RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11988282 \ CV EXPL 25-6121
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
RABO DIRECT FINANCIERING B.V., voorheen genaamd De Lage Landen Financiering B.V., handelend onder de naam Freo,
te Eindhoven ,
eisende partij,
hierna te noemen: Rabo ,
gemachtigde: Vesting Finance Incasso B.V. handelend onder de naam Vesting Finance,
tegen
1. [gedaagde 1] ,
te [plaats] ,2. [gedaagde 2],
te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [de gedaagden] ,
procederend in persoon.
1. De zaak in het kort
Rabo heeft een kredietovereenkomst gesloten met [de gedaagden] . [de gedaagden] hebben meer dan twee maanden een termijnbedrag niet betaald. Rabo heeft [de gedaagden] in gebreke gesteld, maar zij hebben niet betaald. Rabo heeft haar hele vordering op [de gedaagden] opgeëist. Rabo stelt dat haar vordering € 36.976,74 bedraagt, maar in deze procedure beperkt zij haar vordering tot € 12.500,00. De kantonrechter oordeelt dat [de gedaagden] het bedrag van € 12.500,00 aan Rabo moeten betalen. De kantonrechter legt dit oordeel hierna uit.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 november 2025 met de daarin genoemde stukken,
- de conclusie van antwoord van 3 december 2025,- de conclusie van repliek van 7 januari 2026 met de daarin genoemde stukken,- de conclusie van dupliek van 4 februari 2026.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3. De feiten
Rabo is een aanbieder van consumentenkredieten.
Rabo heeft op 11 juni 2010 met [de gedaagden] een kredietovereenkomst gesloten voor een bedrag van maximaal € 40.000,00.
In de kredietovereenkomst staat dat [de gedaagden] voor het krediet een bedrag van € 800,00 per maand moeten terugbetalen aan Rabo . In de kredietovereenkomst is ook bepaald dat de algemene voorwaarden van Rabo van toepassing zijn.
In artikel 5 van de algemene voorwaarden is vermeld dat de kredietnemers hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de betaling van de hele vordering van Rabo . Daarnaast is in artikel 13 van de algemene voorwaarden opgenomen dat Rabo haar vordering in een aantal gevallen direct kan opeisen. Een van die situaties is, als [de gedaagden] ten minste twee maanden een vervallen termijnbedrag niet hebben voldaan en ondanks ingebrekestelling niet alsnog zijn overgegaan tot betaling.
4. Het geschil
Rabo vordert - samengevat - veroordeling van [de gedaagden] tot betaling van € 12.500,00, vermeerderd met rente en kosten.
Rabo legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [de gedaagden] zijn meer dan twee maanden achterstallig gebleven in de betaling van een termijnbedrag. Rabo heeft [de gedaagden] in gebreke gesteld, maar [de gedaagden] hebben niet betaald. Rabo heeft op grond van artikel 13 van de algemene voorwaarden haar hele vordering opgeëist. Haar vordering bedraagt € 36.976,74. Voor zover er geoordeeld wordt dat de kredietovereenkomst vernietigd wordt, heeft Rabo € 14.347,53 onverschuldigd betaald aan [de gedaagden] . Hoewel haar vordering in beide gevallen hoger is, vordert Rabo in deze procedure betaling van € 12.500,00 Waarbij zij zich het recht voorbehoud om in een later stadium het restant van de hoofdsom en wettelijke rente te vorderen.
[de gedaagden] voeren verweer. [de gedaagden] concluderen tot afwijzing van de vorderingen van Rabo .
[de gedaagden] voeren het volgende aan. Rabo heeft haar vordering onvoldoende onderbouwd. De administratie van Rabo bevat inconsistenties. Als de kantonrechter toch (een deel van) de vordering toewijst, bedraagt de rente € 0,00 en moet de hoofdsom gematigd worden.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
De vordering tot betaling van € 12.500,00 door [de gedaagden] wordt toegewezen
De kantonrechter oordeelt dat [de gedaagden] € 12.500,00 aan Rabo moeten betalen. De kantonrechter overweegt daartoe het volgende.
Als niet weersproken staat vast dat [de gedaagden] meer dan twee maanden achterstallig zijn gebleven in de betaling van een termijnbedrag en dat zij ondanks ingebrekestelling niet tot betaling zijn overgegaan. Artikel 13 van de algemene voorwaarden bepaalt dat Rabo in dat geval direct haar hele vordering kan opeisen. Rabo heeft dat gedaan.
Rabo stelt in de conclusie van repliek dat haar vordering € 36.976,74 bedraagt, maar vordert € 12.500,00. Rabo gaat uit van een openstaand saldo per 1 december 2019 van € 29.052,87 en de wettelijke rente van € 7.923,87 vanaf 16 december 2017 tot en met 11 november 2025. Dit heeft Rabo onderbouwd met een specificatie van de opbouw van haar vordering. [de gedaagden] hebben deze specificatie onvoldoende gemotiveerd betwist.
Volgens [de gedaagden] bevat de administratie van Rabo inconsistenties in rente, kosten en hoofdsom. Hiervan is echter niet gebleken. Uit de specificatie blijkt dat Rabo haar vordering heeft berekend op basis van de opnames van het krediet, de aflossingen en de verschuldigde rente. Daarmee heeft Rabo inzichtelijk gemaakt hoe haar vordering is opgebouwd. Het eindsaldo van de vordering is in het eerste overzicht
€ 31.018,58. Dit bedrag is genoemd in de sommaties van Vesting Finance. Rabo heeft uitgelegd dat dit bedrag vervolgens hoger is geworden door de wettelijke rente, die bij het bedrag is opgeteld. Dit verklaart de stijgingen van de vordering. Van inconsistenties is dus geen sprake.
[de gedaagden] hebben daarnaast het standpunt ingenomen dat de door Rabo berekende rente vanaf 8 juni 2017 onjuist is, omdat het krediet toen is beëindigd. Rabo heeft naar aanleiding hiervan een nieuw overzicht van haar vordering overgelegd, waarin zij vanaf 8 juni 2017 tot en met 1 december 2019 de wettelijke rente rekent over haar vordering in plaats van de contractuele rente. Ook heeft Rabo via een website een berekening gemaakt van de wettelijke rente. [de gedaagden] voeren aan dat deze renteberekening niet kan dienen als onderbouwing van de wettelijke rente, omdat het een afdruk is van een openbare online rekentool. Dat is niet juist. Deze tool berekent de wettelijke rente over de vordering van Rabo . [de gedaagden] hebben niet gesteld dat die berekening onjuist is, zodat er geen reden is om deze renteberekening buiten beschouwing te laten.
Op basis van het bovenstaande is de kantonrechter van oordeel dat Rabo voldoende heeft onderbouwd dat zij een vordering van meer dan € 12.500,00 op [de gedaagden] heeft. De vordering van Rabo is dus in beginsel toewijsbaar.
Voor het geval de vordering van Rabo geheel of gedeeltelijk kan worden toegewezen, hebben [de gedaagden] het verweer gevoerd dat zij geen rente hoeven te betalen. Volgens [de gedaagden] is de rente na 2017 onrechtmatig. Rabo heeft in de conclusie van repliek uitgelegd dat zij alsnog de wettelijke rente heeft toegepast. [de gedaagden] hebben niet onderbouwd waarom dit onrechtmatig is. De verplichting om de wettelijke rente te betalen vloeit bovendien voort uit de wet. Ook stellen [de gedaagden] dat de hoofdsom gematigd moet worden. [de gedaagden] vinden een matiging tussen € 0,00 en € 6.000,00 gerechtvaardigd. De kantonrechter begrijpt dit verweer van [de gedaagden] zo dat zij van mening zijn dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, als zij de hele hoofdsom aan Rabo moeten betalen. Zij wijzen de inconsistenties in de administratie van Rabo hiervoor als reden aan. Zoals de kantonrechter echter hiervoor bij rechtsoverweging 5.4 reeds heeft overwogen, hebben [de gedaagden] onvoldoende onderbouwd dat de administratie van Rabo inconsistent is. Ook als dat anders zou zijn, is dat op zichzelf nog geen reden om de hoofdsom te matigen. [de gedaagden] hebben verder geen andere omstandigheden aangevoerd die maken dat het onaanvaardbaar is dat [de gedaagden] de hele hoofdsom aan Rabo moeten betalen. De kantonrechter matigt het bedrag dat [de gedaagden] aan Rabo moeten betalen dus niet.
De wettelijke rente wordt toegewezen
Rabo heeft gevorderd dat [de gedaagden] de wettelijke rente over € 12.500,00 moeten betalen vanaf de dag na dagvaarding. Deze vordering wordt toegewezen.
[de gedaagden] moeten de proceskosten vergoeden
[de gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Rabo worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
147,81
- griffierecht
€
543,00
- salaris gemachtigde
€
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.698,81
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
6. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [de gedaagden] hoofdelijk om aan Rabo te betalen een bedrag van € 12.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 12 november 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [de gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.698,81, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [de gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Sprundel-Jansen en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026