uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2], eisers,
(gemachtigde: mr. L.A. Fischer),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eisers hebben ingesteld, omdat het college volgens hen niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 30 april 2026.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
3. Eisers zijn afkomstig uit Oekraïne. Zij hebben zich op 30 april 2026 gemeld bij de gemeente Bergen op Zoom voor opvang op grond van de Regeling opvang ontheemden Oekraïne. Aan hen is toen meegedeeld dat er geen plaats is. Hun gemachtigde heeft het verzoek om opvang op 1 en 4 mei 2026 via e-mails herhaald.
4. Verzoekers hebben op 4 mei 2026 bezwaar gemaakt tegen de met een beslissing gelijk te stellen feitelijke weigering van het college om hen opvang te bieden (op grond van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000). Daarnaast is op 4 mei 2026 bij de rechtbank een verzoek om voorlopige voorziening ingediend en beroep ingesteld tegen de weigering van het college om op hun aanvraag te beslissen.
5. Het college heeft op 7 mei 2026 aan de rechtbank laten weten dat verzoekers tijdelijk zullen worden opgevangen in afwachting van een structurele oplossing. Verzoekers hebben daarop het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken.
6. Met betrekking tot het beroep wegens niet tijdig beslissen heeft de gemachtigde in een e-mail van 30 juni 2026 laten weten dat het college tegemoet is gekomen en dat de zaak alleen nog gaat over proceskosten. Het college heeft hier niet meer op gereageerd.
7. Eisers hebben het beroep niet (formeel) ingetrokken. De rechtbank is van oordeel dat eisers geen (proces)belang meer hebben bij een uitspraak op dit beroep, nu het college inmiddels inhoudelijk is tegemoetgekomen. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
8. De rechtbank stelt vast dat eisers beroep hebben ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op hun aanvraag voor opvang, terwijl tegelijkertijd bezwaar was gemaakt tegen de weigering om aan hen opvang te verlenen, waarmee feitelijk al was beslist op die aanvraag. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om het college te veroordelen tot vergoeding van proceskosten of het griffierecht.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 8 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.