RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-194670-23
beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging
In de zaak van de officier van justitie onder het hierboven genoemde parketnummer tegen
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedag] 1971 op [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] ,
hierna aangeduid als veroordeelde.
1. De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
- het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda van 14 februari 2024;
- de vordering van de officier van justitie van 15 januari 2026;
- het advies van van 7 januari 2026 van verslavingsreclassering GGZ Novadic-Kentron Bredamet betrekking tot voortijdige negatieve beëindiging van het toezicht.
Tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 14 augustus 2026 is de officier van justitie, mr. J.J. Peerboom gehoord. Tevens is de gemachtigd raadsvrouw van veroordeelde, mr. S.R. Heerenveen, advocaat te Amsterdam gehoord. Veroordeelde is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Verder is als deskundige gehoord [reclasseringsmedewerker] .
2. Het oorspronkelijke vonnis
Aan veroordeelde is bij het hiervoor vermelde vonnis de plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) gelast voor de duur van twee jaar, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarden:
- dat veroordeelde zich binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij verslavingsinstelling Novadic-Kentron in Breda en zich daarna gedurende een
door de reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd)
zal blijven melden en dat hij meewerkt aan het reclasseringstoezicht, waaronder
huisbezoeken, zo lang en zo frequent als de reclassering dit noodzakelijk acht;
- dat veroordeelde abstinent is van alcohol en drugs en meewerkt aan urine- en/of ademcontroles ter controle hierop, waarbij de reclassering bepaalt wanneer en hoe vaak de
controles plaatsvinden;
- dat veroordeelde meewerkt aan een intake en diagnostiek en, als de reclassering dat nodig vindt, zich gedurende de proeftijd ambulant laat behandelen bij een forensische polikliniek
van Fivoor of een soortgelijke instantie, zolang de reclassering dat nodig acht. Veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
- dat betrokkene inzicht geeft in zijn financiën en meewerkt aan begeleiding op dat vlak als
de reclassering dat nodig vindt;
- dat veroordeelde meewerkt aan het vinden en uitvoeren van een zinvolle dagbesteding.
Dit vonnis is onherroepelijk geworden op 25 november 2025.
3. Het advies van de reclassering
Blijkens het advies van de reclassering van 7 januari 2026 is, na raadpleging van alle mogelijke bronnen om de bereikbaarheidsgegevens van veroordeelde te achterhalen, het niet mogelijk gebleken om met hem in contact te komen. Er kan geen inhoud worden gegeven aan het toezicht. De reclassering is hierdoor van mening dat veroordeelde de opgelegde voorwaarden heeft overtreden.
Ter zitting is de deskundige bij het advies gebleven en daaraan toegevoegd dat de reclassering sinds 2014 geen contact heeft kunnen krijgen met veroordeelde. Het enige contactmoment dat er in al die jaren is geweest, was op de inhoudelijke zitting van 9 februari 2024 in deze zaak. Thuisbezoek van de reclassering, zoals verzocht door de verdediging, is (indien noodzakelijk) een enkele keer mogelijk, maar behandeling en diagnostiek kunnen niet middels thuisbezoeken plaatsvinden.
4. De beoordeling
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie is bij de vordering na voorwaardelijke veroordeling gebleven en heeft gevorderd de voorwaardelijk opgelegde plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar ten uitvoer te leggen, omdat veroordeelde de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden heeft overtreden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de vordering dient te worden afgewezen. Daartoe voert zij aan dat het feit dat het de reclassering niet gelukt is om met veroordeelde in contact te komen, niet betekent dat hij niet wil meewerken aan het toezicht. De reclassering beschikte over een ander telefoonnummer van veroordeelde dan de raadsvrouw en gelet op de medische situatie van veroordeelde heeft hij zijn post niet kunnen lezen. Veroordeelde heeft hulp en begeleiding nodig en wil daar ook aan meewerken. Het tenuitvoerleggen van de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel heeft tot gevolg dat de huidige huisvesting en zorg van veroordeelde zullen wegvallen, wat zijn situatie verder ontregelt. De verdediging verzoekt de reclassering opnieuw contact met hem op te nemen en om de begeleiding voort te zetten, eventueel via thuisbezoek gelet op zijn medische situatie.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat uit het advies van de reclassering van 7 januari 2026 en de toelichting ter zitting blijkt dat veroordeelde zich niet heeft gehouden aan de bijzondere voorwaarden.
De rechtbank heeft in haar vonnis van 14 februari 2024 aan veroordeelde - ondanks het advies van de reclassering om aan hem een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen - een voorwaardelijke ISD-maatregel opgelegd. Door de ISD-maatregel voorwaardelijk op te leggen, is aan veroordeelde een kans geboden om in vrijheid tot een positieve gedragsverandering en daarmee recidivebeperking te komen. Uitgelegd is toen dat hieraan bijzondere voorwaarden worden verbonden en dat het noodzakelijk is dat een veroordeelde zich daarvoor openstelt en inzet. Veroordeelde heeft zich destijds ter zitting daartoe bereid verklaard en gezegd gemotiveerd te zijn om zijn leven een andere wending te geven. Helaas is gebleken dat de reclassering geen contact met veroordeelde heeft kunnen krijgen, ondanks meerdere pogingen daartoe vanuit de reclassering. De rechtbank stelt vast dat de uitnodigingsbrieven naar het juiste adres van veroordeelde zijn gestuurd. Niet is gebleken dat veroordeelde zelf enig initiatief tot contact heeft genomen. Hij heeft derhalve een van de bijzondere voorwaarden overtreden. De verdediging heeft gesteld dat dit te maken heeft met de medische situatie van veroordeelde. De rechtbank constateert echter dat het contact tussen de reclassering en veroordeelde al sinds 2014 niet tot stand komt, terwijl de medische situatie van veroordeelde slechts een recente en tijdelijke situatie betreft. Over de ziekenhuisopname merkt de rechtbank nog op dat de brieven van de reclassering dateren van voor die opname.
Veroordeelde heeft met de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel een laatste kans gekregen en heeft deze niet benut. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de persoonlijke omstandigheden van veroordeelde niet dusdanig dat niet aan hem te wijten is dat hij zijn verantwoordelijkheid niet heeft kunnen nemen. Veroordeelde had bovendien ook zelf contact met de reclassering kunnen zoeken om zijn medische situatie toe te lichten en toezicht middels thuisbezoeken aan te vragen. Verder weegt de rechtbank mee dat er sinds 2014 geen contact tot stand heeft kunnen komen tussen veroordeelde en de reclassering. Er valt daarom redelijkerwijs niet te verwachten dat hij zijn gedrag en houding zal aanpassen. Daarvoor bestaan geen aanknopingspunten. Veroordeelde is ook niet ter zitting verschenen om die zelf aan te dragen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet is gebleken dat hij gemotiveerd is om mee te werken aan de bijzondere voorwaarden en ziet dus geen aanleiding wederom een kans te geven aan veroordeelde. Gelet op het voorgaande, ziet de rechtbank geen andere mogelijkheid meer dan de vordering toe te wijzen. De vordering na voorwaardelijke veroordeling van de officier van justitie zal om die reden worden toegewezen.
5. De beslissing.
De rechtbank:
- wijst de vordering toe en gelast dat de voorwaardelijke opgelegde plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar die bij vonnis van 14 februari 2024 is opgelegd ten uitvoer zal worden gelegd.
Deze beslissing is gegeven door mr. P.E. van Althuis, voorzitter, mr. C.E.M. Marsé en mr. H. Skalonjic, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D. van Spelde en is uitgesproken ter openbare zitting op 28 augustus 2026.
De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.