Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-137048-26
Vonnis van de meervoudige kamer van 3 september 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] ,
raadsman mr. J.H.E.M. Kersemaekers, advocaat te Breda.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 augustus 2026, waarbij de officier van justitie mr. M. Nijboer en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
op 11 mei 2026 heeft geprobeerd om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel haar heeft mishandeld door haar tegen het hoofd en/of lichaam te slaan en haar tegen het lichaam te duwen en/of te trekken, waardoor zij vanuit haar scootmobiel ten val is gekomen.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan. Verdachte bekent het slaan tegen het gezicht en op basis van de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] kan ook worden bewezen dat [slachtoffer] door het gewelddadig handelen van verdachte uit de scootmobiel is gevallen. Het meermaals met de vuist tegen het hoofd slaan van een kwetsbare en in een scootmobiel zittende vrouw, levert voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel op.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit. Voor het duwen en/of trekken is onvoldoende wettig bewijs. Voorts ontbreken vaststellingen over de wijze waarop het slaan heeft plaatsgevonden, zodat niet kan worden gesproken van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Evenmin heeft er een forensisch-medische toetsing van het zwaar lichamelijk letsel plaatsgevonden en is er geen sprake van een strafbare poging.
Voor wat betreft het subsidiair ten laste gelegde feit dient de bewezenverklaring te worden beperkt tot twee klappen.
Het oordeel van de rechtbank
Poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte, nadat hij en aangeefster elkaar in de hal van het complex waar zij beiden wonen hadden gepasseerd, achter aangeefster aan naar buiten is gegaan, waarna hij haar tweemaal tegen het hoofd heeft geslagen. Aangeefster zat in haar scootmobiel, waar zij op enig moment uit is gevallen. Aangeefster heeft letsel opgelopen, bestaande uit een wondje op het achterhoofd, een blauwe plek en zwelling boven het linkeroog, een blauwe plek op de hand, beschadiging van het netvlies, en een hersenschudding. Verder bleek uit een CT-scan van de hersenen dat er sprake was van een dun laagje bloed tussen het hersenvlies en de hersenen.
Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat aangeefster door verdachte is geduwd of dat hij aan haar lichaam heeft getrokken als gevolg waarvan zij uit haar scootmobiel is gevallen. Aangeefster heeft verklaard dat zij is geduwd, maar zij niet weet waardoor zij uit haar scootmobiel is gevallen. Geen van de getuigen heeft expliciet verklaard dat verdachte tegen het lichaam van aangeefster heeft geduwd of daaraan heeft getrokken. De verklaring van de [getuige 2] dat zij zag dat aangeefster en verdachte ‘aan het stoeien’ of ‘aan het vechten’ waren is in dit verband onvoldoende. Nu voorts ook andere oorzaken denkbaar zijn als gevolg waarvan aangeefster uit haar scootmobiel is gevallen, oordeelt de rechtbank het ten laste gelegde in zoverre niet wettig en overtuigend bewezen en dient verdachte daarvan te worden vrijgesproken.
De vraag is of het handelen van verdachte, bestaande uit het tweemaal slaan tegen het hoofd van aangeefster, een poging tot zware mishandeling oplevert. Daarvoor is vereist dat verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangeefster, al dan niet in voorwaardelijke zin. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat bij verdachte sprake is geweest van vol opzet op het toebrengen van het zwaar lichamelijk letsel. Verdachte heeft dit niet verklaard en het blijkt ook niet uit de bewijsmiddelen.
Voor voorwaardelijk opzet geldt dat verdachte met zijn handelen in ieder geval bewust de aanmerkelijke kans moet hebben aanvaard op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangeefster. Bij deze beoordeling komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
Uit het dossier blijkt niet met welke kracht verdachte heeft geslagen, waar verdachte precies ten opzichte van aangeefster stond en ook niet waar en op welke wijze aangeefster op het hoofd is geraakt. In dit verband is relevant dat uit het in het dossier beschreven letsel niet kan worden opgemaakt welk letsel direct door de genoemde slaande bewegingen is ontstaan. Bij gebreke van die informatie is de rechtbank, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans bestond dat het handelen van verdachte zou leiden tot zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster. Daarmee bestaat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
Mishandeling
Voor wat betreft het duwen en/of trekken ten gevolge waarvan aangeefster ten val is gekomen, verwijst de rechtbank naar wat zij daarover hiervoor heeft overwogen. De rechtbank zal verdachte daarvan partieel vrijspreken.
Aangezien verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd ten aanzien van het slaan tegen het hoofd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 20 augustus 2026;
- de aangifte van [slachtoffer] van 11 mei 2026;
- de verklaring van [getuige 1] bij de rechter-commissaris van 8 juli 2026.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 11 mei 2026 te Breda [slachtoffer] heeft mishandeld, door:- die [slachtoffer] meermaals te slaan tegen het hoofd.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert, voor het primair ten laste gelegde feit, aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 86 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 20 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd met uitzondering van het contactverbod. Daarnaast vordert zij een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een contactverbod met het slachtoffer voor de duur van twee jaar, met bepaling dat per overtreding van deze maatregel vijf dagen hechtenis wordt toegepast, met een maximum van zes maanden. De officier van justitie vordert ook de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt te volstaan met een straf die gelijk is aan de duur van het voorarrest. Verzocht wordt om geen bijzondere voorwaarden of vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van het feit
Een langer lopend burenconflict heeft er op 11 mei 2026 toe geleid dat verdachte zijn 54-jarige onderbuurvrouw heeft mishandeld door haar twee keer tegen het hoofd te slaan. Het slachtoffer zat tijdens het incident in een scootmobiel en is uiteindelijk ten val gekomen. Hierdoor heeft zij ernstig letsel opgelopen. Het spreekt voor zich dat verdachte pijn heeft veroorzaakt bij het slachtoffer en door zo te handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Uit de vordering tot schadevergoeding en de slachtofferverklaring komt naar voren dat het slachtoffer naast lichamelijke klachten ook last heeft van psychische klachten. Zij is angstig en controleert elke keer als zij de deur uitgaat of verdachte zich niet in de centrale hal bevindt.
Ook leidt dit soort geweld tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving, omdat het incident midden op de dag op straat heeft plaatsgevonden en getuigen het incident hebben gezien.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 17 juli 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het rapport van de reclassering van 6 augustus 2026. Daarin komt naar voren dat het erop lijkt dat verdachte bij oplopende spanningen moeite heeft om zijn emoties en frustraties op een adequate wijze te reguleren. In het verleden is bij verdachte autisme en ADHD vastgesteld en op meerdere leefgebieden blijft, na doorvragen van de reclassering, onduidelijkheid bestaan. De reclassering acht nader onderzoek (diagnostiek) naar het psychosociaal functioneren van verdachte geïndiceerd. Ook acht de reclassering het van belang om inzicht te krijgen in de aanwezigheid van eventuele psychische problematiek, de wijze waarop verdachte omgaat met spanningen, frustraties en conflicten en de invloed hiervan op het ten laste gelegde gedrag en recidiverisico. De reclassering adviseert het volwassenenstrafrecht toe te passen.
De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling door [zorgorganisatie] , waarbij de behandeling gericht is op het afnemen van uitgebreide diagnostiek, een contactverbod met het slachtoffer en het meewerken aan aflossing van de schulden.
Strafoplegging
Gelet op de bevindingen van de reclassering ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om het adolescentenstrafrecht toe te passen.
De rechtbank heeft acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Daarin staat dat bij een mishandeling met lichamelijk letsel een geldboete van € 1.000,- als uitgangspunt geldt. Gelet op de kwetsbaarheid van het slachtoffer, ziet de rechtbank aanleiding om daarvan af te wijken. De rechtbank vindt in dit geval een taakstraf een passende strafmodaliteit. De rechtbank ziet zich echter wel geconfronteerd met het feit dat verdachte 66 dagen voor dit strafbare feit in voorlopige hechtenis heeft gezeten. Hoewel toezicht en begeleiding van de reclassering verdachte zouden kunnen ondersteunen, acht de rechtbank het vanwege de lange duur van het voorarrest niet passend meer om aan verdachte een voorwaardelijk strafdeel met daarbij bijzondere voorwaarden op te leggen. Het contactverbod als vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr acht de rechtbank redelijkerwijs onuitvoerbaar, aangezien verdachte en het slachtoffer alleen via dezelfde ingang en centrale hal hun woning kunnen bereiken. De rechtbank zal deze maatregel dan ook niet aan verdachte opleggen.
Alles afwegende zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een taakstraf van 60 uur, met aftrek van het voorarrest. Bij beslissing van 20 augustus 2026 is het bevel tot voorlopige hechtenis, welke eerder was geschorst, al opgeheven.
7. De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert, na wijziging van haar vordering ter zitting, een schadevergoeding van € 8.415,51.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte.
De rechtbank oordeelt dat ook de schade die het gevolg is van de val van de benadeelde redelijkerwijs als gevolg van het slaan door verdachte kan worden toegerekend. Alhoewel niet precies duidelijk is geworden waardoor het slachtoffer is gevallen, is evident dat zij zonder de gedragingen van verdachte niet zou zijn gevallen.
Materiële schade
Forfaitaire kosten ziekenhuisopname
De door de benadeelde gevorderde forfaitaire kosten voor de ziekenhuisopname van totaal drie dagen acht de rechtbank integraal toewijsbaar, zijnde een bedrag van € 114,-.
Kosten ter vaststelling van de schade
Ook acht de rechtbank de gevorderde kosten ter vaststelling van de schade toewijsbaar, gelet op artikel 6:96 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek, zijnde een bedrag van € 277,46.
Beveiligingskosten
De rechtbank begrijpt dat het bewezenverklaarde feit bij de benadeelde angstgevoelens heeft veroorzaakt. Enerzijds kan de rechtbank zich voorstellen dat het ophangen van een camera die angst wat kan wegnemen. Anderzijds is niet duidelijk hoe de kosten voor de aanschaf van een camera waarbij de achtertuin in beeld gebracht wordt zich daartoe verhouden. Ter opheldering van deze onduidelijkheden is nader debat nodig, waarvoor dit strafgeding zich niet leent.
De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van de vordering.
Immateriële schade
De verdediging heeft de gestelde beperkingen gedeeltelijk betwist. De rechtbank stelt vast dat benadeelde fors letsel heeft opgelopen. Omdat op dit moment nog geen sprake is van een medische eindtoestand, kan niet worden vastgesteld of de klachten die de benadeelde op dit moment ervaart blijvende klachten betreffen. De omvang van de uiteindelijke immateriële schadevergoeding is daarom nog niet vast te stellen. Gelet hierop zal de rechtbank de schade nu begroten op een bedrag van € 2.500,- aan immateriële schade.
Verdere behandeling van het overige deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 11 mei 2026.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. Beslissing
subsidiair: mishandeling
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 60 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf naar rato van 2 uur per dag;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 2.891,46 waarvan € 391,46 aan materiële schade en € 2.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 11 mei 2026 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer] , € 2.891,46 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 11 mei 2026 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 28 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. van Althuis, voorzitter,
en mr. D.H. Hamburger en mr. L.W. Louwerse, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.W. Schalk, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 september 2026.
Mr. Louwerse is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 11 mei 2026 te Breda, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omopzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,- die [slachtoffer] meermaals heeft geslagen tegen het hoofd en/of tegen het lichaam, en/of- die [slachtoffer] tegen/aan het lichaam heeft geduwd en/of getrokken (ten gevolge waarvan die [slachtoffer] vanuit haar scootmobiel ten val is gekomen),terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 11 mei 2026 te Breda, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld, door:- die [slachtoffer] meermaals te slaan tegen het hoofd en/of tegen het lichaam, en/of- die [slachtoffer] tegen/aan het lichaam te duwen en/of trekken (ten gevolge waarvan die [slachtoffer] vanuit haar scootmobiel ten val is gekomen);( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )