[belanghebbende] B.V., gevestigd in [plaats 1] , belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant (gemeente Breda), de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 9 januari 2026.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een aanslag precariobelasting van € 683,17 over de periode 1 mei 2024 tot 1 januari 2025 opgelegd.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag precariobelasting ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 26 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende [vertegenwoordiger] en namens de heffingsambtenaar mr. M.J.J. Withagen-van Oorschot en [gemachtigde] .
Feiten
2. [B.V.] huurde tot 1 mei 2024 het pand aan de [adres] in [plaats 2] . [B.V.] exploiteerde in het pand een restaurant. De exploitatie van het restaurant is op 1 mei 2024 beëindigd.
Belanghebbende heeft de huur van het pand overgenomen van [B.V.] en betaalde de huur van 1 mei 2024 tot 1 januari 2025. Vanaf 1 januari 2025 is het pand verhuurd aan een derde.
Aan de voorgevel van het pand was een luifel met een totale oppervlakte van zo’n 5 m² bevestigd. De luifel hing boven gemeentegrond. Daarnaast was aan de voorzijde van het pand een terras aanwezig met een oppervlakte van zo’n 20 m². Het terras stond ook op gemeentegrond.
De heffingsambtenaar heeft de aanslag precariobelasting (zie 1.1.) aan belanghebbende opgelegd ter zake van de luifel en het terras.
Beoordeling door de rechtbank
3. Ter zitting is vast komen te staan dat aan [B.V.] een vergunning in de zin van artikel 1, onderdeel e, van de Verordening op de heffing en invordering van precariobelasting 2024 van de gemeente Breda (de Verordening) is verleend en dat deze vergunning in ieder geval tot 16 december 2024 nog van kracht was. De heffingsambtenaar heeft daarop ter zitting het nadere standpunt ingenomen dat de aanslag precariobelasting op basis van artikel 3, tweede lid, van de Verordening niet aan belanghebbende had mogen worden opgelegd. De heffingsambtenaar heeft aan dit standpunt de conclusie verbonden dat de aanslag precariobelasting die aan belanghebbende is opgelegd moet worden vernietigd. De rechtbank zal de heffingsambtenaar hierin volgen en de aanslag precariobelasting daarom vernietigen.
Het voorgaande betekent dat het beroep gegrond is. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende heeft geen proceskosten gesteld die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.