[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant (de gemeente Etten-Leur), de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 17 maart 2026.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende aanslagen in de afvalstoffenheffing opgelegd die op één aanslagbiljet van 24 februari 2026 zijn verenigd. Het aanslagbiljet vermeldt:
- voor de periode 1 januari 2026 tot 1 januari 2027
(i) een vast bedrag aan afvalstoffenheffing van € 251,40;
- voor de periode 1 januari 2025 tot 1 januari 2026
(i) voor zes ledigingen restafval een bedrag aan afvalstoffenheffing van € 45,00;
(ii) de kosten van een extra container van € 18,00.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslagen afvalstoffenheffing ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 26 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de heffingsambtenaar mr. M.J.J. Withagen-van Oorschot en [gemachtigde] .
Feiten
2. Belanghebbende is eigenaar van de woning aan de [adres] in [woonplaats] (de woning). De woning bestaat uit een woongedeelte en een kantoorgedeelte dat in het kader van de ondernemingen van belanghebbende en zijn echtgenote wordt gebruikt.
Tot de woning behoren een restafvalcontainer, een papiercontainer en een Gft-container. Daarnaast was in het jaar 2025 nog een extra papiercontainer aan het adres van belanghebbende gekoppeld.
Belanghebbende heeft een overeenkomst gesloten met een zakelijke afvalverwerker, die een container van 600 liter bij de woning heeft geplaatst. Deze container gebruikt belanghebbende voor zowel zakelijk afval als privé afval.
Beoordeling door de rechtbank
Aanslagen afvalstoffenheffing
3. In geschil is of de aanslagen afvalstoffenheffing terecht aan belanghebbende zijn opgelegd.
Belanghebbende stelt dat de aanslagen afvalstoffenheffing ten onrechte aan hem zijn opgelegd. Hij voert aan dat hij geen gebruik maakt van de afvalinzameling door de gemeente. Belanghebbende heeft de gemeente herhaaldelijk gevraagd of hij de gemeentelijke afvalcontainers kon teruggeven. In 2025 heeft hij de gemeente hierover opnieuw benaderd. Toen een reactie uitbleef, heeft hij de gemeente laten weten dat hij de containers aan de straat zou zetten. Nadat hij dit had gedaan, waren de containers de volgende dag verdwenen. Belanghebbende ging ervan uit dat de gemeente de containers had opgehaald. Hij voelde zich daarin bevestigd doordat hij vervolgens op [website] zag dat geen containers meer op zijn adres geregistreerd stonden. Hij ging er daarom van uit dat hij geen afvalstoffenheffing meer hoefde te betalen. Verder stelt belanghebbende dat ten onrechte kosten voor een extra container in rekening zijn gebracht, omdat hij de containers niet meer had. Ook betwist hij de zes in rekening gebrachte ledigingen. Hij stelt dat hij de restafvalcontainers niet zelf ter lediging aangeboden heeft en vermoedt dat iemand anders, mogelijk een van zijn buren, de container heeft gebruikt.
Naar het oordeel van de rechtbank is het vaste bedrag aan afvalstoffenheffing voor het jaar 2026 terecht aan belanghebbende in rekening gebracht. De gemeente is verplicht huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen bij ieder binnen haar grondgebied gelegen perceel waar dergelijke afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan. Niet in geschil is dat deze inzamelplicht ook geldt voor de woning van belanghebbende. Dat belanghebbende ervoor heeft gekozen zijn huishoudelijke afval zelf af te voeren via een eigen afvalcontainer, maakt dit niet anders. De gemeente maakt kosten voor het beheer van huishoudelijke afvalstoffen en mag deze kosten door middel van de afvalstoffenheffing verhalen op degenen die gebruikmaken van een perceel waarvoor de inzamelplicht geldt. De gemeenteraad heeft van deze bevoegdheid gebruikgemaakt in de Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing 2026 van de gemeente Etten-Leur. Belanghebbende is als gebruiker van de woning daarom het vaste bedrag aan afvalstoffenheffing verschuldigd. Het aan hem opgelegde bedrag van € 251,40 is in overeenstemming met de Verordening.
De rechtbank begrijpt het betoog van belanghebbende dat hij ervan mocht uitgaan dat hij geen afvalstoffenheffing meer hoefde te betalen als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Dit beroep slaagt niet. De gemeente heeft belanghebbende in een bericht van 2 maart 2022 al meegedeeld dat het niet mogelijk was om de bij de woning behorende afvalcontainers in te leveren, omdat bij iedere woning een set van drie containers hoort. Alleen de extra papiercontainer kon volgens de gemeente worden ingenomen. Tegen die achtergrond kon belanghebbende uit het uitblijven van een reactie op zijn nieuwe verzoek in 2025 en het vervolgens verdwijnen van de containers niet redelijkerwijs afleiden dat de gemeente op haar eerdere standpunt was teruggekomen. De gemeente heeft niet toegezegd dat zij de containers zou ophalen en heeft evenmin meegedeeld dat belanghebbende daarna geen afvalstoffenheffing meer hoefde te betalen.
Dat belanghebbende vervolgens op [website] zag dat geen containers meer op zijn adres geregistreerd stonden, maakt dit niet anders. De door belanghebbende overgelegde schermafbeelding komt niet overeen met de registratie die de heffingsambtenaar heeft overgelegd. De rechtbank kan niet vaststellen waardoor dit verschil is ontstaan. Ook als ervan wordt uitgegaan dat op [website] op enig moment geen containers meer op zijn adres zichtbaar waren, mocht belanghebbende daaruit niet afleiden dat hij niet langer afvalstoffenheffing verschuldigd was. De registratie van de containers is daarvoor, zoals de rechtbank hiervoor al heeft overwogen, niet bepalend.
De omstandigheid dat de containers zijn verdwenen betekent evenmin dat de kosten voor de extra container en de nadien geregistreerde ledigingen ten onrechte in rekening zijn gebracht. Uit de administratie van de gemeente blijkt dat in 2025 nog vier containers aan het adres van belanghebbende waren gekoppeld. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van deze registratie te twijfelen. De kosten van € 18 voor de extra container zijn daarom terecht aan belanghebbende in rekening gebracht.
Verder blijkt uit de administratie van de gemeente dat de restafvalcontainer zes maal is geleegd. Belanghebbende heeft weliswaar verklaard dat hij de afvalcontainer niet zelf ter lediging heeft aangeboden, maar het lag op zijn weg ervoor te zorgen dat de aan hem verstrekte container niet door anderen kon worden gebruikt. De kosten voor de zes ledigingen van € 45 komen daarom voor zijn rekening.
Zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende stelt nog dat sprake is van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel omdat de gemeente heeft nagelaten adequaat te communiceren en evenmin heeft zorggedragen voor correcte afhandeling van het ophalen en administratief verwerken van de containers. De belastingrechter kan echter niet oordelen over de wijze waarop de gemeente de afvalinzameling uitvoert en de containers beheert. In deze procedure staat alleen ter beoordeling of de aanslagen afvalstoffenheffing terecht zijn opgelegd. Het dossier bevat geen aanknopingspunten dat de heffingsambtenaar bij het opleggen van die aanslagen onzorgvuldig heeft gehandeld.
Redelijkheid en billijkheid
Belanghebbende vindt het verder onredelijk en onbillijk dat hij afvalstoffenheffing moet betalen terwijl hij geen gebruikmaakt van de gemeentelijke afvalinzameling. Zoals hiervoor is overwogen, is voor de verschuldigdheid van afvalstoffenheffing niet van belang of belanghebbende daadwerkelijk gebruikmaakt van de gemeentelijke afvalinzameling. Het is de rechtbank niet toegestaan om de innerlijke waarde of billijkheid van die regeling te beoordelen. De rechtbank ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat toepassing van die regeling in dit geval in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslagen afvalstoffenheffing in stand blijven. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug en krijgt hij ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.