Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02.222796.25
Vonnis van de meervoudige kamer van 4 september 2026
[verdachte] ,
geboren te [plaats 1] op [geboortedag] 1994,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in
PI [adres] ,
raadsman mr. A.M.J. Joris, advocaat te Breda.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 augustus 2026, waarbij de officier van justitie E.M.H.B.C. van Aalst en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 25 juli 2025:
feit 1: een gebouw, te weten het pand van [grillroom] , heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt;
feit 2: een wapen en munitie voorhanden heeft gehad en
feit 3: [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [grillroom] heeft bedreigd door met een (vuur)wapen op het pand van [grillroom] te schieten.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten. Wel verzoekt zij verdachte partieel vrij te spreken van het onderdeel “ [grillroom] ” in feit 3.
Het standpunt van de verdediging
Door de verdediging is ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten vrijspraak bepleit nu er te weinig wettig en overtuigend bewijs is om te bewijzen dat het verdachte is geweest die op het bedrijfspand [grillroom] heeft geschoten. De verdediging stelt allereerst dat het niet voldoende duidelijk is geworden dat verdachte de persoon is die op de camerabeelden van het schietincident is te zien, ongeacht of hij die dag wel of niet in [plaats 2] zou zijn geweest. Zo is op de camerabeelden te zien dat de dader met zijn linkerhand schiet terwijl verdachte rechtshandig is. De verdediging is bovendien van mening dat de herkenningen van verdachte door zijn beide zussen substantieel bij de rechter-commissaris zijn ingetrokken en dus de eerder gedane herkenningen onbetrouwbaar zijn. Deze herkenningen zouden gebaseerd zijn op rancune jegens verdachte. De herkenningen door de wijkagent en de anonieme jongeren zijn verder geen zelfstandige bewijsmiddelen zoals bedoeld in artikel 342 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Ook is er van geen van de 4 monsters (van de aangetroffen munitie) een geschikt DNA-profiel verkregen, terwijl als het DNA van verdachte erop had gezeten, er onmiddellijk een treffer zou zijn geweest met zijn DNA in de databank. Tot slot heeft het (digitaal) onderzoek op/aan de telefoon van verdachte, de telefoontap en het onderzoek van de mastverkeergegevens geen bewijs opgeleverd. De verdediging verzoekt verdachte daarom van alle feiten vrij te spreken.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat in de nacht van 25 juli 2025 te [plaats 2] met een (vuur)wapen op [grillroom] is geschoten. In de winkelruit van de grillroom zaten hierna 2 barsten/gaten. Ook zijn ter plekke 3 hulzen en een kogelpatroon aangetroffen. Naar aanleiding van dit schietincident heeft de politie een onderzoek ingesteld. Uit de camerabeelden blijkt dat een persoon, geheel in het zwart gekleed, met een capuchon op en gezichtsbeharing met snor, op een zwarte elektrische step aan komt rijden. Hij stopt voor [grillroom] .
Op de camerabeelden is verder te zien dat deze persoon in zijn linkerhand een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft en deze met zijn rechterhand driemaal doorlaadt en driemaal in de richting van [grillroom] schiet. Op dat moment staat de persoon zo’n 3 tot 5 meter van het pand. De vader van de eigenaar van de [grillroom] , de heer [slachtoffer 2] , bevindt zich op dat moment in het bedrijfspand.
Het Nederlands Forensisch Instituut stelt na onderzoek van de 3 hulzen en kogelpatroon vast dat de resultaten van het indicatief onderzoek worden verwacht wanneer de 3 hulzen zijn verschoten met 1 wapen en dat de afvuursporen van de 3 hulzen worden verwacht wanneer deze zijn verschoten met een (semi)automatisch werkend pistool van het kaliber 9mm Parabellum, vermoedelijk een omgebouwd of aangepast (vuur)wapen waarvan het merk vuurwapen niet kan worden vastgesteld.
Is het verdachte die heeft geschoten?
De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of verdachte diegene is geweest die met een (vuur)wapen op [grillroom] heeft geschoten.
Op 7 augustus 2025 hebben de zussen van verdachte, te weten [zus 1] en [zus 2] , zich telefonisch bij de politie gemeld met de mededeling dat zij, na het zien van een nieuwsartikel met een foto van de verdachte van de schietpartij, de verdachte als hun broer herkennen. Zij delen verder aan de politie mee dat op zijn bankrekening te zien is dat hij op 25 juli 2025 om 13.18 uur heeft gepind bij de Tamoil in [plaats 2] . Zij verstrekken de politie het betreffende bankrekeningnummer en ook zijn, op dat moment bekende, telefoonnummer. Ook hebben zij van een familielid gehoord dat verdachte heeft bekend de feiten te hebben gepleegd en dat hij geld nodig heeft omdat mensen achter hem aan zitten. Zij omschrijven hun broer als een persoon met lange wimpers, lang en dun postuur en rechtshandig. De zussen hebben zich voor zijn veiligheid bij de politie gemeld, zodat hij vast zit en dat er niet nog een keer wordt geschoten. Zij hebben de melding uit zorg gedaan. Hij heeft volgens hen hulp nodig.
De rechtbank heeft kennisgenomen van hun latere verklaringen bij de rechter-commissaris, waarin is te lezen dat de herkenningen van de bovengenoemde getuigen worden bijgesteld. Bij het voorhouden van de foto van pagina 32 van het einddossier verklaart getuige [zus 2] op 8 april 2026 bij de rechter-commissaris dat zij dacht verdachte te zien, maar dat zij dit niet meer met zekerheid kan zeggen. De bewegende beelden van het schietincident wil zij liever niet zien. Getuige [zus 1] verklaart bij de rechter-commissaris dat zij op het moment van het melden bij de politie dacht dat verdachte de onbekende persoon op de foto was, maar na verloop van tijd is gaan twijfelen. Bij het voorhouden van dezelfde bovengenoemde foto verklaart zij dat zij verdachte niet op deze foto herkent. Hij heeft volgens haar nooit een snor gehad, wel een baardje, maar nooit een snor. Ze heeft spijt dat ze destijds de politie hebben gebeld en zegt: “Ja het is en blijft toch je broer. Wat hij in zijn privétijd doet moet hij zelf weten, tot op zekere hoogte. Ik ben van mening dat het niet aan mij is om erover te oordelen. Mocht het zo zijn dat hij vast komt te zitten door mij, zou ik mij schuldig voelen”. Op het voorhouden van de rechter-commissaris dat uit het dossier blijkt dat zij van een familielid gehoord zou hebben dat verdachte toe zou hebben gegeven dat hij hierachter zat doordat hij problemen had, geeft zij aan dat dat het dus is. Zij heeft dat via via gehoord. Toen zij destijds de foto zag heeft zij het een met het ander gekoppeld. Wanneer haar de beelden van het schietincident getoond worden zegt zei “als ik de beelden nu zie, denk ik dat is hij niet”. Beide zussen geven bij de rechter-commissaris aan dat zij de politie hebben gebeld omdat zij destijds bonje met verdachte hadden.
Betrouwbaarheid verklaringen
Deze latere bijstelling in de herkenningen door de zussen van verdachte betekent naar het oordeel van de rechtbank echter niet zonder meer dat de eerder door hen afgelegde verklaringen als onbetrouwbaar terzijde moeten worden geschoven en geen bewijswaarde meer hebben. Ten eerste stelt de rechtbank vast dat de zussen bij hun verklaring bij de politie niet alleen verdachte herkennen, maar dat zij meer informatie over verdachte hebben verstrekt waaronder zijn bankgegevens. Het door hen doorgegeven bankrekeningnummer is ook van verdachte gebleken en er hebben inderdaad een drietal pintransacties op 25 juli 2026 in [plaats 2] plaatsgevonden. Ook het door hen opgegeven telefoonnummer van verdachte blijkt op dat moment bij verdachte in gebruik te zijn. Voorts hebben zij de uiterlijke kenmerken toendertijd van verdachte goed beschreven. De zussen hebben verder niet alleen een ‘beschuldigende’ verklaring afgelegd maar zij hebben de melding vooral gedaan vanuit zorgen over verdachte en met name over zijn veiligheid.
Verder blijkt uit het dossier dat niet alleen de zussen van verdachte in die tijd zorgen hadden over de (veiligheid van) verdachte, maar zo ook de wijkagent, de heer Van Dalen. Deze wijkagent heeft in de afgelopen jaren veel contact met verdachte gehad in het kader van hulpverlening. Op maandag 15 september 2025 omstreeks 20.00 uur sprak hij met aantal personen in de wijk waarbij hem door een persoon is gevraagd waarom die zaak in [plaats 2] nog niet was opgelost. Bij navraag om welke zaak dat exact ging kreeg de wijkagent als antwoord de zaak waar bij grillroom door een persoon een aantal keren met een vuurwapen op het pand was geschoten. Deze persoon vertelde hem dat het niet goed ging met [verdachte] en dat hij hem voor 100% procent herkende. De andere jongens die daarom heen stonden bevestigden dit. Ook hier was het verzoek aan de politie vooral om verdachte te helpen. Bij het bekijken van de camerabeelden op het politiebureau gaf de wijkagent aan dat de persoon met de elektrische step, die op de grillroom schiet, overeenkomt met het signalement van verdachte.
De herkenningen door de zussen van verdachte staan dus niet op zichzelf. De rechtbank beoordeelt deze herkenningen in samenhang met overige bewijsmiddelen. Afgezien van de verklaring van de zussen bij de rechter-commissaris bevat het dossier geen contra-indicaties om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de zussen bij de politie te twijfelen, zodat deze voor het bewijs kan worden gebruikt. De rechtbank stelt bovendien vast dat de zussen niet op alle punten hun verklaringen hebben aangepast. Zus [zus 1] geeft aan dat zij via een familielid heeft gehoord dat het verdachte was. Maar ook zus [zus 2] komt niet volledig terug op de eerdere herkenning, in die zin dat zij aangeeft dit niet meer met zekerheid te kunnen zeggen. Het door [zus 1] gegeven signalement bij de rechter-commissaris blijkt bovendien niet te kloppen met de foto van verdachte in zijn paspoort en SKDB. De rechtbank acht het niet onaannemelijk dat de zussen bij de rechter-commissaris hebben geprobeerd om de verdenking jegens verdachte af te zwakken. Aan de bijgestelde verklaring van de zussen die zij bij de rechter-commissaris hebben afgelegd, gaat de rechtbank dus voorbij.
Digitaal onderzoek
Uit het digitaal onderzoek in de telefoon van verdachte is gebleken dat er chatberichten zijn tussen een [naam 1] en [naam 2] . Deze chat vindt plaats op verschillende datums en tijdstippen. Op 22 juli 2025, om 22.45 uur, is door [naam 2] gestuurd: “15 barkies" (barkie is in straattaal € 100,-). Op 25 juli 2025, om 16.04 uur is door [naam 2] gestuurd:" We spreken af bij” en om 16.33 uur: "Je was hem dit verschuldigd ofniet”.
Uit deze chatberichten blijkt dat verdachte 3 dagen voorafgaand aan en op de dag van het feit heeft gecommuniceerd met een tot nu toe onbekend persoon. De inhoud en het tijdsverloop zijn hierbij van belang. Bovengenoemde berichten, in samenhang met de overige bewijsmiddelen, passen bij het scenario dat verdachte opdracht heeft gekregen om de beschieting uit te voeren en hiervoor betaald krijgt. De verklaring van verdachte ter zitting dat dit chatgesprek om een verschuldigde betaling van een werkgever zou gaan, acht de rechtbank ongeloofwaardig.
Gelet op het voorgaande kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat het verdachte is geweest die met een (vuur)wapen op het pand [grillroom] heeft geschoten.
Feit 1: Beschadiging van het pand [grillroom]
De rechtbank acht op basis van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte degene is geweest die met een (vuur)wapen het bedrijfspand van [grillroom] heeft beschoten en zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan het hem onder 1 tenlastegelegde, de beschadiging van het bedrijfspand.
Feit 2: Het voorhanden hebben van een wapen van categorie II of III.
De rechtbank spreekt verdachte vrij van dit feit. Uit de camerabeelden blijkt dat verdachte een voorwerp heeft gebruikt waarmee op het bedrijfspand is geschoten. Het wapen is echter niet aangetroffen. De rechtbank kan verder op basis van het dossier niet vaststellen welke type wapen het betrof en of er sprake was van een wapen van categorie II of III van de Wet wapens en munitie.
Feit 3: Bedreiging van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en /of [grillroom] .
Door het schieten van verdachte op het pand van [grillroom] , terwijl [slachtoffer 2] , de vader van de eigenaar, in het pand aanwezig was, heeft de verdachte zich tevens schuldig gemaakt aan de hem onder 3 ten laste gelegde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van [slachtoffer 2] . Nu [slachtoffer 1] de eigenaar van [grillroom] is, acht de rechtbank tevens deze bedreiging jegens hem wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van [grillroom] overweegt de rechtbank als volgt. [grillroom] betreft een BV. Hiervoor geldt dat de voor strafbaarheid vereiste vrees aanwezig is indien bij voor de rechtspersoon relevante natuurlijke personen in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee de rechtspersoon is bedreigd, zou kunnen worden gepleegd. De rechtbank stelt vast dat dit misdrijf, namelijk de beschadiging onder feit 1, reeds heeft plaatsgevonden en daarmee heeft het gevaar zich al verwezenlijkt. De rechtbank zal verdachte dan ook voor dit onderdeel partieel vrijspreken.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op 25 juli 2025 te [plaats 2] opzettelijk en wederrechtelijk enig gebouw dat aan een ander toebehoorde, te weten het pand waarin [grillroom] is gehuisvest, heeft beschadigd.
3
op 25 juli 2025 te [plaats 2] [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met
- enig misdrijf tegen het leven gericht
door meermalen met een wapen te schieten op het pand waarin [grillroom] is gehuisvest.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. Destrafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging acht een voorwaardelijke straf met de bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, begeleid wonen en schuldenafbouw passend voor verdachte en verwijst daarvoor naar het strafadvies in het reclasseringsrapport van 21 mei 2026. Een lange onvoorwaardelijke vrijheidsstraf zou in het geval van verdachte niet proportioneel zijn, gelet op de aard van de tenlastelegging, de persoonlijke omstandigheden en de in het rapport genoemde beperkte recidiverisico.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, alsmede de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de beschieting van een bedrijfspand, waardoor het gebouw is beschadigd. Door het beschieten van het pand heeft de verdachte zich tevens schuldig gemaakt aan de bedreiging van de eigenaar van dit bedrijfspand, alsmede zijn vader die ten tijde van de beschieting in het pand aanwezig was. Er bestaat geen twijfel dat zij zich door het handelen van verdachte bedreigd hebben gevoeld. Het betreft een zeer intimiderende bedreiging, die in potentie tot een levensbedreigende situatie had kunnen leiden.
Het beschieten van gebouwen is aan de orde van de dag en heeft vaak tot doel personen te intimideren. Het behoeft geen uitleg dat dergelijke strafbare feiten ook sterke gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de maatschappij veroorzaken nu de beschieting op een openbare weg heeft plaatsgevonden. Dit alles wordt verdachte zwaar aangerekend.
De rechtbank neemt het verdachte daarbij verder kwalijk dat hij in het geheel geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen en tot en met het onderzoek ter terechtzitting heeft volgehouden de feiten niet te hebben gepleegd.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden verdachte
Strafblad
De justitiële documentatie van 19 mei 2026 bestaat uit 16 pagina’s, maar verdachte is niet recentelijk onherroepelijk veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Rapportage
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van de over de verdachte opgemaakte reclasseringsrapportage van Reclassering Nederland van 21 mei 2026,.
Gelet op de aard van het ten laste gelegde delict zouden volgens de reclassering eventuele risico verhogende factoren gelegen kunnen zijn in de leefgebieden financiën, sociaal netwerk en het psychosociaal functioneren waarbij bij het laatste gedacht kan worden aan het maken van verkeerde keuzes en het onvoldoende nadenken over zijn handelen en de gevolgen ervan.
Gezien de ontkennende houding van verdachte kan de reclassering het recidivegevaar niet inschatten. Gezien de justitiële voorgeschiedenis van betrokkene kunnen de risico’s niet uitgesloten worden, waarbij wel opgemerkt wordt dat het hierbij gaat om een grotendeels gedateerd Uittreksel van Justitiële Documentatie. Het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als gemiddeld. Verdachte heeft op zitting aangegeven hulp van de reclassering nodig te hebben. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden, zoals o.a. verblijf begeleid wonen, dagbesteding en aflossing schulden.
Conclusie van de rechtbank
Gelet op de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de gevolgen voor de slachtoffers, zoals hiervoor uiteengezet, is de rechtbank van oordeel dat niet met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan worden volstaan. Wat betreft de hoogte van deze op te leggen gevangenisstraf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij straffen die worden opgelegd in vergelijkbare zaken. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met het feit dat de bewezenverklaarde gedragingen een samenhangend, op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren waarvan verdachte in wezen één verwijt wordt gemaakt.
Uit het strafblad blijkt ook dat ten aanzien van een deel van de feiten artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van toepassing is. Omdat het gewicht van deze strafbeschikkingen beperkt is, leidt dit er niet toe dat de rechtbank een andere straf zal opleggen dan dat de rechtbank zou hebben gedaan als artikel 63 Sr niet van toepassing was geweest.
Alles afwegend acht de rechtbank, conform de eis van de officier van justitie, een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. De vorderingen van de benadeelde partijen
Benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een immateriële schadevergoeding van € 5.000, - te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor feit 3.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Gelet op de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank vergoeding van de door de benadeelde gevorderde schadevergoeding een bedrag van € 1.500, - voor de immateriële schade, billijk. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot toewijzing van het gevorderde bedrag zouden kunnen leiden niet voldoende vast staan nu (de omvang van) de schade onvoldoende is onderbouwd. Verdere behandeling van dat deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een immateriële schadevergoeding van € 3.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor feit 3.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 1.000, - voor immateriële schade nu hij niet, zoals de benadeelde partij [slachtoffer 2] , ten tijde van de beschieting, in het pand aanwezig was. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot toewijzing van het gevorderde bedrag zouden kunnen leiden niet voldoende vast staan nu (de omvang van) de schade onvoldoende is onderbouwd. Verdere behandeling van dat deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Benadeelde partij [grillroom]
De benadeelde partij [grillroom] B.V vordert voor feit 3 een schadevergoeding van € 106.354,26, bestaande uit materiele schade.
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende kan worden vastgesteld dat de gevorderde schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde feit. Uit het dossier volgt dat voorafgaand en na het ten laste gelegde feit incidenten hebben plaatsgevonden die mede hebben geleid tot de sluiting van het pand. De gevorderde schade kan daarom niet zonder meer uitsluitend aan het bewezenverklaarde feit worden toegerekend. De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard nu de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
In de toegewezen vorderingen van benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 25 juli 2025.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b 14c, 36f, 55, 63, 285 en 352 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. Beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
eendaadse samenloop van
feit 1: opzettelijk en wederrechtelijk enig gebouw dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen:
feit 3: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
-dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met betrokkene opnemen voor de eerste afspraak;
-dat verdachte gedurende de proeftijd verblijft bij Iriszorg te [plaats 1] of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
-dat verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur;
- dat verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Betrokkene geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
- dat verdachte meewerkt aan hulp bij praktische zaken door een hiervoor aangewezen organisatie, te bepalen door de reclassering. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen van die organisatie;
van rechtswege gelden de volgende voorwaarden:
- dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt:
- dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde/voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Benadeelde partijen
T.a.v. feit 3
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 1.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 25 juli 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer 2] , € 1.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 25 juli 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 15 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 1.000, - aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 25 juli 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer 1], € 1.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 25 juli 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 10 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
- verklaart de benadeelde partij [grillroom] BV niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Faouzi, voorzitter, mrs. D.H. Hamburger en J.F.C. Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Andraws, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 september 2026.
De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1hij op of omstreeks 25 juli 2025 te [plaats 2] opzettelijk en wederrechtelijk enig gebouw dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten het pand waarin [grillroom] is gehuisvest, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of onklaar gemaakt.(art. 352 Wetboek van Strafrecht)
2hij op of omstreeks 25 juli 2025 te [plaats 2] een wapen van categorie II onder 1, 2, 3 of 4 van de Wet wapens en munitie of een vuurwapen van categorie III onder 1 of 4 van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad;(art. 26 lid 1 Wet wapens en munitie
3hij op of omstreeks 25 juli 2025 te [plaats 2] [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of " [grillroom] " heeft bedreigd met- enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstond,- enig misdrijf tegen het leven gericht en/of- zware mishandeling, door meermalen, in elk geval eenmaal, met een wapen te schieten op het pand waarin [grillroom] is gehuisvest;(art. 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht)