RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
het dagelijks bestuur van waterschap Scheldestromen, verweerder.
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/6156
(gemachtigde: mr. S. Penning),
en
Procesverloop
1. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 februari 2025 waarin verweerder onder meer heeft medegedeeld dat de bestaande brug op het perceel van eiser moet worden verwijderd en vervangen door een dam met duiker.
Het bezwaar van eiser is bij besluit van 7 oktober 2025 ongegrond verklaard, met instandhouding van het bestreden besluit. Voor zover het besluit van 20 februari 2025 ziet op het verwijderen van de loopbrug is het besluit herroepen omdat hiervoor niet de juiste procedure is gevolgd.
Eiser heeft op 28 november 2025 beroep ingesteld tegen dit besluit. Eiser heeft hierbij aangegeven dat het beroep uitsluitend is gericht tegen de afwijzing van proceskostenvergoeding in bezwaar.
De rechtbank heeft het beroep op 28 augustus 2026 met instemming van partijen via een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. S. Penning namens eiser en mr. F. Smit namens verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de door hem gevraagde proceskostenvergoeding in bezwaar.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat zijn de voorwaarden voor proceskostenvergoeding in bezwaar?
3. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden proceskosten in bezwaar uitsluitend vergoed voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
Dit betekent dat het recht op proceskostenvergoeding alleen bestaat indien de heroverweging leidt tot het herroepen van het primaire besluit. Nu verweerder het bestreden besluit (gedeeltelijk) heeft herroepen, is aan deze voorwaarde voldaan.
Verweerder stelt echter dat niet wordt voldaan aan de tweede voorwaarde, namelijk dat het herroepen het gevolg is van een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid.
Is er sprake van een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid?
4. Verweerder voert aan dat de herroeping uitsluitend zag op de wijze van totstandkoming van het besluit, niet op de materiële rechtmatigheid van de beslissing over de brug. Verweerder voert aan dat het besluit in zoverre alleen is herroepen omdat het besluit in zoverre het karakter had van een handhavingsbesluit, terwijl daarvoor een andere (voorbereidings-)procedure gevolgd diende te worden. Dit betreft een procedureel punt en geen inhoudelijke onrechtmatigheid van het besluit zelf. Volgens verweerder berustte het besluit op een juiste uitleg en toepassing van de regelgeving. Hierdoor kan niet worden gezegd dat het primaire besluit is herroepen wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Ter ondersteuning van deze stellingen geeft verweerder aan dat de bezwarencommissie expliciet heeft overwogen dat verweerder terecht heeft geweigerd om een omgevingsvergunning te verlenen voor de brug. De inhoudelijke beoordeling van de aanvraag is daarmee volgens verweerder rechtmatig bevonden.
Eisers gemachtigde heeft ter zitting benadrukt dat naar zijn mening wel sprake is van een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid.
De rechtbank volgt verweerder niet in de stelling dat de onrechtmatigheid niet aan verweerder te wijten is. Verweerder heeft niet alleen – kennelijk – beoogd in het primaire besluit een handhavingsbeslissing te nemen en daarvoor de niet de juiste voorbereidingsprocedure ingezet, wat op zichzelf al een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid is. Verweerder heeft bovendien die handhavingsbeslissing herroepen én daarbij overwogen dat ze de brug thans als legaal beschouwt, wat handhaving uitsluit.
Conclusie en gevolgen
5. Verweerder heeft ten onrechte geweigerd de proceskosten van eiser te vergoeden. Het beroep is dus gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover daarin het verzoek om proceskosten is afgewezen.
De rechtbank voorziet zelf in de zaak en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding in de bezwaarfase alsnog toe. Deze vergoeding bedraagt € 1.332,- (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,- en een wegingsfactor van 1).
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht en de proceskosten in de beroepsfase aan eiser vergoeden. De proceskostenvergoeding bedraagt € 934,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5 omdat het beroep alleen gaat over de proceskostenvergoeding in bezwaar). Verder zijn er geen kosten gebleken die op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 3 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.