uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026 op het verzet van
[opposante] , uit [plaats] , opposante,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 18 mei 2026 in het geding tussen
opposante
en
de Inspectie van het Onderwijs, de inspectie.
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 18 mei 2026 waarin de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard van het beroep van opposante kennis te nemen.
Opposante heeft op 22 mei 2026 verzet ingesteld.
Opposante heeft aangegeven dat zij op zitting wil worden gehoord. De rechtbank heeft het verzet op 8 september 2026 op zitting behandeld. Opposante is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. In hetgeen opposante bij haar afmelding heeft aangevoerd, heeft de verzetrechter geen aanleiding gezien om de zitting (nogmaals) aan te houden. Daarbij is in aanmerking genomen dat het toetsingskader in deze verzetprocedure beperkt is (zie rechtsoverweging 2) en de aanvankelijk op 21 juli 2026 geplande zitting reeds op verzoek van opposante is aangehouden omdat zij (onder andere) aangaf meer voorbereidingstijd nodig te hebben. Bovendien is bij het plannen van de zitting rekening gehouden met de verhinderdata die opposante per e-mail van 23 juli 2026 heeft opgegeven.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 18 mei 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat zij onbevoegd is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De uitspraak van 18 mei 2026
4. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft zich kennelijk onbevoegd geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat het schrijven van de Inspectie van het Onderwijs van 16 maart 2026 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, omdat het niet is gericht op een rechtsgevolg.
Opposante voert tegen de uitspraak aan dat de rechtbank de feitelijke en rechtspositionele gevolgen van het handelen en nalaten van de Onderwijsinspectie heeft miskend. De melding, die opposante bij de Inspectie heeft gedaan, betrof namelijk ernstige zorgen over de onderwijspositie van een minderjarig kind en de behandeling binnen OMO en de Regionale beroepscommissie. Opposante stelt dat er geen effectieve rechtsbescherming beschikbaar is, omdat de beroepszaak niet inhoudelijk is behandeld. Hierbij verwijst zij naar artikel 6 van het ERVM, het recht tot de toegang tot de rechter en het zorgvuldigheidsbeginsel. Verder is opposante van mening dat de beroepszaak niet kennelijk is door de complexiteit, de belangen van een minderjarig kind en de verstrekkende gevolgen van het uitblijven van toezicht en bescherming.
De beoordeling van de verzetsrechter
5. De verzetrechter oordeelt dat de verzetsgronden die opposante tegen de uitspraak heeft ingediend niet slagen. Het verzet kan alleen maar gaan over het oordeel in de uitspraak van de rechtbank van 18 mei 2026. Dat betekent dat in geschil is of het schrijven van 16 maart 2026, zoals is beoordeeld in de beroepszaak, een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Hiervan is sprake als een bestuursorgaan een schriftelijke beslissing heeft genomen, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is een op rechtsgevolg gerichte actie. Dit betekent dat de beslissing de rechtspositie van de betrokkene zelf moet wijzigen en die wijziging moet voortvloeien uit een publiekrechtelijke taak of bevoegdheid.
De verzetsrechter overweegt dat hetgeen opposante in verzet heeft aangevoerd niet kan leiden tot het oordeel dat het schrijven van 16 maart 2026 wel zou kunnen worden aangemerkt als een formeel besluit in de zin van de Awb. De complexiteit en de gevolgen van het onderliggende liggende probleem en de belangen van een minderjarig kind maken dit niet anders. Dit betekent dat de verzetrechter oordeelt dat het schrijven van 18 maart 2026 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
De verzetrechter begrijpt dat opposante graag wil dat haar beroepszaak over haar meldingen inhoudelijk wordt behandeld, maar daarvoor is een formeel besluit nodig. De verzetrechter kan daarom ook niet ingaan op de inhoudelijke verzetsgronden van opposante die gaan over het handelen en optreden van de Inspectie.
Conclusie en gevolgen
6. In wat opposante heeft aangevoerd, ziet de verzetrechter geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak van 18 mei 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 18 mei 2026 in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 8 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op: