ECLI:NL:RBZWB:2026:8651

ECLI:NL:RBZWB:2026:8651

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 10-09-2026
Datum publicatie 07-09-2026
Zaaknummer 02-140903-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Verdachte heeft op seksuele wijze een meisje van onder de 16 jaar heeft benaderd en hij heeft zich schuldig gemaakt aan schennispleging. ISD-maatregel door officier van justitie gevorderd op advies van de reclassering. Rechtbank stelt vast dat verdachte voldoet aan de wettelijke, zogenoemde harde voorwaarden voor oplegging van de ISD-maatregel. De rechtbank is echter van oordeel dat niet voldaan is aan de “zachte criteria”. Stap naar onvoorwaardelijke ISD-maatregel te groot. Verdachte krijgt gelegenheid om binnen een regulier strafrechtelijk kader, onder toezicht van de verslavingsreclassering met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden, aan zijn problematiek te werken.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-140903-26

Vonnis van de meervoudige kamer van 10 september 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]

,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd

in de penitentiaire inrichting te [plaats] ,

raadsman mr. Z. Yeral, advocaat te Roosendaal.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 augustus 2026, waarbij de officier van justitie mr. S.A.A.P. van Hees en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op seksuele wijze een meisje van onder de 16 jaar heeft benaderd;

feit 2: zich schuldig heeft gemaakt aan schennispleging.

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. Deze wijziging is cursief weergegeven.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Verdachte ontkent de seksuele handelingen en heeft verklaard dat hij moest plassen en de meisjes heeft verjaagd. Hij had geen seksuele intentie.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Op 16 mei 2026 is de dan veertienjarige [slachtoffer] , (hierna [slachtoffer] ) met een aantal vriendinnen in Bergen op Zoom. Op het Thaliaplein is een man die naar haar vriendinnen stapt en aan hen ruikt. Vervolgens wordt [slachtoffer] door haar vriendinnen geroepen. Zij hoort de man zeggen “ [slachtoffer] kom eens ik krijg een stijve van je”. Zij ziet dat de man op dat moment met zijn heupen aan het kantelen is en dat hij met zijn handen naar zijn kruis en met zijn beide handen in zijn broek ter hoogte van zijn geslachtsdeel gaat.

Even later ziet zij dat deze man door politie en handhaving wordt aangehouden. Uit het dossier blijkt dat het om verdachte gaat. [getuige 1] , een vriendin van [slachtoffer] , verklaart dat zij de man hoort zeggen “Ik krijg echt een stijve”. Vervolgens ziet zij dat hij met zijn hand in zijn broek gaat. [getuige 2] , eveneens een vriendin van [slachtoffer] , verklaart dat zij ziet dat de man naar [slachtoffer] loopt en dat zij hem hoort zeggen dat hij een stijve van haar krijgt.

Wettelijk kader feit 1

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 251 lid 1 aanhef en onder b Sr het seksueel corrumperen van kinderen strafbaar wordt gesteld. Strafbaar is degene die een kind beneden de leeftijd van zestien jaren (of een persoon die zich als zodanig voordoet) getuige doet zijn van een handeling of een visuele weergave van seksuele aard of met een onmiskenbaar seksuele strekking. In de delictsomschrijving ligt het opzetvereiste besloten in de woorden ‘getuige doet zijn’, waardoor de leeftijd van het kind aan het opzetvereiste is onttrokken. Voorwaardelijk opzet is voldoende voor de vervulling van het opzetvereiste. Daarnaast geldt dat voor strafbaarheid niet is vereist dat de gedraging van de dader leidt tot het wilsbesluit van het kind om te (blijven) kijken. Ook onverhoedse confrontaties vallen onder de reikwijdte. Het bestanddeel ‘getuige doet zijn’ omvat iedere vorm van waarneming. Het kan hierbij onder andere gaan om de waarneming van een seksuele gedraging die in reële aanwezigheid van het kind wordt verricht.

Bewijsoverweging

Verdachte heeft verklaard dat hij wilde plassen en hij de meisjes daarom wilde wegjagen. Hij ontkent dat hij toen de ten laste gelegde uitlatingen en gedragingen heeft gedaan en stelt geen seksuele intentie hebben gehad.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

De aangifte van [slachtoffer] is naar het oordeel van de rechtbank betrouwbaar en vindt voldoende steun in de gelijkluidende verklaringen van haar vriendinnen, die op de bewuste dag ook aanwezig waren op straat in Bergen op Zoom. Het door de verdediging naar voren gebrachte alternatieve scenario acht de rechtbank niet aannemelijk geworden en zij passeert dit dan ook.

De handeling van verdachte heeft een onmiskenbare seksuele strekking. Bovendien heeft hij door zich zo te gedragen handelingen in het openbaar verricht, die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid, zoals onder feit 2 ten laste gelegd

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte beide ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Nu beide feiten een verschillende strekking en ander beschermd belang hebben, zal de rechtbank uitgaan van meerdaadse samenloop. Er waren meerdere getuigen van de schennispleging onder feit 2.

De rechtbank is van oordeel dat het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde “op een paar centimeter van het hoofd van die [slachtoffer] te ruiken” niet wettig en overtuigend is bewezen, nu het ruiken op korte afstand niet bij [slachtoffer] , maar twee van haar vriendinnen heeft plaatsgevonden. Verdachte wordt van dat onderdeel van de tenlastelegging vrijgesproken.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1op 16 mei 2026 te Bergen op Zoom een kind beneden de leeftijd van zestien jaren, teweten [slachtoffer] getuige heeft doen zijn van een handeling met een onmiskenbaar seksuele strekking op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door- naar die [slachtoffer] voornoemd te roepen ' [slachtoffer] kom eens ik krijg een stijve van je' en/of ' [slachtoffer] ik heb een stijve' en vervolgens - zijn heupen te kantelen en- met zijn beide handen in zijn broek te gaan ter hoogte van zijn geslachtsdeel;

2op 16 mei 2026 te Bergen op Zoom opzettelijk in het openbaar, te weten aan het Thaliaplein handelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, te weten:- te roepen naar die [slachtoffer] voornoemd: “ [slachtoffer] kom eens ik krijg een stijve van je” en/of " [slachtoffer] ik heb een stijve" en vervolgens- zijn heupen te kantelen en - met zijn beide handen in zijn broek ter hoogte van zijn geslachtsdeel te gaan.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna ISD-maatregel).

Het standpunt van de verdediging

Het verzoek van de verdediging is om geen ISD-maatregel op te leggen. Een ISD-maatregel is in deze concrete situatie niet noodzakelijk en niet proportioneel. De verdediging stelt voor om bij een bewezenverklaring een reguliere straf op te leggen, zo nodig gecombineerd met reclasseringstoezicht en voorwaarden. Meer subsidiair is het voorstel om een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

De ernst van het feit

Verdachte heeft een minderjarig meisje, [slachtoffer] , van veertien jaar oud getuige laten zijn van een handeling met een onmiskenbaar seksuele strekking. Verdachte heeft met zijn handelen de seksuele integriteit van [slachtoffer] geschonden. Hij heeft het meisje ongevraagd geconfronteerd met een seksuele gedraging, waardoor zij mogelijk is geschaad in haar seksuele ontwikkeling. Daarnaast heeft verdachte zich met zijn handelen schuldig gemaakt aan schennispleging. Daarmee heeft hij omstanders, onder wie een aantal jonge meisjes, ongevraagd en ongewenst geconfronteerd met zijn handelen. Een dergelijke onverwachte confrontatie kan voor omstanders, in het bijzonder voor kinderen, een onaangename ervaring zijn en gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaken.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 16 juli 2026, waaruit volgt dat verdachte vele malen eerder is veroordeeld, maar niet ten aanzien van zedendelicten.

De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 27 juli 2026.

Hieruit volgt dat verdachte in het verleden weliswaar verdacht werd van soortgelijke delicten, maar hiervoor nooit eerder werd veroordeeld, zodat niet kan worden gesproken van een delictpatroon ten aanzien van seksuele delicten. Verdachte is bekend met middelengebruik en laat ontoelaatbaar gedrag zien als hij onder invloed van alcohol is. De kans op recidive wordt als hoog ingeschat. De grootste risicofactoren betreffen: alcoholgebruik, psychosociaal functioneren en houding. Er zijn geen bronnen van steun. Verdachte ontkent structureel iets verkeerds gedaan te hebben en legt de verantwoordelijkheid voor zijn delicten buiten zichzelf. In het verleden is hem meerdere keren hulp aangeboden, maar betrokkene houdt alles af. Om de kans op recidive te verminderen dient verdachte zijn alcoholgebruik en de hieraan ten grondslag liggende problematiek aan te pakken. Aangezien hij niet open staat voor behandeling en begeleiding is de reclassering van mening dat een toezicht met voorwaarden niet uitvoerbaar is.

De verwachting is dat hij hier geen medewerking aan zal gaan verlenen. Mogelijk dat hij in de toekomst wel zijn medewerking zal verlenen tijdens een ISD maatregel.Geadviseerd wordt om een ISD-maatregel op te leggen.

Ter zitting is mevrouw [persoon] , reclasseringswerker, bij het advies gebleven. Desgevraagd heeft zij aangegeven dat, indien verdachte wel bereid zou zijn mee te werken, zij een toezicht in plaats van ISD-maatregel zou hebben geadviseerd. Indien wel een toezicht wordt uitgesproken, zou de verslavingsreclassering, gelet op de problematiek van verdachte, dit toezicht moeten uitvoeren.

De straf of maatregel

Niet in geschil is en ook de rechtbank stelt vast dat verdachte voldoet aan de wettelijke, zogenoemde harde voorwaarden voor oplegging van de ISD-maatregel.

De rechtbank moet volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad echter ook beoordelen of aan de zogenoemde zachte ISD-criteria is voldaan. De ISD-maatregel wordt in beginsel pas toegepast als eerdere straffen verdachte er niet van hebben kunnen weerhouden te recidiveren én indien eerdere hulpverlening niet het gewenste effect heeft gehad.

De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige zaak niet is voldaan aan deze ‘zachte criteria’. Uit het strafblad van verdachte en het reclasseringsadvies blijkt dat verdachte nog nooit eerder de kans heeft gehad om – via een minder ingrijpende maatregel en met behulp van reclasseringstoezicht – te bewijzen dat hij zijn leven blijvend op de rit kan krijgen zonder nieuwe strafbare feiten te plegen. Naar het oordeel van de rechtbank moet verdachte deze kans wel krijgen.

Omdat aan verdachte nog niet eerder een toezicht is opgelegd in een strafrechtelijk kader, acht de rechtbank de stap naar een onvoorwaardelijke ISD-maatregel te groot. Het is aangewezen om verdachte eerst de gelegenheid te bieden om binnen een regulier strafrechtelijk kader, onder toezicht van de verslavingsreclassering en met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden, aan zijn problematiek te werken. Een voorwaardelijk strafdeel met daaraan gekoppeld toezicht van de verslavingsreclassering biedt daarvoor een passend kader. Daarnaast kan verdachte op deze wijze zijn huidige woonplek behouden, wat van belang wordt geacht voor het behoud van stabiliteit en daarmee voor het vergroten van de kans op een succesvolle begeleiding en behandeling.

De rechtbank realiseert zich dat de reclassering twijfels heeft geuit over de bereidheid van verdachte om mee te werken aan de bijzondere voorwaarden. Die twijfel maakt voor de rechtbank op dit moment echter niet dat nu moet worden geconcludeerd dat een regulier toezichttraject bij voorbaat kansloos is. Nu verdachte nog niet eerder de mogelijkheid heeft gehad om zich binnen een strafrechtelijk toezicht aan voorwaarden te houden, acht de rechtbank het proportioneel om hem die mogelijkheid eerst te bieden.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 177 dagen passend en geboden. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte van 60 dagen daarvan voorwaardelijk niet ten uitvoer zal worden gelegd, met een proeftijd van twee jaren.

Het onvoorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf is gelijk aan het reeds ondergane voorarrest tot aan de datum van het vonnis, zodat de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht daarop volledig in mindering wordt gebracht en de voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Aan het voorwaardelijke strafdeel zal de rechtbank de volgende bijzondere voorwaarden verbinden: een meldplicht, ambulante behandeling met de mogelijkheid tot klinische opname voor een maximale duur van zeven weken en een verbod op alcohol en drugs met middelencontroles.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 251 en 254b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: een kind beneden de leeftijd van zestien jaren getuige doen zijn van een handeling met een onmiskenbaar seksuele strekking op een wijze die schadelijk te achten is voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren;

feit 2: het opzettelijk in het openbaar handelingen die aanstotelijk zijn voor de eerbaarheid verrichten;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 177 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

1.dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met verslavingsreclassering Novadic-Kentron, zo vaak en zolang Novadic-Kentron dat nodig vindt. Novadic-Kentron bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Novadic-Kentron, Rooseveltlaan 148 4624 DE te Bergen op Zoom;

2.dat verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I harddrugs, en lijst II softdrugs en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek. Novadic-Kentron bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd. Methadon mag enkel onder begeleiding worden ingenomen en verstrekt;

3.dat verdachte zich ambulant laat behandelen door een door Novadic-Kentron aan te wijzen zorgverlener, zo lang als Novadic-Kentron dit noodzakelijk acht. Verdachte zal zich dan houden aan de regels die door of namens de leiding van de zorgverlener zullen worden gegeven. De behandeling is gericht op psychische problematiek en verslavingsproblematiek, grensoverschrijdend gedrag en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.

Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik en/of overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie, stabilisatie, observatie, diagnostiek, crisisbehandeling noodzakelijk is, kan Novadic-Kentron een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;

- bepaalt dat van rechtswege gelden de bijzondere voorwaarden:

4.dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

5.dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan verslavingsreclassering Novadic-Kentron tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Voorlopige hechtenis

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr V.M. Schotanus, voorzitter,

en mr. K. Verschueren en mr. L.W.A. Gruijthuijsen, rechters,

in tegenwoordigheid van M.R. Tafazzul, griffier,

en is uitgesproken op de openbare zitting van 10 september 2026.

De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

1hij op of omstreeks 16 mei 2026 te Bergen op Zoomeen kind beneden de leeftijd van zestien jaren en/ofeen persoon die zich voordeed als een kind beneden de leeftijd van zestien jaren, teweten [slachtoffer]getuige heeft doen zijn van een handeling en/of een visuele weergave van seksueleaard en/of met een onmiskenbaar seksuele strekking op een wijze die schadelijk teachten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door- op een paar centimeter van het hoofd van die [slachtoffer] voornoemd te ruiken en/of(vervolgens/daarbij)- naar die [slachtoffer] voornoemd te roepen ' [slachtoffer] kom eens ik krijg een stijve van je'en/of ' [slachtoffer] ik heb een stijve' althans woorden van gelijke aard en/of strekkingen/of vervolgens/daarbij- zijn heupen te kantelen en /of vervolgens/daarbij- met zijn beide handen in zijn broek te gaan ter hoogte van zijn geslachtsdeel;

( art 251 lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht )

2hij op of omstreeks 16 mei 2026 te Bergen op Zoomopzettelijkin het openbaar, te weten aan de kerkstraat (op de hoogte van [nummer] ) en/of thaliaplein en/of stationspleineen of meer handelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht,te weten ;- op een paar centimenter van het hoofd van [slachtoffer] te ruiken en/of- te roepen naar die [slachtoffer] voornoemd: “ [slachtoffer] kom eens ik krijg een stijve van je”en/of " [slachtoffer] ik heb een stijve" en/of (vervolgens/daarbij)- zijn heupen te kantelen en/of- met zijn beide handen in zijn broek ter hoogte van zijn geslachtsdeel te gaan;

( art 254b Wetboek van Strafrecht )

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. L.W.A. Gruijthuijsen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand