RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-187364-23
vonnis van de rechtbank d.d. 10 februari 2026
in de ontnemingszaak tegen
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[woonadres] ,
raadsman mr. J.H.E.M. Kersemaekers, advocaat te Breda.
1. De procedure
Veroordeelde is op 10 februari 2026 door de meervoudige kamer van deze rechtbank veroordeeld voor
tot de in die uitspraak vermelde straf.
Op diezelfde dag zijn ook de medeverdachten [medeverdachte 1] (02-165966-23 en 02-016557-24 ), [medeverdachte 2] (02/187965-23), [medeverdachte 3] (02/155746-23), [medeverdachte 4] (02/111677-23), [medeverdachte 5] (02/111537-23) en [medeverdachte 6] (02/071660-25 en 16/238608-24) veroordeeld.
De officier van justitie heeft ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd.
De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3, 5, 6, 10, 12 en 13 november 2025, waarbij de officier van justitie, mr. C. de Pagter, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Op dezelfde zittingsdagen zijn ook de ontnemingsvorderingen van de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] inhoudelijk behandeld.
2. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op de zitting van 10 november 2025 de vordering van veroordeelde gewijzigd. Aanvankelijk betrof de hoogte van het voordeel een geschat bedrag van € 168.508,91. De officier van justitie heeft op zitting dit bedrag verminderd naar een bedrag van € 159.861,28. Zij heeft hierbij rekening gehouden met aftrek van gemaakte kosten en gelden die inmiddels door banken of overige bedrijven zijn tegengehouden of teruggestort.
Het bedrag is gebaseerd op het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict’ van de politie van 21 december 2023, waarbij de officier van justitie is uitgegaan van scenario 2.
3. Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt primair de vordering tot ontneming af te wijzen dan wel het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil te stellen, omdat betrokkene geen voordeel heeft genoten. De verdediging verzoekt subsidiair het wederrechtelijk verkregen voordeel fors te matigen.
4. Het oordeel van de rechtbank
Bij de beoordeling van de ontnemingsvordering heeft de rechtbank zich gebaseerd op het op 10 februari 2026 tegen veroordeelde gewezen vonnis in de hoofdzaak. Uit dit vonnis blijkt dat veroordeelde als medepleger in de periode van 28 september 2022 tot en met 11 juli 2023 bij in totaal 65 gevallen van bankhelpdeskfraude betrokken is geweest.
De rechtbank ontleent aan de inhoud van de bewijsmiddelen, zoals deze zijn als bijlage zijn opgenomen in het vonnis in de hoofdzaak, het oordeel dat veroordeelde voordeel als bedoeld in artikel 36e Wetboek van Strafrecht (Sr) heeft genoten.
De rechtbank heeft in het vonnis van veroordeelde in de hoofdzaak vastgesteld dat veroordeelde zich samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] , op wisselende momenten en deels in wisselende samenstellingen, schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van oplichting. De rechtbank heeft in het vonnis veroordeelde en haar mededaders hoofdelijk veroordeeld, in de zaaknummers waaruit hun betrokkenheid is gebleken, tot betaling van de geleden schade van de benadeelde partijen.
Uit het voorgaande volgt dat door de bewezenverklaarde feiten wederrechtelijk voordeel is verkregen.
De rechtbank constateert dat, zoals ook ter zitting is besproken, het belang van de ontnemingsvordering is gelegen in het feit dat de schade wordt voldaan. Het is expliciet niet de bedoeling dat veroordeelde “dubbel” moet betalen. De ontnemingsvordering is, in de woorden van de officier van justitie, ingediend als “vangnet”.
Schatting wederrechtelijk verkregen voordeel
Voor de berekening van het verkregen wederrechtelijk voordeel gaat de rechtbank, net zoals de officier van justitie en de verdediging, uit van “scenario 2” uit het ontnemingsrapport. Dat betreft een pondspondsgewijze verdeling op basis van betrokkenheid per bewezenverklaarde oplichting (zaaknummer), waarbij rekening wordt gehouden met gelden die inmiddels door banken of overige bedrijven zijn tegengehouden of teruggestort.
Over een andere verdeling tussen de veroordeelden van de bedragen die zijn buitgemaakt, blijkt immers niets uit het dossier. Dit betekent dat daar waar de bewezenverklaring slechts één veroordeelde betreft, het volledige bedrag als wederrechtelijk verkregen voordeel bij die ene veroordeelde wordt aangemerkt. Daar waar meerdere personen zijn veroordeeld voor betrokkenheid bij één zaaknummer, zal het bedrag evenredig over hen worden verdeeld.
Met het oog op de overzichtelijkheid heeft de rechtbank de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in een Excel-bestand verwerkt. Dit Excel-bestand is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De namen van de slachtoffers en de bijbehorende zaaknummers staan vermeld in kolom C en B. In kolom E staan de bewezenverklaarde bedragen vermeld. In kolom N staan de bedragen vermeld die veroordeelde naar het oordeel van de rechtbank als wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.
Uit het voorgaande volgt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dat veroordeelde heeft genoten, in beginsel moet worden geschat op een bedrag van € 131.956,13.
Kosten voor aankoop leads
De rechtbank heeft in het ontnemingsvonnis van [medeverdachte 1] overwogen dat zij ervan uit gaat dat deze kosten geheel door hem zijn gedragen. Bij de berekening zullen dan ook geen kosten in mindering worden gebracht.
Betalingsverplichting
Uit artikel 36e, negende lid, Sr volgt dat bij de bepaling van de omvang van de betalingsverplichting in rechte toegekende vorderingen aan benadeelde partijen, voor zover die zijn voldaan, in mindering worden gebracht. Omdat dit ontnemingsvonnis op dezelfde datum is gewezen als het vonnis in de onderliggende strafzaak, is op dit moment nog geen sprake van vorderingen die aan benadeelde partijen zijn voldaan. De rechtbank kan hiermee aldus voor het bepalen van de omvang van de betalingsverplichting geen rekening houden.
De rechtbank zou de betalingsverplichting kunnen vaststellen op het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat. Op zitting is echter uitsluitend gesproken over het verzoek van de officier van justitie om de hoogte van de aan de benadeelde partijen toegekende vorderingen reeds nu op het ontnemingsbedrag in mindering te brengen en op dat bedrag de betalingsverplichting vast te stellen. Alle procespartijen hebben daarmee ingestemd. Op dit specifieke punt heeft aldus geen debat plaatsgevonden. Bovendien zou dit kunnen conflicteren met het hiervoor genoemde uitgangspunt dat de ontnemingsvordering is ingediend als vangnet.
Op dit moment is voorts onduidelijk wie, in welke mate, bijdraagt aan de voldoening van de hoofdelijk toegewezen vorderingen per zaaknummer en hoe de onderlinge verdeling in de praktijk uiteindelijk zal uitpakken. Een complicerende factor is dat in de hoofdzaak een hoofdelijke veroordeling is opgelegd en dat ten aanzien van de ontneming een pondspondsgewijze verdeling dient plaats te vinden.
De rechtbank kan op dit moment dan ook niet de omvang van de betalingsverplichting vaststellen. Zij zal de betalingsverplichting om die reden op nihil stellen.
5. Het wettelijke voorschrift
De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
6. De beslissing
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 131.956,13.
- legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.W.M. Speekenbrink, voorzitter,
en mr. I.M.L. Felix en mr. P.E. van Althuis, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Bos en mr. D.W. Schalk, griffiers,
en is uitgesproken ter de openbare zitting op 10 februari 2026.