[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 10 november 2025, 5 december 2025, 11 december 2025 en 18 december 2025.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een vijftal naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd. Dit kan als volgt worden weergegeven:
Zaaknr.
Dagtekening
Aanslagnummer
Bedrag
25/6736
17-10-2025
[aanslagnummer 1]
€ 52,80
25/6737
14-11-2025
[aanslagnummer 2]
€ 52,80
25/6738
07-11-2025
[aanslagnummer 3]
€ 51,10
25/6739
24-10-2025
[aanslagnummer 4]
€ 52,80
25/6740
03-11-2025
[aanslagnummer 5]
€ 52,80
De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de naheffingsaanslagen parkeerbelasting ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft de beroepen op 26 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende. Namens de heffingsambtenaar is, met kennisgeving aan de rechtbank, niemand verschenen.
Feiten
2. Belanghebbende woont aan de [laan 1] in [woonplaats] .
Belanghebbende beschikt over een Bezoekersregeling Straat van de gemeente Breda voor de [zone] . De Bezoekersregeling is gekoppeld aan het persoonlijk account van belanghebbende in [website] . Met de Bezoekersregeling Straat mag in een vergunninggebied in bepaalde straten worden geparkeerd voor € 0,25 per uur, met een maximum van 240 uur per kwartaal.
De [zone] bestaat uit de [laan 2] .
De leaseauto van belanghebbende met [kenteken 1] stond op 8 oktober 2025 om 9:40 uur, op 15 oktober 2025 om 14:00 uur en op 5 november 2025 om 09:39 uur geparkeerd aan de [laan 1] in [plaats 1] . Verder is door belanghebbende met auto’s met [kenteken 2] op 24 oktober 2025 om 16:32 uur aan de [laan 1] in [plaats 1] respectievelijk met [kenteken 3] op 29 oktober 2025 om 10:39 uur aan de [straat] in [plaats 1] geparkeerd door belanghebbende.
Tijdens controles op voornoemde data en tijdstippen is door middel van een scanauto geconstateerd dat te weinig parkeerbelasting was voldaan.
Naar aanleiding van de constateringen dat te weinig parkeerbelasting was voldaan, zijn aan belanghebbende de naheffingsaanslagen opgelegd (zie 1.1).
De heffingsambtenaar heeft drie naheffingsaanslagen parkeerbelasting voor soortgelijke constateringen op 16 oktober 2025, op 27 oktober 2025 en op 5 november 2025 in de bezwaarfase uit coulance vernietigd.
Beoordeling door de rechtbank
Vooraf; ontvankelijkheid beroep 25/6736
3. De termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer 1] verliep op 22 december 2025.
De rechtbank heeft het beroepschrift ontvangen op 29 december 2025. Het beroepschrift is, zoals belanghebbende erkent, buiten de beroepstermijn ingediend. Het beroepschrift is dus te laat ingediend. Belanghebbende heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat hij heeft gewacht met het instellen van beroep totdat hij de uitspraken op bezwaar over meerdere naheffingsaanslagen had ontvangen, zodat hij daartegen gezamenlijk beroep kon instellen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat belanghebbende dit uit efficiëntieoverwegingen heeft gedaan, maakt dit de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Op elke uitspraak op bezwaar staat dat binnen zes weken daartegen beroep kan worden ingesteld. Het beroep met zaaknummer 25/6736 is daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank kom niet meer toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep met zaaknummer 25/6736.
Naheffingsaanslagen parkeerbelasting (zaaknummers 25/6737 t/m 25/6740)
In geschil is of de resterende vier naheffingsaanslagen parkeerbelasting terecht aan belanghebbende zijn opgelegd.
Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslagen moeten worden vernietigd dan wel verminderd. Hij verkeerde in de veronderstelling dat de Bezoekersregeling ook gold voor de [laan 1] en heeft bij iedere parkeeractie via [website] betaald. Pas op 8 november 2025 is hem duidelijk geworden dat de regeling uitsluitend gold voor de [laan 2] . Volgens belanghebbende gaat het om één menselijke vergissing die zich meerdere keren heeft herhaald. Verder wijst belanghebbende erop dat de heffingsambtenaar drie andere naheffingsaanslagen die uit dezelfde vergissing voortvloeien uit coulance heeft vernietigd, maar dat de redenen die de heffingsambtenaar daarvoor heeft gegeven ook van toepassing zijn op een aantal van de onderhavige naheffingsaanslagen. Hij vindt daarom dat de heffingsambtenaar de coulanceregeling niet consequent heeft toegepast. Verder doet hij een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Volgens belanghebbende staat het totale bedrag van de naheffingsaanslagen niet in verhouding tot de gemaakte vergissing.
Niet in geschil is dat belanghebbende op de in 2.3 genoemde momenten heeft geparkeerd buiten de zone waarvoor zijn Bezoekersregeling gold. Het tarief van € 0,25 per uur geldt op die locaties alleen bij gebruik van een daarvoor geldige vergunning. Belanghebbende beschikte niet over een dergelijke vergunning. Voor hem gold op die locaties dus het reguliere parkeertarief. Dat tarief heeft hij niet voldaan. De naheffingsaanslagen parkeerbelasting (zaaknummers 25/6737 t/m 25/6740) zijn in beginsel dus terecht aan belanghebbende opgelegd.
Dat belanghebbende niet wist dat zijn Bezoekersregeling uitsluitend gold voor de [laan 2] , maakt het voorgaande oordeel niet anders. Van een parkeerder, en in het bijzonder van een vergunninghouder die van een bezoekersregeling gebruikmaakt, mag worden verwacht dat hij zich ervan vergewist welk parkeerregime op de parkeerlocatie geldt. Op de website van de gemeente staat vermeld voor welke straten de Bezoekersregeling geldt. Belanghebbende had dus kunnen weten dat zijn regeling niet voor de parkeerlocaties gold. Dat hij hiervan niet op de hoogte was, komt voor zijn rekening.
Ook de toepassing van de coulanceregeling leidt niet tot een ander oordeel. Dat de redenen voor de verleende coulance ook bij enkele van de onderhavige naheffingsaanslagen kunnen spelen, betekent niet dat die aanslagen om die reden eveneens moeten worden vernietigd. De heffingsambtenaar heeft met de vernietiging van drie naheffingsaanslagen geen standpunt ingenomen over de rechtmatigheid daarvan, maar belanghebbende in die gevallen onverplicht tegemoetgekomen. Uit de stukken blijkt niet dat aan die tegemoetkomingen een algemene regel ten grondslag ligt die de heffingsambtenaar ook bij de overige naheffingsaanslagen had moeten toepassen.
Verder leidt de omstandigheid dat de naheffingsaanslagen voortkomen uit dezelfde vergissing en gezamenlijk tot een aanzienlijk bedrag leiden, niet tot een ander oordeel. De naheffingsaanslagen zijn gebonden beschikkingen. De wet voorziet in de mogelijkheid om voor iedere kalenderdag waarop niet de verschuldigde parkeerbelasting is voldaan een naheffingsaanslag op te leggen. De wetgever heeft daarbij onderkend dat enige tijd kan verstrijken voordat een parkeerder met een naheffingsaanslag bekend raakt. De nadelige gevolgen van meerdere naheffingsaanslagen die in die periode worden opgelegd, zijn daarmee in de wettelijke regeling verdisconteerd. Voor een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel bestaat in zoverre geen ruimte. Dit kan anders zijn als het totaalbedrag van de naheffingsaanslagen zo hoog wordt dat niet langer kan worden aangenomen dat de wetgever dit gevolg bij de totstandkoming van de regeling heeft voorzien en aanvaard. Bij de onderhavige vijf naheffingsaanslagen is daarvan naar het oordeel van de rechtbank nog geen sprake. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet.
Dat belanghebbende te goeder trouw heeft gehandeld, kan hem ook niet helpen. Gelet op het objectieve karakter van de belasting is de intentie van belanghebbende niet van belang. Een naheffingsaanslag parkeerbelasting is niet meer dan alsnog in rekening brengen van de verschuldigde parkeerbelasting en de gemaakte kosten voor de naheffing. Ook de omstandigheid dát is betaald maakt het voorgaande niet anders. Op de daaraan impliciet gekoppelde vraag of dat redelijk is, kan de rechter geen antwoord geven. Immers, de redelijkheid der wet kan niet ter toetsing aan de rechter worden voorgelegd.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep met zaaknummer 25/6736 is niet-ontvankelijk en de overige beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslagen parkeerbelasting in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug en hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.