Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-224472-25
Parketnummers TUL: 02-301428-22 en 18-204197-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 8 september 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] ,
raadsvrouw mr. A.D.M. Klein Selle, advocaat te Oisterwijk.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 augustus 2026, waarbij de officier van justitie mr. L. van Hemert en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting zijn ook de vorderingen tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermelde parketnummers.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 26 juni 2025 een doos met 32 vapes heeft weggenomen en waarbij hij [aangever] met een vuurwapen heeft bedreigd.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de doos met vapes heeft gestolen. Zij heeft vrijspraak gevraagd van de geweldscomponent wegens gebrek aan bewijs.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van de diefstal, maar bepleit vrijspraak voor de geweldscomponent. Enerzijds omdat er niet voldaan is aan het wettelijke bewijsminimum. Anderzijds omdat de verklaring van aangever over de aanwezigheid van een vuurwapen niet overtuigend is.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
In het Nederlandse strafprocesrecht geldt de regel dat een veroordeling voor een strafbaar feit niet gebaseerd mag worden op één (getuigen)verklaring. Volgens de Hoge Raad geldt de deze bewijsminimumregel van artikel 342 lid 2 Sv echter slechts voor de gehele tenlastelegging/bewezenverklaring. Onderdelen mogen wel degelijk slechts op één enkele getuigenverklaring berusten.
Verdachte heeft bekend dat hij met aangever een afspraak heeft gemaakt om vapes te kopen met de bedoeling die niet te betalen, maar onbetaald mee te nemen, en dat hij dat op 26 juni 2025 ook gedaan heeft. Dat is overeenkomstig de aangifte van [aangever] . De rechtbank heeft vervolgens geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangever voor het deel dat verdachte hem daarbij een pistool heeft getoond en gedreigd heeft te schieten als aangever achter verdachte aan zou komen. Dat deel van de verklaring van aangever wordt ook nog eens ondersteund doordat op beelden te zien is dat verdachte rustig wegloopt van de plaats delict en aangever hem niet is achterna gegaan. Daarom is er voor de rechtbank voldoende wettig én overtuigend bewijs voor de diefstal met bedreiging met geweld. .
Verdachte is pas op 19 augustus 2025 op straat aangehouden. Uit het dossier blijkt niet van een doorzoeking van enige woning of ander onderzoek om het gebruikte pistool te vinden. Onderzoek daarvan heeft dus ook niet plaatsgevonden. Daarom zal de rechtbank in het voordeel van verdachte uitgaan van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 26 juni 2025 te Tilburg op de openbare weg, te weten aan de Mascagnistraat, tweeëndertig (32) vapes, die aan [aangever] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om ze zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan door bedreiging met geweld tegen die [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte:
- aan die [aangever] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft getoond en
- daarbij dreigend de woorden heeft toegevoegd, zakelijk weergegeven "ik neem deze mee en als je achter me aan komt schiet ik je".
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het jeugdsanctierecht toegepast dient te worden. , conform het advies van de reclassering Zij vordert verdachte op te leggen een jeugddetentie van 91 dagen waarvan 60 dagen voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en met de bijzondere voorwaarden zoals door de jeugdreclassering geadviseerde en een proeftijd van twee jaren. Daarbij vordert de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals uitgebreid beschreven in het reclasseringsadvies. In aanvulling daarop moet ook worden meegewogen dat verdachte in voorarrest heeft gezeten, zijn voorlopige hechtenis al in september 2025 is geschorst en hij toen negen maanden met een enkelband heeft gelopen. Dat heeft een flinke impact op zijn leven gehad. Tijdens de periode van schorsingstoezicht heeft verdachte zich goed aan de afspraken gehouden. Verder ziet ook de verdediging aanleiding om het jeugdsanctierecht toe te passen.
Gezien het voorgaande verzoekt de verdediging om een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen, in combinatie met een geheel voorwaardelijke taakstraf met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en een proeftijd van 2 jaren. Tevens verzoekt de verdediging opheffing van de geschorste voorlopige hechtenis.
Het oordeel van de rechtbank
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met bedreiging met geweld. |Hij is naar een afspraak met [aangever] gegaan om vervolgens de doos met vapes te stelen, nadat hij het [aangever] heeft bedreigd met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Verdachte heeft geen respect gehad voor het eigendom en de lichamelijke integriteit van [aangever] en enkel oog gehad voor zijn eigen geldelijk gewin. Bovendien draagt zo’n straatroof bij aan gevoelens van onrust en onveiligheid breder in de samenleving.
De persoonlijke omstandigheden
De rechtbank houdt rekening met het strafblad van verdachte. Verdachte heeft deze straatroof gepleegd, terwijl hij eerder is veroordeeld voor een diefstal met geweld. Verdachte liep daarvoor zelfs nog in een proeftijd van een voorwaardelijke jeugddetentie en ook in een proeftijd van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor een bedreiging en huiselijk geweld. Dit heeft een strafverhogende werking.
De rechtbank heeft kennis genomen van het reclasseringsrapport van 7 mei 2026 en hetgeen door de deskundige van de jeugdreclassering ter zitting naar voren is gebracht. Hieruit volgt dat voortzetting van intensieve begeleiding, met duidelijke kaders, structuur en toezicht, noodzakelijk wordt geacht om het recidiverisico te beperken. Een stabiele woonomgeving, passende dagbesteding en blijvende behandeling zijn daarbij essentieel. Indien deze voorwaarden langdurig worden geborgd, kan het recidiverisico naar verwachting van de reclassering afnemen. De reclassering adviseert toepassing van het jeugdsanctierecht en verdachte een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen, zodat de positieve ontwikkeling kan worden voortgezet.
Het jeugdsanctierecht
Verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten bijna 21 jaar en dus meerderjarig. Uitgangspunt is dat op een jongvolwassene, die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, het volwassenstrafrecht wordt toegepast. De rechtbank kan echter op grond van artikel 77c Sr, het sanctierecht voor jeugdigen toepassen bij een verdachte die ouder is dan 18 jaar en niet ouder is dan 22 jaar, indien zij daartoe aanleiding vindt in de persoon van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.
De rechtbank volgt het advies van de reclassering om het jeugdsanctierecht toe te passen. Verdachte functioneert, gezien zijn matige verstandelijke beperking en sociaal-emotionele ontwikkeling, aantoonbaar onder zijn kalenderleeftijd en is beperkt in zelfregulatie en zelfstandig functioneren. Zijn gedrag wordt gekenmerkt door impulsiviteit, gebrekkige probleemoplossing en sterke beïnvloedbaarheid, waardoor een pedagogische benadering geïndiceerd blijft. De (sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis) lopende begeleiding binnen de jeugdreclassering verloopt naar behoren en sluit aan bij zijn behoefte aan nabijheid, structuur en sturing. Deze werkrelatie en ingezette interventies bieden een belangrijke beschermende factor en vergroten de kans op gedragsverandering en recidivevermindering. Toepassing van het volwassenenstrafrecht brengt het risico op overvraging en detentieschade met zich mee, terwijl dit onvoldoende aansluit bij zijn ontwikkelingsniveau. Daarbij geldt dat passende interventies en het benodigde begeleidingskader primair binnen het jeugdstrafrecht beschikbaar zijn.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat pedagogische beïnvloeding van verdachte nog mogelijk is en dat hij daarbij gebaat zal zijn. Toepassing van het jeugdsanctierecht is niet alleen van belang voor een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte, maar ook in het belang van de maatschappij. Hiermee wordt beoogd om verdachte ervan te weerhouden dat hij zich opnieuw schuldig maakt aan het plegen van strafbare feiten.
De straf
Voor de strafoplegging heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de straffen die zijn neergelegd in de Landelijk oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS) voor jeugdigen en bij de straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Het oriëntatiepunt voor een diefstal met geweld is een onvoorwaardelijke taakstraf vanaf 60 uur, dan wel (dienovereenkomstige) jeugddetentie. Als strafverzwarende omstandigheden neemt de rechtbank mee dat bij de bedreiging gebruik is gemaakt van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en dat verdachte in twee proeftijden liep toen hij dit feit pleegde.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie van 61 dagen, waarvan
30 dagen voorwaardelijk, passend en geboden is. Het onvoorwaardelijk deel is gelijk aan de duur van het voorarrest, zodat verdachte niet terug naar de gevangenis hoeft en zijn positieve ontwikkelingen in combinatie met het begeleidingstraject niet worden doorkruist. Het voorwaardelijk deel is bedoeld als een stevige stok achter de deur om te voorkomen dat verdachte recidiveert. Ook worden aan deze straf de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd verbonden. De rechtbank zal tot slot de dadelijke uitvoerbaarheid van die bijzondere voorwaarden en het toezicht bevelen, omdat de kans op een misdrijf met schade voor personen volgens de reclassering hoog is.
7. Het beslag
De verbeurdverklaring
De inbeslaggenomen telefoon wordt verbeurd verklaard. Het voorwerp is hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om naast de hoofdstraf verbeurdverklaring op te leggen, omdat
het bewezen feit met betrekking tot dit voorwerp is voorbereid.
8. De vorderingen tenuitvoerlegging
Bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 juni 2024 onder parketnummer 02-301428-22 is verdachte ter zake van diefstal vergezeld of gevolgd van geweld veroordeeld tot 90 dagen jeugddetentie, waarvan 86 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Dit vonnis is onherroepelijk geworden op 26 juni 2024. Op 13 februari 2025 is de vordering tot tenuitvoerlegging van 56 dagen jeugddetentie reeds toegewezen.
Bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 19 november 2024 onder parketnummer 18-204197-24 is verdachte ter zake van bedreiging en mishandeling veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 weken, waarvan 3 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Dit vonnis is onherroepelijk geworden op 4 december 2024.
Het hierboven bewezenverklaarde feit is na het wijzen van deze vonnissen en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het bewezen feit heeft verdachte de aan de vonnissen verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. Gelet hierop kunnen de vorderingen tot tenuitvoerlegging in beginsel worden toegewezen. Gelet op de persoonlijke omstandigheden zal de rechtbank verdachte echter in de gelegenheid stellen een werkstraf te verrichten in plaats van de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf/jeugddetentie.
9. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 77c, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10. Beslissing
30 (dertig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
diefstal, voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 61 (eenenzestig) dagen, waarvan
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;
- bepaalt dat dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de jeugdreclassering van de William Schrikker Stichting;
* dat verdachte zich volgens afspraak met zijn toezichthouder meldt bij de William Schrikker Stichting. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. Huisbezoeken zijn onderdeel van de meldplicht. Verdachte dient zijn contactgegevens zoals telefoonnummer, mailadres en verblijfadres kenbaar te maken bij de William Schrikker Stichting;
* dat verdachte meewerkt aan diagnostiek en behandeling bij [forensisch centrum] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling is reeds gestart. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt en kan ieder moment na beëindiging weer opgestart worden als de reclassering dat nodig acht. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de
zorgverlener dat nodig vindt;
* dat verdachte verblijft bij [woonvoorziening] of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering/mentor. Het verblijf is reeds gestart. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
* dat verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met [aangever] , geboren op [geboortedatum] 1977, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
* dat verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag. Verdachte houdt zich aan de afspraken zoals gemaakt met [zorgorganisatie] . Indien verdachte ziek is dan overhandigt hij bewijs daarvan als de reclassering daarom vraagt.
van rechtswege gelden de volgende voorwaarden:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
* dat verdachte medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- draagt deze gecertificeerde instelling de William Schrikker Stichting op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- bepaalt dat de aan de voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
Beslag
- verklaart verbeurd het volgende voorwerp:
1 STK Telefoontoestel, voorwerpnummer PL2000-2025165814-2896544;
Vorderingen tenuitvoerlegging
02-301428-22:
- gelast dat deze ten uitvoer te leggen jeugddetentie wordt vervangen door een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 60 (zestig) uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 30 dagen;
18-204197-24:
- gelast dat deze ten uitvoer te leggen gevangenisstraf wordt vervangen door een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 42 (tweeënveertig) uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 21 dagen;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.M.L. Felix, voorzitter, en mr. D.H. Hamburger en mr. R.J.H. de Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Kroes, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 8 september 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 26 juni 2025 te Tilburg op of aan de openbare weg, te weten aan de Mascagnistraat, althans een openbare weg, tweeëndertig (32) vapes, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte:- die [aangever] een vuurwapen, althans een soortgelijkend voorwerp, heeft getoond en/of- daarbij dreigend de woorden heeft toegevoegd, zakelijk weergegeven "ik neem deze mee en als je achter me aan komt schiet ik je", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking. ( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht )