ECLI:NL:RBZWB:2026:8471

ECLI:NL:RBZWB:2026:8471

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 03-09-2026
Datum publicatie 03-09-2026
Zaaknummer 02.079543.26 en 02.130098.26
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Bewezenverklaring verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren (subsidiair). Vrijspraak dwang, geweld en/of bedreiging (primair). Bewezenverklaring bezit kogelpatronen. Gevangenisstraf van 36 maanden.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Parketnummers: 02.079543.26 en 02.130098.26 (ttz. gevoegd)

Vonnis van de meervoudige kamer van 3 september 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de PI [plaats 1] ,

raadsvrouw mr. S. van Minderhout, advocaat te Breda.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaken zijn inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 augustus 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.C. Fimerius en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.

2. De tenlasteleggingen

De tenlasteleggingen zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

Parketnummer 02.079543.26

op 25/26 juni 2025 de destijds 15-jarige [slachtoffer] heeft verkracht door het duwen/brengen van zijn penis in haar vagina en haar mond en het duwen/brengen van zijn vingers in haar vagina en daarbij dwang, geweld en/of bedreiging heeft toegepast (primair) dan wel deze minderjarige heeft verkracht door dezelfde seksuele handelingen (subsidiair);

Parketnummer 02.130098.26

op 16 maart 2026 kogelpatronen voorhanden heeft gehad.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

Parketnummer 02.079543.26

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaar door de destijds 15-jarige [slachtoffer] (hierna: de minderjarige) vaginaal te penetreren, zijn penis in haar mond te duwen en haar te vingeren, waarbij verdachte dwang, geweld en bedreiging heeft gebruikt. De officier van justitie baseert zich op de betrouwbare, gedetailleerde verklaring van de minderjarige die wordt ondersteund door de NFI-uitslag, het gegeven dat de minderjarige direct tegen haar toenmalige vriend [persoon] (hierna: [persoon] ) heeft verteld dat zij is verkracht, de eerste ongeloofwaardige verklaring van verdachte en zijn latere bekennende verklaring over het penetreren en tot slot het aantreffen van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, wat aantoont dat verdachte in verband kan worden gebracht met wapens/munitie en daar op 25 juni 2025 ook toegang tot had.

Parketnummer 02.130098.26

De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen en baseert zich op de bekennende verklaring van verdachte en de overige bewijsmiddelen.

Het standpunt van de verdediging

Parketnummer 02.079543.26

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor zover dat ziet op de ten laste gelegde penetratie van de penis van verdachte in de vagina van de minderjarige. Voor de overige seksuele handelingen en de verzwarende omstandigheid van dwang, geweld en/of bedreiging verzoekt de verdediging verdachte vrij te spreken. Gelet op het alcohol- en drugsgebruik van de minderjarige en de omstandigheid dat zij verschillend over de aard en frequentie van de seksuele handelingen heeft verklaard, dient er behoedzaam met haar verklaringen te worden omgegaan. Daarnaast bevat het dossier geen steunbewijs voor de seksuele handelingen die bestaan uit het vingeren en de orale seks en het element dwang, geweld en/of bedreiging.

Parketnummer 02.130098.26

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Parketnummer 02.079543.26

Juridisch kader

Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het feit dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Vaak staan de verklaringen lijnrecht tegenover elkaar. Zo ook in onderhavige zaak ten aanzien van de seksuele handelingen die bestaan uit het duwen/brengen van de vingers in de vagina en het duwen/brengen van de penis in de mond van het vermeende slachtoffer en het element dwang, geweld en/of bedreiging. Alleen de verklaring van aangeefster is, zelfs als die betrouwbaar is, onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Volgens artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat een verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Om dan toch tot een bewezenverklaring te kunnen komen, moet de rechtbank beoordelen of in het dossier voldoende steunbewijs voorhanden is voor de verklaringen van aangeefster.

Uit de relevante jurisprudentie van de Hoge Raad over het bewijs in zedenzaken volgt dat niet is vereist dat de ten laste gelegde seksuele handelingen, waarover een aangeefster verklaart, als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal. Voldoende is als de verklaring van een aangeefster op bepaalde onderdelen bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, die afkomstig zijn van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Daar staat tegenover dat tussen de verklaring van een aangeefster en het overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.

Feiten en omstandigheden

Uit het dossier leidt de rechtbank af dat de destijds 15-jarige minderjarige op 25/26 juni 2025 al meerdere dagen van huis was weggelopen en zich samen met haar toenmalige vriend [persoon] in een huis in [plaats 2] bevond, waar zij alcohol en een grote hoeveelheid aan verschillende soorten soft- en harddrugs hadden gebruikt. Op enig moment zijn de minderjarige en [persoon] door verdachte opgehaald. Volgens de minderjarige zou verdachte hun veiligheid waarborgen. Verdachte heeft verklaard dat hij door een vriend is gevraagd om de minderjarige en [persoon] naar de bushalte te brengen. Verdachte, de minderjarige en [persoon] zijn vervolgens naar het huis van verdachte gegaan, waar verdachte [persoon] op de bank heeft gezet en [persoon] vrijwel direct in slaap is gevallen. De minderjarige is gaan douchen. Vanaf dit punt lopen de verklaringen van de minderjarige en verdachte uiteen. De minderjarige heeft – kort gezegd – verklaard dat verdachte de badkamer binnenkwam en haar tegen haar wil in meerdere keren en op verschillende plekken in het huis heeft verkracht. Volgens de minderjarige bestonden de seksuele handelingen uit het duwen/brengen van de penis in haar vagina en in haar mond en het duwen/brengen van de vingers in haar vagina. Hierbij heeft verdachte een vuurwapen (gelijkend voorwerp) getoond en tegen haar hoofd gezet. Ook is de minderjarige tegen de muur geduwd, heeft verdachte dreigende woorden geuit, haar hoofd en haren vastgehouden, haar keel dichtgeknepen, haar opgetild en haar in de door hem gewenste seksuele positie gebracht. Verdachte heeft – kort gezegd – verklaard dat de minderjarige zich aan hem aanbood toen hij met een handdoek de badkamer binnenkwam. Verdachte heeft vervolgens zijn penis in de vagina van de minderjarige geduwd/gebracht, maar ontkent uitdrukkelijk de overige seksuele handelingen en de dwang, geweld en/of bedreiging.

Seksuele handelingen

In deze zaak staat niet ter discussie dat verdachte zonder het gebruik van een condoom zijn penis in de vagina van de minderjarige heeft geduwd/gebracht en dat verdachte daarmee het lichaam van de minderjarige is binnengedrongen. De rechtbank overweegt hieromtrent dat het verrichten van dergelijke seksuele handelingen door een volwassene met een 15-jarig kind op grond van artikel 248 eerste lid van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) verboden en strafbaar is. De leeftijd van de minderjarige is in dat verband geobjectiveerd, wat betekent dat de feitelijke leeftijd op het moment van het handelen doorslaggevend is.

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is of verdachte de overige seksuele handelingen heeft gepleegd en of het seksueel binnendringen onder dwang, geweld en/of bedreiging heeft plaatsgevonden en zodoende een gekwalificeerde verkrachting oplevert, zoals primair ten laste is gelegd.

De rechtbank zal hierna eerst ingaan op de verklaring van de minderjarige. Vervolgens zal de rechtbank beoordelen of deze verklaring, ten aanzien van de overige seksuele handelingen die bestaan uit het duwen/brengen van de vingers in de vagina en het duwen/brengen van de penis in de mond van de minderjarige en het element dwang, geweld en/of bedreiging, in voldoende mate wordt ondersteund door ander bewijs.

De verklaring van de minderjarige

De minderjarige heeft drie verklaringen afgelegd op verschillende momenten. Op 27 juni 2025 heeft zij een informatief gesprek gehad, op 31 oktober 2025 een studioverhoor en op 17 augustus 2026 heeft zij een getuigenverklaring bij de rechter-commissaris afgelegd.

De rechtbank leidt uit het dossier af dat de minderjarige op 25/26 juni 2025 al enkele dagen van huis was weggelopen, omdat het thuis – zoals zij zelf heeft verklaard – echt niet goed met haar ging en dat zij alcohol en een grote hoeveelheid aan verscheidende soorten soft- en harddrugs had gebruikt. Tijdens het studioverhoor heeft de minderjarige aangegeven dat zij die avond op Jupiter was, in ieder geval niet op de planeet aarde. Gelet op haar jonge leeftijd en kwetsbaarheid, de specifieke omstandigheden en dat zij onder invloed van alcohol en drugs was, maakt dat er naar het oordeel van de rechtbank behoedzaam met de verklaringen van de minderjarige moet worden omgegaan. De rechtbank stelt vast dat er een aantal elementen in de verklaringen van de minderjarige is dat steeds terugkomt, maar dat er ook een aantal elementen is dat niet of op een andere manier in haar verklaringen terugkomt. Het voorgaande betekent dat de rechtbank de verklaring van de minderjarige bruikbaar voor het bewijs acht, maar behoedzaam met haar verklaringen zal omgaan en de rechtbank het in dit specifieke geval nog belangrijker vindt dat er voldoende steun in andere bewijsmiddelen is en dan vooral op de onderdelen die verdachte uitdrukkelijk ontkent.

Steunbewijs

De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de verklaring van de minderjarige, ten aanzien van de overige seksuele handelingen en de dwang, geweld en/of bedreiging, voldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen.

In deze zaak hebben de moeder van de minderjarige en [persoon] verklaringen afgelegd. Naast dat deze verklaringen zijn gebaseerd op wat ze van de minderjarige zelf hebben gehoord en daarmee afkomstig van dezelfde bron zijn, kunnen deze verklaringen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende objectieve ondersteuning bieden aan de verklaring van de minderjarige wat betreft de overige seksuele handelingen en het element dwang, geweld en/of bedreiging. Ook de NFI-uitslag biedt onvoldoende steun om het plaatsvinden van de overige seksuele handelingen die bestaan uit het duwen/brengen van de vingers in de vagina en het duwen/brengen van de penis in de mond van de minderjarige te bewijzen. Deze uitslag sluit namelijk de lezing van de minderjarige, maar ook die van verdachte niet uit. Het dossier bevat geen ander steunbewijs. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat er onvoldoende steunbewijs is voor de ten laste gelegde overige seksuele handelingen en de dwang, geweld en/of bedreiging.

Conclusie

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat voor of tijdens het seksueel binnendringen sprake is geweest van dwang, geweld en/of bedreiging. Verdachte zal dan ook van het primair ten laste gelegde feit worden vrijgesproken. De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn penis in de vagina van de minderjarige heeft geduwd/gebracht en zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde verkrachting van een minderjarige ouder dan twaalf jaar en jonger dan zestien jaar. Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank verdachte partieel vrijspreken van het duwen/brengen van zijn vingers in de vagina van de minderjarige en het duwen/brengen van zijn penis in haar mond.

Parketnummer 02.130098.26

Uit de bewijsmiddelen in het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank af dat verdachte op 16 maart 2026 munitie, te weten 147 kogelpatronen van het kaliber 4 mm, voorhanden heeft gehad. Verdachte heeft dit feit ter terechtzitting ook bekend. Op grond van de in bijlage II genoemde bewijsmiddelen en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting acht de rechtbank het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Parketnummer 02.079543.26

Subsidiair

op 25/26 juni 2025 te [plaats 2] met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] seksuele handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

- het duwen/brengen van de penis in de vagina;

Parketnummer 02.130098.26

op 16 maart 2026 te [plaats 2] munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 147, kogelpatronen van het kaliber 4 mm voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar. Zij heeft bij haar strafreis rekening gehouden met de aard en ernst van de feiten en in parketnummer 02.079543.26 de strafverzwarende omstandigheden dat sprake is van het gekwalificeerde feit, dat verdachte geen condoom heeft gebruikt en dat hij gebruik heeft gemaakt van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Ook heeft de officier van justitie rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte waaronder het reeds ondergane voorarrest, het ontbreken van relevante recidive, de toepassing van artikel 63 Sr en de inhoud van het reclasseringsrapport. De verdediging verzoekt een aanzienlijk lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd en te kiezen voor een straf waarbij behandeling en begeleiding centraal staan. Passend is een gevangenisstraf met aftrek van het voorarrest, waarvan een (groot) deel voorwaardelijk is met daarbij de door de reclassering genoemde bijzondere voorwaarden. Verdachte is bereid zich hieraan te houden. Daarnaast kan er een hoge onvoorwaardelijke taakstraf aan verdachte worden opgelegd.

Het oordeel van de rechtbank

Aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de verkrachting van een 15-jarig meisje dat zich op dat moment in een zeer kwetsbare situatie bevond. Het slachtoffer was sinds enkele dagen van huis weggelopen, verbleef met haar toenmalige vriend in een huis in [plaats 2] waar drugs werd gebruikt en was op zoek naar een slaapplek. De rechtbank acht het uiterst dubieus dat verdachte het slachtoffer en haar vriend, die beiden zichtbaar onder invloed van drugs waren, mee naar huis heeft genomen. Verdachte heeft de vriend van het slachtoffer bij hem thuis op de bank gezet en het slachtoffer is gaan douchen, waarna verdachte naar de badkamer is gegaan en zonder het gebruik van een condoom zijn penis in de vagina van de minderjarige heeft geduwd/gebracht. Verdachte was destijds 39 jaar oud. Voorafgaand aan de seksuele handelingen heeft verdachte onvoldoende gecontroleerd of het slachtoffer meerderjarig was, terwijl daar blijkens het dossier wel degelijk aanleiding toe bestond. Artikel 248 Sr heeft als doel om de lichamelijke en de seksuele integriteit van minderjarigen jonger dan zestien jaar te beschermen, ook tegen zichzelf. Minderjarigen worden gelet op hun jeugdige leeftijd in onvoldoende mate in staat geacht zelf hun (seksuele) grenzen te bewaken en de gevolgen van seksueel contact voldoende te overzien. Elk seksueel contact met kinderen jonger dan zestien jaar is daarom strafbaar. Verdachte heeft geen oog gehad voor de kwetsbare positie van het slachtoffer en is voorbijgegaan aan de mogelijk schadelijke gevolgen van zijn handelen. Hij heeft zich enkel laten leiden door zijn seksuele verlangens. Dit neemt de rechtbank verdachte kwalijk. Met zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Het is algemeen bekend dat dit soort feiten langdurige psychische gevolgen voor slachtoffers kunnen hebben en een normale (seksuele) ontwikkeling kan verstoren. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Daarnaast heeft verdachte 147 kogelpatronen voorhanden gehad. Ongecontroleerd bezit hiervan brengt een gevaar voor de veiligheid van anderen met zich mee en veroorzaakt gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 8 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. Daarnaast is artikel 63 Sr van toepassing in verband met een op 23 januari 2026 opgelegde strafbeschikking voor een overtreding van een andersoortig feit.

Ook slaat de rechtbank acht op het reclasseringsrapport van 9 juni 2026 dat over verdachte ten behoeve van een eerdere raadkamerzitting is opgemaakt. Hieruit volgt dat er op de praktische leefgebieden van verdachte geen direct delictgerelateerde problemen zijn. Verdachte heeft huisvesting en was zoekende naar werk. Het risico op recidive van seksuele delicten wordt ingeschat op matig tot hoog, waarbij de reclassering opmerkt dat het onduidelijk is gebleven in hoeverre er sprake is van misbruik van een kwetsbaar meisje of dat er sprake is geweest van een eenmalige (seksuele) impulsdoorbraak. De reclassering ziet een gebrekkige impulscontrole waarbij verdachte zich niet heeft kunnen begrenzen betreffende het seksuele contact met het slachtoffer. Verdachte voelt zich hierin wel schuldig en ervaart lijdensdruk. Verder staat hij open voor begeleiding en/of behandeling.

Strafoplegging

Gelet op de aard en de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat alleen een

gevangenisstraf van een aanzienlijke duur een passende strafrechtelijke reactie is. Bij het bepalen van de hoogte van die gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank houdt ook rekening met dat verdachte in de zaak met parketnummer 02.079543.26 een first offender is. In strafverzwarende zin houdt de rechtbank rekening met het grote leeftijdsverschil tussen verdachte en de minderjarige en de uiterst kwetsbare positie waarin de minderjarige zich ten tijde van het bewezenverklaarde feit bevond. De rechtbank ziet geen aanleiding om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Concluderend komt de rechtbank uit op een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is gevorderd, nu zij, anders dan de officier van justitie, de gekwalificeerde verkrachting zoals primair ten laste is gelegd niet wettig en overtuigend bewezen acht. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7. Het beslag

Parketnummer 02.079543.26

De inbeslaggenomen munitie wordt onttrokken aan het verkeer. De voorwerpen zijn hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om de voorwerpen te onttrekken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit van deze voorwerpen in strijd is met de wet of het algemeen belang.

8. De benadeelde partij

Parketnummer 02.079543.26

Namens de benadeelde partij [slachtoffer] is een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 10.000,- voor schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De schadevergoeding bestaat uit immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt dat de gevorderde schadevergoeding voldoende duidelijk is en voor toewijzing vatbaar is. Zij vordert om de toe te wijzen schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt het schadebedrag te matigen, nu zij tot een andere conclusie over het aantal en de aard van de seksuele handelingen en het ontbreken van dwang, geweld en/of bedreiging komt. Zij verzoekt de Rotterdamse Schaal als uitgangspunt te nemen en bij de categorie verkrachting (hoofdstuk 15.1) onder “tamelijk ernstig” aansluiting te zoeken.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover het slachtoffer en dat hij verplicht is haar schade te vergoeden.

De benadeelde partij heeft een bedrag van € 10.000,- aan immateriële schade gevorderd.

De door het slachtoffer geleden immateriële schade acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 5.000,-, gelet op de omstandigheden, de onderbouwing die aan de vordering ten grondslag ligt en de hoogte van de schadevergoedingen die in min of meer vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De rechtbank is van oordeel dat deze schade in een voldoende verband staat met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. Uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij en het door het slachtoffer uitgeoefende spreekrecht ter terechtzitting blijkt dat het incident een grote impact op het slachtoffer en haar gevoel van veiligheid en vertrouwen heeft (gehad). Het slachtoffer heeft de eerste dagen na het bewezenverklaarde steeds flashbacks gehad en voelde zich erg vermoeid. Tot op heden heeft zij nog steeds wekelijks herbelevingen, nachtmerries en moeite met slapen. Ook heeft het slachtoffer na het incident meer last van suïcidaliteit en somberheid gekregen en is het automutileren verergerd. Zij gebruikt antidepressiva en volgt traumabehandeling. De rechtbank acht het dan ook aannemelijk dat het incident ingrijpende gevolgen voor het slachtoffer heeft (gehad). Voor de hoogte van het schadebedrag heeft de rechtbank de Rotterdamse Schaal als uitgangspunt genomen en gelet op het bewezenverklaarde aansluiting gezocht bij categorie “ontucht met binnendringen” (hoofdstuk 15.2) onder “tamelijk ernstig”. De rechtbank houdt rekening met de jonge leeftijd en kwetsbaarheid van de minderjarige, het grote leeftijdsverschil, dat verdachte geen condoom heeft gebruikt en de kwetsbare situatie waarin de minderjarige zich destijds bevond. Dit maakt dat de rechtbank een schadebedrag van € 5.000,- passend acht. Voor het overige deel van de vordering zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren. Dat deel kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Wettelijke rente

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop de schade is toegebracht, te weten in ieder geval op 26 juni 2025.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

Kostenveroordeling

Ook zal de rechtbank verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, nu er geen proceskosten zijn gevorderd tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

9. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36b, 36d, 36f, 57, 63 en 248 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10. Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit onder 02.079543.26;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Parketnummer 02.079543.26:

Subsidiair: Verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren;

Parketnummer 02.130098.26:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 (zesendertig) maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

Parketnummer 02.079543.26

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 5.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 26 juni 2025 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

Schadevergoedingsmaatregel

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer] , € 5.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 26 juni 2025 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 50 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Beslag

Parketnummer 02.079543.26

- verklaart aan het verkeer onttrokken de volgende voorwerpen:

* 147 STK Munitie met voorwerpnummer PL2000-2025166751-2973475.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Boogert, voorzitter, mr. L.E. Verschoor-Bergsma en mr. R. Combee, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Vork, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 september 2026.

Mr. Combee is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. L.W. Boogert
  • mr. L.E. Verschoor-Bergsma
  • mr. R. Combee

Griffier

  • mr. A.G. Vork

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand