden. Gevorderd wordt de dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel te bevelen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt in het geval van een veroordeling een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf op te leggen. Verzocht wordt geen vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr op te leggen. Als een contactverbod wordt opgelegd, kan dat als bijzondere voorwaarde worden verbonden aan een voorwaardelijk strafdeel.
Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting en aanranding van aangeefster. Hij is op twee verschillende momenten over haar grenzen heen gegaan, een keer door haar ‘nee’ te negeren en een keer door haar in haar slaap te betasten terwijl zij haar wil niet kenbaar kon maken. Verdachte heeft zijn eigen lusten vooropgesteld en daarmee een ernstige inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en geestelijke integriteit. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van dergelijke delicten later ernstige nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Uit de stukken bij de vordering tot schadevergoeding en het ter zitting uitgeoefende spreekrecht blijkt dat dit bij aangeefster ook het geval is: zij ervaart als gevolg van de feiten mentale klachten die haar belemmeren bij haar studie, werk en in het dagelijkse leven en is gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis.
Verdachte heeft ter zitting geen inzicht getoond in het kwalijke van zijn handelen en de mogelijkheid dat hij andermans grenzen zou hebben overschreden. Hij is van mening dat hem juist iets is aangedaan.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte. Hieruit volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
De rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsrapport van 27 juli 2026 dat over verdachte is opgemaakt. Hieruit volgt dat de reclassering geen delictpatroon ziet en dat verdachte stabiliteit schetst op de leefgebieden: hij heeft een eigen woning, werk, geen schulden, geen verslavingen en een steunend netwerk. De verdenkingen hebben volgens verdachte een behoorlijke weerslag gehad op zijn privé- en zakelijke leven. Door de ontkennende houding van verdachte is het voor de reclassering lastig criminogene factoren rechtstreeks aan de feiten te relateren. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag. De reclassering acht een forensisch kader momenteel niet geïndiceerd, mede gelet op de stabiliteit op de verschillende leefgebieden. Dit dient heroverwogen te worden als verdachte binnen afzienbare tijd weer in aanraking komt met justitie vanwege een zelfde soort delict. Geadviseerd wordt een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. De reclassering vindt interventies of toezicht niet nodig.
Straf
Gelet op de aard en ernst van de feiten, de persoon van verdachte en de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd, zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar opleggen. Met het voorwaardelijk strafdeel beoogt de rechtbank verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Als bijzondere voorwaarde zal de rechtbank een contactverbod met aangeefster opleggen, zonder reclasseringstoezicht nu de reclassering toezicht of interventies niet nodig vindt. Bij het bepalen van de duur van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het tijdsverloop sinds de feiten en dat (de verdenking van) de feiten al negatieve consequenties voor hem hebben gehad.
Maatregel
Omdat een contactverbod zal worden opgelegd als bijzondere voorwaarde bij het voorwaardelijk strafdeel, ziet de rechtbank geen aanleiding om een maatregel op grond van artikel 38v Sr op te leggen.
7. De vordering van de benadeelde partij
De vordering
Benadeelde partij [aangeefster] vordert een schadevergoeding van € 15.822,89 voor feit 1 en 2, bestaande uit € 5.822,89 aan materiële schade en € 10.000,= aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Materiële schade
Alternatieve behandelingen
De benadeelde partij vordert een bedrag van in totaal € 1.706,50 wegens de kosten voor de behandelingen bij Praktijk Thuis en Praktijk Bewustzijn. De verdediging heeft gesteld dat deze vormen van behandeling alternatieve geneeswijzen betreffen waarvan niet is onderbouwd dat die daadwerkelijk effectief zijn en die niet door de ziektekostenverzekering worden vergoed. De kosten komen volgens de verdediging niet voor vergoeding in aanmerking en de benadeelde partij moet niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van de vordering.
De rechtbank overweegt dat het de benadeelde partij vrij staat om binnen redelijke grenzen passende, zo nodig alternatieve, hulp te zoeken, ook indien de kosten van de alternatieve behandeling niet door de ziekteverzekering worden vergoed. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij in dit geval binnen redelijke grenzen passende hulp heeft gezocht. Nu de verdediging deze schadepost inhoudelijk niet heeft betwist en deze post voldoende is onderbouwd, zal de rechtbank deze geheel toewijzen.
Eigen risico behandeling verpleegkundig specialist
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 885,= wegens de kosten voor de behandelingen bij een verpleegkundig specialist die binnen de GGZ die onder het eigen risico vallen. Een deel van de kosten betreft toekomstige schade voor geplande afspraken in de toekomst. De verdediging heeft aangevoerd dat de kosten voor toekomstige behandelingen niet voor vergoeding in aanmerking komen en dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in dit deel van de vordering.
De rechtbank overweegt dat de begroting van nog niet ingetreden schade op grond van artikel 6:105 van het Burgerlijk Wetboek na afweging van goede en kwade kansen bij voorbaat kan geschieden. Gelet op de reeds ondergane behandelingen bij de psycholoog en de geplande afspraken in 2026, acht de rechtbank zeer aannemelijk dat de benadeelde partij de kosten voor deze afspraken zal gaan maken. De rechtbank zal de kosten voor de behandelingen bij een psycholoog daarom toewijzen.
Reiskosten
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 231,39 wegens reiskosten naar de behandelingen van Praktijk Thuis, Praktijk Bewustzijn en de verpleegkundig specialist. De reiskosten naar Praktijk Thuis en Praktijk Bewustzijn komen volgens de verdediging niet voor vergoeding in aanmerking, omdat de behandelingen zelf niet in aanmerking komen voor vergoeding.
De rechtbank overweegt dat nu de kosten voor de behandelingen zelf voor vergoeding in aanmerking komen, dit ook geldt voor de reiskosten in verband met die behandelingen. Nu de verdediging deze schadepost voor het overige inhoudelijk niet heeft betwist en deze post voldoende is onderbouwd, zal de rechtbank deze geheel toewijzen.
Pro forma schadepost
De benadeelde partij vordert een pro forma schadepost ter hoogte van € 3.000,= voor mogelijke toekomstige schade, met het oog op een eventueel hoger beroep. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dat deel van haar vordering.
Immateriële schade
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 10.000,= aan immateriële schade. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij is gebaseerd op artikel 6:106 sub b BW. Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in haar eer of goede naam of 'op andere wijze' in haar persoon is aangetast. Van aantasting in de persoon 'op andere wijze' is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven zijn of kunnen worden vastgesteld. Op basis van de onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door de door verdachte gepleegde strafbare feiten geestelijk letsel heeft opgelopen. Uit de stukken blijkt dat de diagnose posttraumatische stressstoornis is vastgesteld.
Immateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Verder wordt bij de begroting, zoveel als mogelijk, gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Naast de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, heeft de rechtbank bij de begroting van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. De rechtbank zoekt voor feit 1 aansluiting bij categorie ‘tamelijk ernstig’ met bandbreedte € 2.500,= - € 7.500,=. De rechtbank zoekt voor feit 2 aansluiting bij categorie ‘ernstig’ met bandbreedte € 1.000,= - € 5.000,=.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend en de Rotterdamse schaal is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 5.000,= voor beide feiten tezamen billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom tot dat bedrag toe.
Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot toewijzing van het gevorderde bedrag zouden kunnen leiden niet voldoende vast staan, mede gelet op de betwisting daarvan door verdachte. Verdere behandeling van dat deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Conclusie
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank dus toewijsbaar tot een bedrag van € 7.822,89, waarvan € 2.822,89 materiële schade en € 5.000,= immateriële schade. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten. De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Wettelijke rente
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het moment dat de schade is ontstaan. Voor wat betreft de immateriële schade geldt dat de schade is ontstaan op het moment van de feiten, te weten 28 en 30 juni 2026. De rechtbank zal de wettelijke rente toewijzen met ingang van 28 juni 2026. Ten aanzien van de materiële schade geldt dat de schade is ontstaan (of zal zijn ontstaan) op verschillende momenten in de periode van 11 september 2024 en 25 augustus 2026. De rechtbank zal de wettelijke rente schattenderwijs toewijzen met ingang van 1 september 2025, een datum gelegen in het midden van die periode.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 242 en 246 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: verkrachting;
feit 2: feitelijke aanranding van de eerbaarheid;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarde:
* dat verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster] , geboren op [geboortedag 2] 2000 te [geboorteplaats 2] , zolang het openbaar ministerie dat nodig acht;
- een van rechtswege geldende voorwaarde daarbij is:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
Benadeelde partij
T.a.v. feit 1 en 2
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster] van € 7.822,89, waarvan € 2.822,89 aan materiële schade en € 5.000,= aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 1 september 2025 voor wat betreft de materiële schade en vanaf 28 juni 2024 voor wat betreft de immateriële schade, tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster] , € 7.822,89 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf vanaf 1 september 2025 voor wat betreft de materiële schade en 28 juni 2024 voor wat betreft de immateriële schade, tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 64 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Skalonjic, voorzitter,
en mr. G.H. Nomes en mr. J.P.E. Mullers, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.J. van der Welle, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 september 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 28 juni 2024 tot enmet 30 juni 2024 te [plaats] , gemeente Schouwen-Duivelanddoor geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een anderefeitelijkheid,[aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meerhandelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueelbinnendringen van het lichaam van die [aangeefster] , hebbende verdachte zijn penisen/of vinger(s) in de vagina van die [aangeefster] geduwd/gebracht en bestaande datgeweld en/of die feitelijkheid en/of bedreiging met geweld en/of een anderefeitelijkheid- op of omstreeks 28 juni 2024 uit het negeren van de verbale uitingen van die [aangeefster][aangeefster] dat zij geen seks wilde en/of het boven die [aangeefster] hangen en/of depyjamabroek en onderbroek van die [aangeefster] opzij te schuiven en/of de benen vandie [aangeefster] uit elkaar te duwen en/of uit elkaar geduwd te houden en/of vervolgensonverhoeds zijn penis in de vagina van die [aangeefster] te duwen/brengen en/of- op of omstreeks 29/30 juni uit het onverhoeds brengen/duwen van de vinger(s) inde vagina van die [aangeefster] terwijl die [aangeefster] lag te slapen;
( art 242 Wetboek van Strafrecht )
2hij op of omstreeks 29/30 juni 2024 te [plaats] , gemeenteSchouwen-Duiveland ,door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een anderefeitelijkheid,[aangeefster] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meerontuchtige handelingen, te weten het betasten van de vagina, althans deschaamstreek van die [aangeefster] en bestaande dat geweld en/of die feitelijkheid en/ofbedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid uit het onverhoeds betastenvan de vagina, althans de schaamstreek, van die [aangeefster] terwijl die [aangeefster] lag teslapen;
( art 246 Wetboek van Strafrecht )