RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 12296876 \ VV EXPL 26-57
Vonnis in kort geding van 4 september 2026
in de zaak van
STICHTING WONENBREBURG,
te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: WonenBreburg,
gemachtigde: mr. C.P. van den Berg,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
De zaak in het kort
Huurder erkent dat hij de huurovereenkomst heeft opgezegd en dat hij de woning momenteel zonder recht of titel onder zich houdt. De gevorderde ontruiming van de woning kan daarom in dit kort geding worden toegewezen. Ook erkent huurder dat sprake is van een huurachterstand die hij moet betalen, zodat de gevorderde betaling hiervan wordt toegewezen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in kort geding van 8 juli 2026 met producties,
de mondelinge behandeling van 21 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2. De feiten
WonenBreburg verhuurt de woning aan het [adres] met bijbehorende parkeerplaats sinds 21 februari 2020 aan [gedaagde]. De maandelijkse huurprijs voor de woning met parkeerplaats bedraagt € 762,68 per 1 juli 2026.
Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Huurvoorwaarden van WonenBreburg van 1 februari 2015 van toepassing. Hierin staat onder meer:
“13.2. Indien één van de partijen een uit hoofde van de overeenkomst of uit andere hoofde overeengekomen verschuldigd bedrag niet volledig en stipt op de vervaldag voldoet, dan verkeert deze partij direct vanaf de vervaldag in verzuim en is deze partij vanaf die dag de wettelijke rente verschuldigd.
(…)
Boete
Artikel 15
Indien één van de partijen enige bepaling uit deze Algemene Huurvoorwaarden overtreedt, is die partij verplicht ten behoeve van de andere partij een onmiddellijk opeisbare boete te betalen van € 25,- (niveau november 2013 geïndexeerd volgens de CBS Consumentenprijsindex, Alle Huishoudens) per kalenderdag met een maximum van € 15.000,-- verschuldigd, onverminderd de verplichting van die partij om alsnog overeenkomstig deze Algemene Huurvoorwaarden te handelen en onverminderd de overige rechten van de andere partij op schadevergoeding. Deze boete zal, zonder rechterlijke tussenkomst voor elke dag waarin de overtreding voortduurt, verschuldigd zijn.”.
In het verleden heeft [gedaagde] een huurachterstand laten ontstaan. Bij vonnis van 5 april 2023 is [gedaagde] veroordeeld tot betaling van een huurachterstand berekend tot en met januari 2023. [gedaagde] heeft na het vonnis van 5 april 2023 opnieuw een huurachterstand laten ontstaan.
Op 3 april 2026 heeft [gedaagde] de huurovereenkomst opgezegd tegen 4 mei 2026. WonenBreburg heeft de huuropzegging bij brief van 9 april 2026 bevestigd. In overleg hebben partijen de beëindiging van de huurovereenkomst verschoven van 4 mei 2026 naar 3 juni 2026. Op 3 juni 2026 heeft [gedaagde] de eindinspectie telefonisch geannuleerd.
Bij brief van 5 juni 2026 heeft WonenBreburg [gedaagde] gesommeerd om het gebruik van de woning te staken en deze uiterlijk 12 juni 2026 ontruimd te hebben.
Op 18 juni 2026 heeft de gemachtigde van WonenBreburg [gedaagde] nogmaals gesommeerd om de woning uiterlijk 22 juni 2026 voor 12:00 uur te hebben verlaten, omdat anders een gerechtelijke procedure zal worden opgestart.
3. Het geschil
WonenBreburg vordert – samengevat en na vermindering van eis op zitting - ontruiming van de woning aan het [adres] te [plaats], met veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een huurachterstand en een gebruiksvergoeding tot het moment van ontruiming, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
WonenBreburg legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] handelt onrechtmatig door de woning momenteel zonder recht of titel onder zich te houden na zijn huuropzegging.
[gedaagde] erkent dat hij de huurovereenkomst heeft opgezegd en dat er sprake is van een huurachterstand die hij moet betalen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Spoedeisend belang
Voldoende is gebleken dat WonenBreburg een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevorderde voorziening tot ontruiming van de woning. [gedaagde] houdt de woning momenteel zonder recht of titel onder zich en daarmee handelt [gedaagde] onrechtmatig tegenover WonenBreburg. Daarnaast is sprake van een forse huurachterstand die maar blijft oplopen.
Toetsingskader
Beoordeeld moet worden of het aannemelijk is dat de vorderingen in een bodemprocedure zullen worden toegewezen en of het gerechtvaardigd is om op toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd.
De kantonrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
Ontruiming
[gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat hij de huurovereenkomst heeft opgezegd en dat hij de woning nog niet heeft ontruimd. De reden hiervoor is dat hij de woning niet samen met zijn echtgenote kan ontruimen, omdat haar door WonenBreburg de toegang tot het complex is ontzegd. Ter zitting is met hem besproken dat hij de woning ook kan ontruimen zonder zijn echtgenote en bijvoorbeeld met hulp van anderen. [gedaagde] heeft aangegeven dat dit mogelijk is als hem een redelijke termijn van twee weken wordt gegeven.
Aangezien [gedaagde] heeft erkend dat hij de woning zonder recht of titel onder zich houdt, is voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat [gedaagde] de woning moet ontruimen. De gevorderde ontruiming zal in dit kort geding daarom worden toegewezen. De ontruimingstermijn wordt vastgesteld op de gevorderde zeven dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter acht dit een redelijke termijn, aangezien [gedaagde] vanaf de mondelinge behandeling tot aan het vonnis ook al twee weken de tijd heeft (gehad) om tot ontruiming over te gaan, zoals ter zitting met hem is besproken.
Huurachterstand en gebruiksvergoeding
[gedaagde] heeft erkend dat sprake is van een huurachterstand en dat hij voor de periode dat hij de woning onder zich houdt een gebruiksvergoeding verschuldigd is. Ook deze vorderingen worden toegewezen. Deze huurachterstand en (na beëindiging van de huurovereenkomst op 3 juni 2026) verschuldigde gebruiksvergoeding, berekend vanaf 5 april 2023 (datum van het eerdere vonnis) tot en met augustus 2026, bedraagt in totaal € 6.847,72. Verder is [gedaagde] de gebruiksvergoeding van € 762,68 per maand verschuldigd tot hij de woning heeft ontruimd.
Geen wettelijke rente
De gevorderde wettelijke rente over de huurachterstand wordt afgewezen, omdat sprake is van een oneerlijk beding in de algemene huurvoorwaarden. Op grond van artikel 13.2 van de algemene huurwaarden kan WonenBreburg wettelijke rente vorderen. Dit beding is op zichzelf niet oneerlijk, maar wel in combinatie met het boetebeding in artikel 15. Op grond van deze bedingen zou WonenBreburg in geval van niet tijdige huurbetaling door [gedaagde] rente én een boete in rekening kunnen brengen, terwijl [gedaagde] op grond van de wettelijke regeling uitsluitend wettelijke rente verschuldigd zou zijn. Hiermee wordt het evenwicht tussen de uit de huurovereenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van [gedaagde] verstoord. Het beding is daarom oneerlijk en wordt vernietigd.
Proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van WonenBreburg worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,02
- griffierecht
€
559,00
- salaris gemachtigde
€
577,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.433,02
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de woning en de bijbehorende parkeerplaats aan [adres] te [plaats] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van WonenBreburg zijn, en de sleutels af te geven aan WonenBreburg,
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan WonenBreburg:
a. a) € 6.847,72 aan achterstallige huur en gebruiksvergoedingen tot en met 1 augustus 2026,
b) € 762,68 per maand vanaf 1 september 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.433,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van 't Nedereind en in het openbaar uitgesproken op4 september 2026.