ECLI:NL:RBZWB:2026:8531

ECLI:NL:RBZWB:2026:8531

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 04-09-2026
Datum publicatie 04-09-2026
Zaaknummer 02-305437-25; 02-346245-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee keer een mishandeling van een ambtenaar, een bedreiging en een poging tot mishandeling. Aan hem wordt opgelegd een gevangenisstraf van 4 maanden en een TBS met voorwaarden.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummers: 02-305437-25; 02-346245-25

Parketnummer TUL: 02-287266-24

Vonnis van de meervoudige kamer van 4 september 2026

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in [verblijfplaats] ,

raadsman mr. R.T.A.G. Keller, advocaat te Tilburg.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 augustus 2026, waarbij de officier van justitie mr. J.J. Peerboom en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.

2. De tenlastelegging

De tenlasteleggingen zijn gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De tenlasteleggingen zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

02-305437-25

op 12 november 2025:

feit 1: politieagent [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) heeft mishandeld;

feit 2: de minderjarige [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) heeft bedreigd met de dood en/of zware mishandeling;

feit 3: primair heeft geprobeerd de minderjarige [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel subsidiair die minderjarige [slachtoffer 2] heeft mishandeld.

02-346245-25

op 8 december 2025 ambtenaar [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) heeft mishandeld.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle ten laste gelegde feiten in de zaak met parketnummer 02-305437-25 wettig en overtuigend bewezen. Voor feit 3 geldt dat het onder het primair tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. In de zaak met parketnummer 02-346245-25 kan het ten laste gelegde feit ook wettig en overtuigend worden bewezen, met uitzondering van het slaan van aangever [slachtoffer 3] .

Het standpunt van de verdediging

02-305437-25

Ten aanzien van de mishandeling van [slachtoffer 1] en de bedreiging van [slachtoffer 2] wordt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Met uitzondering van de bedreigende bewoordingen “ik ga je vermoorden”, hiervan dient verdachte partieel te worden vrijgesproken.

Van de primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2] moet verdachte worden vrijgesproken. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte met zijn handelen daadwerkelijk een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven heeft geroepen en dat hij deze kans ook bewust heeft aanvaard. Ten aanzien van de subsidiair tenlastegelegde mishandeling van [slachtoffer 2] refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

02-346245-25

Voor de bewezenverklaring van de ten laste gelegde mishandeling van [slachtoffer 3] wordt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Met dien verstande dat het strafverzwarende aspect dat de mishandeling zou zijn begaan tegen een ambtenaar in functie niet kan worden aangenomen.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Parketnummer 02-305437-25

Feit 1: Mishandeling [slachtoffer 1]

Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 12 november 2025 verbalisant [slachtoffer 1] heeft mishandeld.

Feit 2: Bedreiging [slachtoffer 2]

Verdachte bekent op 12 november 2025 in Tilburg [slachtoffer 2] te hebben bedreigd door dreigend tegen hem te zeggen “dat er iets slechts met hem zou gebeuren”. Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank de bedreiging van [slachtoffer 2] dan ook wettig en overtuigend bewezen. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het dossier voor de ten laste gelegde woorden “ik ga je vermoorden” onvoldoende bewijs bevat, zodat verdachte daarvan partieel zal worden vrijgesproken.

Feit 3 primair: Poging tot zware mishandeling [slachtoffer 2]

Aangever verklaart bij de politie dat hij door verdachte met beide handen bij zijn keel is vastgepakt, zodanig dat hij geen lucht kreeg en vervolgens door verdachte - met beide handen nog steeds om zijn keel - is meegesleept, waarna hij tegen een muur is gezet. Pas op het laatste moment kreeg hij weer wat meer lucht. Verdachte geeft over het incident bij de politie aan dat hij aangever een beetje stevig heeft aangepakt. Ter zitting vertelt hij dat hij aangever bij de kraag van zijn jas heeft vastgepakt en bevestigt hij dat hij hem vervolgens over straat heeft gesleept en tegen de muur heeft gezet. Door de forensisch arts zijn in de hals van aangever donkere huidverkleuringen geconstateerd en daarbij heeft aangever verteld twee dagen last te hebben gehad van slikklachten.

De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de verdachte vol opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangever.

De vraag is dus of uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van aangever.

In de hals van een mens bevinden zich onder meer vitale bloedvaten en de luchtpijp. Het is dan ook een feit van algemene bekendheid dat het dichtknijpen van de keel zuurstofgebrek en hersenbeschadiging tot gevolg kan hebben. Dat verdachte aangever met kracht bij zijn keel heeft vastgepakt en vervolgens heeft meegesleept, blijkt uit de huidverkleuringen in de hals van aangever, dat aangever geen lucht kreeg en hij na twee dagen nog last had van slikproblemen. Daarmee is, naar het oordeel van de rechtbank, de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel gegeven. Door zijn handelen heeft verdachte ook bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Omdat de handelingen van de verdachte niet daadwerkelijk tot zwaar letsel bij aangever hebben geleid, is sprake van een poging. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2] .

Parketnummer 02-346245-25

Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 8 december 2025 [slachtoffer 3] heeft mishandeld. Anders dan de officier komt de rechtbank hierbij tot een bewezenverklaring van alle uitvoeringshandelingen.

De rechtbank ziet zich vervolgens geplaatst voor de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het mishandelen van een ambtenaar. Op grond van vaste rechtspraak is een ambtenaar iemand die door het openbaar gezag is aangesteld in een openbare betrekking om een deel van de taak van de staat of van zijn organen te verrichten. Onder ambtenaar is tevens begrepen degene die onder toezicht en verantwoording van de overheid is aangesteld in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd. De Hoge Raad (HR) heeft bepaald (vgl. ECLI:NL:2026:1362) dat het een correcte juridische zienswijze is om verpleegkundigen, die in het kader van de Wet Verplichte Geestelijke Gezondheidszorg (Wvggz) in een GGZ-instelling hun werkzaamheden uitvoeren, aan te merken als ‘ambtenaar’ zoals hierboven beschreven. Dit omdat hun taken van overheidswege zijn bepaald en hun werkzaamheden worden uitgevoerd onder toezicht, controle van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd.

Verdachte werd behandeld bij [GGZ-instelling] in het kader van bijzondere voorwaarden verbonden aan een schorsing van de voorlopige hechtenis. Hij bevond zich daarmee in een strafvorderlijk kader en op basis van een forensische titel in deze GGZ-kliniek. Weliswaar is dit (strafrechtelijk) kader opgelegd vanuit andere wetgeving dan de Wvggz, doch ook deze GGZ-medewerkers voeren een taak uit die van overheidswege bepaald is en ook hun werkzaamheden worden uitgevoerd onder toezicht. De GGZ-medewerkers die deze taak uitvoeren in het kader van een schorsing zijn naar het oordeel van de rechtbank ook aan te merken als ambtenaren in de zin van artikel 304 lid 1, aanhef onder 3 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Aangever [slachtoffer 3] kan dan ook als ambtenaar worden aangemerkt. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van deze strafverzwarende omstandigheid

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in de zaak met parketnummer 02-305437-25:

1.

op 12 november 2025 te Tilburg, [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1] meermalen, met kracht te slaan tegen het gezicht en hoofd, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar (een agent van politie Zeeland - West-Brabant), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

2.

op 12 november 2025 te Tilburg [slachtoffer 2] heeft bedreigd met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "dat er iets slechts met hem zou kunnen gebeuren”;

3.

primair:

op 12 november 2025 te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- die [slachtoffer 2] stevig bij de keel heeft vastgepakt en in de keel heeft geknepen,

- vervolgens die [slachtoffer 2] heeft meegesleept en

- met kracht tegen een muur heeft geduwd

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

in de zaak met parketnummer 02-346245-25:

op 8 december 2025 te Halsteren, een ambtenaar, te weten [slachtoffer 3] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 3]

- eenmaal met kracht te slaan in het gezicht en

- met kracht vast te pakken aan zijn gezicht en

- te krabben in het gezicht en

- met kracht met zijn, verdachtes, vinger te prikken in en rondom het oog

terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 4 maanden met aftrek van voorarrest. Daarnaast vordert hij oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden, met daaraan verbonden alle voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd (met uitsplitsing van de bijzondere voorwaarde van begeleid wonen) en de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan. Ook dient aan verdachte te worden opgelegd de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr (hierna: GVM). Verder is verzocht de voorlopige hechtenis te schorsen met ingang van het moment dat verdachte wordt opgenomen in een zorginstelling onder dezelfde voorwaarden die aan de tbs zijn gekoppeld.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt bij een bewezenverklaring om verdachte een gevangenisstraf op te leggen, waarvan een deel voorwaardelijk met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden en een proeftijd van 3 jaar. Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf dient daarbij de duur van het voorarrest niet te overstijgen. Verder geeft de raadsman de rechtbank in overweging om ambtshalve over te gaan tot toepassing van artikel 2.3 Wet Forensische Zorg (hierna: Wfz). De oplegging van een GVM acht de verdediging niet noodzakelijk nu er andere, minder zwaarwegende, alternatieven voorhanden zijn zoals toepassing van de Wvggz na ommekomst van een mogelijke straf.

Het oordeel van de rechtbank

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling, een bedreiging van een minderjarig slachtoffer en tweemaal mishandeling van een ambtenaar. Verdachte heeft het minderjarige slachtoffer van zijn fiets getrokken, met kracht bij zijn keel gepakt, over straat meegesleept en tegen een muur geduwd. Daarbij is het minderjarig slachtoffer door hem bedreigd. Voor dit jonge slachtoffer is dit bijzonder beangstigend geweest. Een vreemde man, die hij totaal niet kent, pleegt vanuit het niets dit geweld. Wanneer de politie ter plaatse komt volgt er een fysieke confrontatie waarbij verdachte een agent mishandelt. Kort daarna mishandelt verdachte een medewerker van [GGZ-instelling] , waar verdachte verblijft in het kader van zijn schorsingsvoorwaarden. Door zo te handelen heeft hij ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Algemene ervaringsregels leren dat slachtoffers van een dergelijk feit nog een lange tijd de psychische gevolgen daarvan ondervinden.

Persoon van verdachte

Uit het strafblad van verdachte van 30 juni 2026 blijkt dat hij eerder is veroordeeld, waaronder voor meerdere bedreigingen en overtreding van een gedragsaanwijzing. Verdachte liep ten tijde van de delicten op 12 november 2025 in een proeftijd met daaraan bijzondere voorwaarden gekoppeld (02-287266-24). Bij het delict op 8 december 2025 liep verdachte in een schorsing van de voorlopige hechtenis met daaraan ook voorwaarden verbonden (02-245037-25). De eerdere veroordelingen en schorsingsvoorwaarden hebben verdachte niet weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Uit het psychiatrisch en psychologisch onderzoek naar verdachte is gebleken dat verdachte lijdt aan schizofrenie en een stoornis in cannabisgebruik. Verdachte functioneert op lichtverstandelijk beperkt niveau en daarbij is er sprake van antisociaal gedrag en cognities. De stoornissen waren door hun chronische karakter aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Tevens was er sprake van een psychose in het kader van voornoemde schizofrenie. De pro-justitia rapporteurs achten het aannemelijk dat de ziekelijke stoornis van verdachte op het psychische functioneren en het gedrag van invloed zijn geweest. Het gebruik van cannabis en de psychose hebben de drempel naar agressief gedrag verlaagd door de algehele cognitieve en gedragsmatige ontregeling, met daarbij een toename van vijandigheid en een afname van copingvaardigheden, frustratietolerantie en impulscontrole. Ook paranoïde wanen hebben in een rol gespeeld in de ten laste gelegde feiten. Daarom wordt geadviseerd om de feiten verminderd aan hem toe te rekenen. De rechtbank neemt deze conclusies over en stelt vast dat de feiten verminderd aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Verder volgt uit de rapporten dat het risico op recidive, ook voor delicten met ernstig lichamelijk letsel, hoog is als er geen behandeling volgt. Het risico op gewelddadig gedrag wordt in belangrijke mate bepaald door de schizofrenie, een verleden van afhankelijkheid van cannabis, de cognitieve beperkingen, het ontbreken van adequate coping en het snel afglijden met onvoorspelbare explosief agressieve escalaties. Daarom is een specialistische geïntegreerde behandeling nodig, waarin medische, gedragsmatige en psychosociale interventies worden gecombineerd binnen een klinisch en gestructureerd kader in een instelling die gespecialiseerd is in zorg voor mensen met een licht verstandelijke beperking. Hiervoor achten de rapporteurs een tbs met voorwaarden het meest aangewezen kader. Verdachte geeft aan open te staan voor medicatie en elke andere vorm van behandeling/begeleiding. Een licht verstandelijk beperkte benadering is nog niet geprobeerd. Daarom moeten in de komende periode de resultaten en effecten van een dergelijk traject binnen een tbs-kader met voorwaarden worden bekeken.

Het reclasseringsrapport van 12 juni 2026 is van gelijke strekking als de pro-justitia

rapportage. De reclassering adviseert positief over een tbs met voorwaarden. Verdachte heeft zich bereid verklaard om mee te werken aan de voorwaarden. Als belangrijkste risicofactor wordt de schizofrenie gezien. Verdachte is bereid hiervoor depotmedicatie te gebruiken en behandeling te ondergaan.

Oplegging tbs met voorwaarden

De rechtbank stelt vast dat wordt voldaan aan de eisen die de wet stelt aan oplegging van de tbs. Bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van de feiten een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Op de gepleegde feiten zijn gevangenisstraffen van meer dan vier jaren gesteld. Daarnaast eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel, omdat bij verdachte sprake is van een ernstige stoornis en er in de toekomst opnieuw gewelddadig gedrag kan plaatsvinden, indien de stoornis niet langdurig en intensief wordt behandeld.

Ook aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit wordt voldaan. Allereerst stelt de rechtbank vast dat eerdere (minder zwaarwegende) strafrechtelijke interventies niet hebben geleid tot het stoppen van delictgedrag bij verdachte. Ondanks de begeleiding, het toezicht door de reclassering en de behandeling bij Fivoor in het kader van bijzondere voorwaarden (vonnis parketnummer 02-287266-24) en dezelfde soort begeleiding in het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis (parketnummer 02-245037-25) hebben er nieuwe delicten plaatsgevonden. Daarnaast hebben de deskundigen gemotiveerd uiteengezet waarom een civielrechtelijk kader (op basis van art. 2.3 Wfz) niet afdoende is. Een zorgmachtiging is ontoereikend gezien de problematiek bij verdachte en het hoge recidiverisico.

Gelet op de bevindingen van de pro-justitia rapporteurs en de reclassering is de rechtbank dan ook van oordeel dat oplegging van de tbs ook noodzakelijk is. Er is dan een stevig kader waarin een langdurige behandeling van verdachte kan plaatsvinden. En mocht verdachte toch niet mee willen werken aan de behandeling, dan kan gekeken worden naar een eventuele omzetting van de tbs. Dit in tegenstelling tot een behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden waarbij enkel ‘getuld’ kan worden als iemand niet meewerkt en de behandeling dan stopt. De rechtbank zal de tbs dan ook aan verdachte opleggen. Aan de tbs zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde en in het dictum nader omschreven voorwaarden verbinden. De rechtbank merkt hierbij op dat zij, zoals aangegeven door de officier van justitie de voorwaarde met betrekking tot het begeleid wonen als aparte voorwaarde zal opnemen.

Vanwege het hoge recidiverisico en de noodzaak van behandeling in een kliniek, zal de rechtbank, op grond van artikel 38 lid 6 Sr, bevelen dat de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding om, naast de tbs met voorwaarden, ook een GVM op te leggen.

Oplegging gevangenisstraf

De rechtbank is van oordeel dat aan verdachte, naast de tbs met voorwaarden, ook een straf moet worden opgelegd. Gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een gevangenisstraf. Bij het bepalen van de hoogte van de straf houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en met het feit dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte wordt toegerekend. Alles afwegend acht de rechtbank de door de officier gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Schorsing van de voorlopige hechtenis

Zoals hiervoor overwogen zal de rechtbank verdachte een gevangenisstraf van 4 maanden opleggen en de tbs met voorwaarden. De tbs met voorwaarden is dadelijk uitvoerbaar. Een van de voorwaarden is dat verdachte zich laat opnemen in een nader te bepalen zorginstelling (FPK, FPA). De reclassering heeft op de zitting medegedeeld dat op dit moment nog geen plaats is in de beoogde kliniek ([kliniek] FPK Amsterdam) en dat de Divisie Individuele Zaken (DIZ) niet kan garanderen dat er na de gevangenisstraf meteen (aansluitend op detentie) een overbruggingsplek beschikbaar is. Daarom overweegt de rechtbank in het kader van de voorlopige hechtenis het volgende.

Artikel 72 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) bepaalt dat bij alle einduitspraken het bevel voorlopige hechtenis wordt opgeheven, indien, ter zake van het feit waarvoor dat bevel is verleend, aan de verdachte noch een vrijheidsstraf van langere duur dan de reeds door hem in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, noch een maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt of kan medebrengen, onvoorwaardelijk is opgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat met de oplegging van de tbs sprake is van oplegging van een maatregel die vrijheidsbeneming kan medebrengen. De rechtbank is daarom niet gehouden het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. In plaats daarvan zal de rechtbank de voorlopige hechtenis schorsen. Het met onmiddellijke ingang opheffen van dat bevel zou leiden tot een periode waarin verdachte onbehandeld terugkeert in de samenleving en effectieve handhaving van de gestelde voorwaarden onvoldoende zeker gesteld kan worden. De rechtbank zal daarom het bevel tot voorlopige hechtenis schorsen (onder dezelfde voorwaarden als gesteld in het kader van artikel 38 Sr) met ingang van het moment dat verdachte zal worden opgenomen in de Forensisch Psychiatrische Kliniek [kliniek], dan wel een ander geïndiceerde kliniek, dan wel een tijdelijke overbruggingskliniek. De rechtbank is zich ervan bewust dat dat betekent dat verdachte, ook als er geen beroep wordt ingesteld, mogelijk na het einde van zijn gevangenisstraf enige tijd in voorarrest zal verblijven in afwachting van een geschikte plaats. Hoewel dat langere verblijf in voorarrest dienstig is aan de noodzakelijk geachte afdoening, is de rechtbank zich bewust van de voor verdachte onwenselijke gevolgen daarvan op korte termijn. De rechtbank verzoekt daarom met klem de bij plaatsing, behandeling en tenuitvoerlegging betrokken instanties al het redelijkerwijs mogelijke in het werk te stellen om verdachte op zo kort mogelijke termijn te laten opnemen.

7. Het beslag

Ten aanzien van het in beslag genomen geld wordt een last gegeven tot teruggave aan verdachte.

8. De vorderingen van de benadeelde partijen

Vordering van [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 2.645,-, bestaande uit € 35,- aan materiële schade en € 2.610,- aan immateriële schade.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het onder parketnummer 02-305437-25 onder 1 ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

Uit de gevoegde stukken bij de vordering blijkt dat de benadeelde partij € 28,95 heeft betaald voor 1 ticket voor de Zevenheuvelenloop. Deze schade is voldoende onderbouwd en een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal het bedrag van € 28,95 dan ook toewijzen. Ten aanzien van de overige gevorderde materiële kosten zal de vordering worden afgewezen.

De door de benadeelde gevorderde vergoeding van immateriële schade acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 1.000,-, gelet op de onderbouwing en de hoogte van de schadevergoedingen die in min of meer vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal de vordering van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 12 november 2025. De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

Vordering van [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 2.500,-, bestaande uit immateriële schade.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte de onder parketnummer 02-305437-25 onder 2 en 3 primair ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

De door de benadeelde gevorderde vergoeding van immateriële schade acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 1.000,-, gelet op de onderbouwing en de hoogte van de schadevergoedingen die in min of meer vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank zal de vordering van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 12 november 2025. De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

Vordering van [slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert een schadevergoeding van € 1.850,69, bestaande uit € 1.270,69 aan materiële schade en € 580,- aan immateriële schade.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het onder parketnummer 02-346245-25 ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

De door de benadeelde gevorderde schade van € 5,73, inhoudende de reiskosten naar de huisartsenpost acht de rechtbank toewijsbaar. Het causale verband tussen het delict en de gevorderde kosten ten aanzien van het coachingstraject is onvoldoende onderbouwd en komen niet voor toewijzing in aanmerking. Dit geldt ook voor de reiskosten naar het politiebureau. De rechtbank zal dit deel van de vordering dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

De door de benadeelde gevorderde vergoeding van immateriële schade van € 580,- acht de rechtbank toewijsbaar gelet op de onderbouwing en de hoogte van de schadevergoedingen die in min of meer vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 8 december 2025. De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

9. De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter te Breda van 10 december 2024 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

10. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 38, 38a, 45, 57, 285, 300, 302, 304 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11. Beslissing

Strafoplegging

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

02-305437-25

feit 1: mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

feit 2: bedreiging met zware mishandeling;

feit 3 primair: poging tot zware mishandeling;

02-346245-25

mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Maatregel

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte en stelt daarbij als voorwaarden:

1. Verdachte maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;

2. Verdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:

* Verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;

* Verdachte laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van verdachte vast te stellen;

* Verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan

aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te

helpen bij het naleven van de voorwaarden;

* Verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;

* Verdachte werkt mee aan huisbezoeken;

* Verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling

door andere instellingen of hulpverleners;

* Verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;

* Verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die

contact hebben met verdachte, als dat van belang is voor het toezicht;

3. Als de reclassering dat nodig vindt en verdachte daarmee instemt, kan verdachte voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;

4. Verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering;

5. Verdachte laat zich gedurende de maatregel, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, opnemen in en behandelen door een nader te bepalen zorginstelling (FPK, FPA), te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de problematiek zoals door de gedragsdeskundigen en/of behandelaar nodig wordt bevonden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. De opname start aansluitend aan detentie.

Indien plaatsing in de nader te bepalen zorginstelling (FPK) nog niet aansluitend aan de detentie kan plaatsvinden, dient de voor de plaatsing verantwoordelijke instantie voor overbruggingszorg te regelen in een soortgelijke instelling;

6. Verdachte werkt mee aan begeleid wonen of maatschappelijke opvang. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

7. Verdachte laat zich behandelen door een nog nader te bepalen zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start aansluitend op de klinische paatsing. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;

8. Verdachte gebruikt geen alcohol en verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

- beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is;

Benadeelde partijen

02-305437-25

T.a.v. feit 1:

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 1.028,95 waarvan € 28,95 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 november 2025 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- wijst af een bedrag van € 57,90 aan materiële kosten;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer 1] € 1.028,95 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 november 2025 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 10 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

T.a.v. feiten 2 en 3:

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 1.000,-, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 november 2025 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer 2] € 1.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 november 2025 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 10 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

02-346245-25

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van € 585,73 waarvan € 5,73 aan materiële schade en € 580,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 december 2025 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer 3] € 585,73 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 december 2025 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 5 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp te weten:

€ 200,-;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 10 december 2024 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 02-287266-24 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf van 2 maanden;

Voorlopige hechtenis

- schorst de voorlopige hechtenis met ingang van het moment waarop verdachte wordt opgenomen in de Forensisch Psychiatrische Kliniek [kliniek] of een ander geïndiceerde kliniek of een tijdelijke overbruggingskliniek. Aan deze schorsing zijn dezelfde voorwaarden verbonden zoals hiervoor bij de opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.C. Janssen, voorzitter, en mrs. D.H. Hamburger en

H. Faouzi, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.T.C.J.M. de Jongh, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 september 2026.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlasteleggingen

02-305437-25

1.

hij op of omstreeks 12 november 2025 te Tilburg, [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met kracht te slaan tegen het gezicht en/of hoofd, in elk geval tegen het lichaam, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar (een agent van politie Zeeland - West-Brabant), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

(art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 304 lid 1 ahf/sub 3° Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 12 november 2025 te Tilburg [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "ik ga je vermoorden" en/of "dat er iets slechts met hem zou kunnen gebeuren" , althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

(art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 12 november 2025 te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- die [slachtoffer 2] stevig bij de keel heeft vastgepakt en/of in de keel heeft geknepen,

- ( vervolgens) die [slachtoffer 2] heeft meegesleept en/of

- met kracht tegen een muur heeft geduwd

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art 302 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden

hij op of omstreeks 12 november 2025 te Tilburg [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] met kracht stevig bij de keel vast pakken en/of te knijpen in de keel en/of aan zijn keel mee te slepen en/of met kracht tegen een muur te slepen en/of te drukken.

(art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

02-346245-25

hij op of omstreeks 8 december 2025 te Halsteren, gemeente Bergen op Zoom, een ambtenaar, te weten [slachtoffer 3] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 3]

- een of meerdere malen met kracht te slaan in/tegen het gezicht en/of

- met kracht vast te pakken aan zijn gezicht en/of

- te krabben/krassen in het gezicht en/of

- met kracht met zijn, verdachtes, vinger te prikken in en/of rondom het oog

terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening.

(art 304 lid 1 onder 3 Wetboek van Strafrecht)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand