Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02.085994.25
Vonnis van de meervoudige kamer van 3 september 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] ,
raadsman mr. N.A. Koole, advocaat te Middelburg.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 augustus 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.P. de Graaf en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Overeenkomstig artikel 369 van het Wetboek van Strafvordering heeft de politierechter de zaak naar deze kamer verwezen.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte [benadeelde] in de periode van 29 december 2024 tot en met 18 maart 2025 heeft gestalkt.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde belaging. Verdachte heeft wederrechtelijk, stelselmatig en opzettelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde] . Na het gevoerde stopgesprek met verdachte op 29 december 2024 wist dan wel had verdachte moeten weten dat [benadeelde] geen contact meer wilde. Dat [benadeelde] tot en met 11 maart 2025 af en toe contact met verdachte had, was omdat [benadeelde] zich verplicht voelde en verdachte rustig wilde houden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit primair vrijspraak en stelt subsidiair dat er tot en met 11 maart 2025 in ieder geval geen sprake van belaging kan zijn, omdat uit de verklaring van [benadeelde] volgt dat verdachte en [benadeelde] tot dat moment nog een relatie hadden. De wederrechtelijkheid van het handelen van verdachte en zijn opzet op de belaging ontbreekt. Het is voor verdachte niet ondubbelzinnig duidelijk geweest dat [benadeelde] geen contact meer wilde hebben. De relatie is vanaf het begin af aan een knipperlichtrelatie geweest, waarbij [benadeelde] verdachte ook geregeld blokkeerde, er is geen evident stopgesprek met verdachte gevoerd en [benadeelde] bleef zelf ook contact met verdachte zoeken en heeft verklaard dat zij tot half februari 2025 wekelijks seks met verdachte had. De verklaringen en het logboek van [benadeelde] zijn op bepaalde punten onjuist en onvolledig en de berichten van [benadeelde] ontbreken volledig in het dossier.
Het oordeel van de rechtbank
Juridisch kader
Wat in het dagelijks taalgebruik ‘stalking’ wordt genoemd, heet in het Wetboek van Strafrecht (Sr) ‘belaging’. Daarvan is sprake als een verdachte wederrechtelijk, stelselmatig en opzettelijk inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van een ander. Daarbij moet de verdachte het oogmerk hebben om die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, Sr zijn verschillende factoren van belang. Het gaat daarbij om de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.
Feiten en omstandigheden
Uit het dossier leidt de rechtbank af dat de relatie van verdachte en [benadeelde] vanaf het begin af aan onstuimig is geweest en werd gekenmerkt door aantrekken en afstoten. Zowel verdachte als [benadeelde] hebben verklaard dat de relatie giftig / toxic was, dat de relatie meerdere keren aan en uit is gegaan en dat [benadeelde] verdachte gedurende de relatie regelmatig blokkeerde en vervolgens weer deblokkeerde waarna zij steeds opnieuw contact kregen.
Op basis van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat verdachte in de periode van 29 december 2024 tot en met 18 maart 2025 veelvuldig contact met [benadeelde] heeft gezocht via onder andere WhatsApp, e-mail, bankoverschrijvingen, Instagram, Facebook, SMS en door (anoniem) te bellen, waarbij de inhoud van zijn berichten, filmpjes en foto’s met momenten dreigend en grensoverschrijdend is geweest. Om in contact met [benadeelde] te komen, heeft verdachte meerdere telefoonnummers en accounts aangemaakt welke [benadeelde] steeds heeft geblokkeerd. Ook heeft verdachte berichten en pikante foto’s van [benadeelde] aan de moeder van [benadeelde] gestuurd. Verdachte heeft ter terechtzitting niet ontkend dat hij in de ten laste gelegde periode veelvuldig en – naar eigen zeggen – op creatieve manieren contact met [benadeelde] heeft gezocht. Verdachte verklaart hierover dat [benadeelde] in de periode na 29 december 2024 ook contact met hem zocht, waarna zij hem weer blokkeerde en verdachte werd getriggerd om opnieuw contact met [benadeelde] op te nemen. Verdachte heeft verklaard dat het tot aan zijn aanhouding niet duidelijk voor hem was dat [benadeelde] geen contact meer wilde hebben, omdat het gedurende de relatie altijd op deze manier is gegaan. Daarnaast heeft hij verklaard dat zij tot half maart 2025 wekelijks seks met elkaar hadden.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of deze handelingen van verdachte zijn te kwalificeren als belaging zoals ten laste is gelegd.
Belaging?
Uit het dossier volgt dat er op 29 december 2024 een huiszoeking in het kader van de Wet wapens en munitie bij verdachte heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een melding door [benadeelde] en dat op die datum ook een zogenaamd stopgesprek door de politie met verdachte is gevoerd. Over de inhoud van dat stopgesprek blijkt enkel dat de politie “[verdachte] duidelijk heeft gemaakt dat hij het contact met [benadeelde] dient te stoppen, omdat er anders aangifte van stalking tegen hem wordt gedaan” en dat de politie “[verdachte] in alle eerlijkheid heeft gezegd dat hetzelfde tegen [benadeelde] is gezegd.” Gezien de context waarin het stopgesprek is gevoerd en de weergegeven inhoud is de rechtbank van oordeel dat dit gesprek niet als een evident stopgesprek kan worden aangemerkt op basis waarvan het voor verdachte op dat moment ondubbelzinnig duidelijk moet zijn geweest dat [benadeelde] geen contact meer met hem wilde hebben.
Het dossier bevat verder het logboek van [benadeelde] dat zij over de periode van 9 september 2024 tot en met 16 maart 2025 heeft bijgehouden. Op grond van de andere bewijsmiddelen in het dossier stelt de rechtbank vast dat het erop lijkt dat het logboek van [benadeelde] geen volledig beeld van alle contacten tussen [benadeelde] en verdachte weergeeft en met name geen volledig beeld geeft als het gaat om de inhoud van deze contacten. Uit de (latere) verklaring van [benadeelde] volgt namelijk dat zij tot half februari 2025 wekelijks intiem met verdachte is geweest en dat [benadeelde] op 11 maart 2025 naar het huis van verdachte is gegaan om tegen hem te zeggen dat het contact zoeken door verdachte moest stoppen. [benadeelde] heeft hierover bij de politie verklaard dat verdachte naakt de deur opendeed en [benadeelde] verdachte naar zijn slaapkamer volgde, waar verdachte onder zijn deken in bed is gaan liggen en [benadeelde] aan het voeteneinde is gaan zitten. Dat [benadeelde] tot 11 maart 2025 slechts af en toe contact met verdachte had omdat zij zich verplicht voelde en/of hem rustig wilde houden, leidt de rechtbank gelet op de inhoud van de contacten tussen verdachte en [benadeelde] onvoldoende uit het dossier af. Het blokkeren van verdachte door [benadeelde] is naar het oordeel van de rechtbank in dit specifieke geval ook onvoldoende om vast te kunnen stellen dat het voor verdachte evident moet zijn geweest dat [benadeelde] geen contact meer wilde hebben. Het blokkeren om vervolgens weer contact met elkaar te krijgen lijkt een voortzetting van de manier van communiceren zoals die voor 29 december 2024 kennelijk gebruikelijk was tussen [benadeelde] en verdachte. Dat verdachte niet wist dat [benadeelde] geen contact meer wilde hebben, vindt daarnaast ondersteuning in het verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris dat heeft plaatsgevonden na zijn aanhouding op 19 maart 2025 en waarna verdachte geen contact meer met [benadeelde] heeft gezocht en gehad.
Ten aanzien van de periode van 11 maart 2025 tot en met 18 maart 2025 overweegt de rechtbank nog het volgende. De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat de gedragingen en de berichten van verdachte in deze periode dreigender van aard zijn. Naast dat de rechtbank het zich kan voorstellen dat het einde van de relatie tussen verdachte en [benadeelde] gelet op hun voorgeschiedenis (ook) onstuimig verloopt, is de rechtbank van oordeel dat deze periode een te beperkte periode betreft om te kunnen spreken van de vereiste stelselmatigheid.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank er op grond van de bewijsmiddelen in het dossier niet van overtuigd is geraakt dat het voor verdachte ondubbelzinnig duidelijk moet zijn geweest dat [benadeelde] geen contact meer met hem wilde hebben. Dit neemt niet weg dat de rechtbank vindt dat verdachte door zijn handelen wel degelijk grenzen heeft overschreden en dat de inhoud van zijn berichten, filmpjes en foto’s aan zowel [benadeelde] als haar familie met momenten dreigend en zeer grensoverschrijdend zijn geweest en dat zijn handelen mogelijk zelfs strafbaar is.
Conclusie
Naar het oordeel van de rechtbank levert het handelen van verdachte echter niet de ten laste gelegde belaging op. Het is voor verdachte niet evident geweest dat [benadeelde] definitief geen contact meer wilde hebben, waardoor zijn gedragingen niet als “wederrechtelijk” kunnen worden gekwalificeerd. Nu het bestanddeel wederrechtelijk niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zal de rechtbank verdachte van de ten laste gelegde belaging vrijspreken. Voor zover verdachte in de periode van 11 maart 2025 tot en met 18 maart 2025 had moeten begrijpen dat [benadeelde] vanaf dat moment geen contact meer met hem wilde, is deze periode te kort om van stelselmatigheid te kunnen spreken.
5. De benadeelde partij
Namens de benadeelde partij [benadeelde] is een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 2.276,- voor schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering is opgebouwd uit een bedrag van € 276,- aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade.
Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
6. Beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde feit;
Benadeelde partij
- verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter, mr. L.W. Boogert en mr. R. Combee, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Vork, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 september 2026.
Mr. Combee is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.