ECLI:NL:RBZWB:2026:8724

ECLI:NL:RBZWB:2026:8724

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 01-09-2026
Datum publicatie 09-09-2026
Zaaknummer 25/3314
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het handhavingsverzoek van eiser. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn verzoek.

Uitspraak

2. Totstandkoming van het bestreden besluit

Derde-partij woont op het perceel [adres 1] in [plaats] (het perceel). Eiser woont op het perceel naast derde-partij aan [adres 2] . In de achtertuin van het buurperceel [adres 1] staat een schuur. Eiser stelt overlast te ondervinden van deze schuur, omdat zich op de eerste verdieping een raam bevindt dat volgens hem rechtstreeks uitzicht biedt op zijn terras en woonkamer. Op 27 juni 2024 heeft eiser het college verzocht om handhavend op te treden tegen de schuur, omdat deze volgens hem zonder een omgevingsvergunning is gebouwd.

Met het besluit van 20 november 2024 heeft het college het handhavingsverzoek van eiser afgewezen. Aan dat besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat de schuur vergunningvrij is, omdat er sprake is van een bijbehorend bouwwerk dat voldoet aan de regels voor vergunningvrij bouwen.

Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In de beslissing van 4 juni 2025 (bestreden besluit) op het bezwaar van eiser, heeft het college (in navolging van het advies van de commissie bezwaarschriften (Vcab)) het besluit in stand gelaten onder verbetering van motivering. Op 24 mei 2025 is er een hercontrole uitgevoerd met betrekking tot de meting van schuur. Tijdens deze hercontrole is geconstateerd dat het bijgebouw een hoogte heeft van 5,20 meter. Dit betekent dat sprake is van een hoogteafwijking van 20 centimeter ten opzichte van de maximaal toegestane bouwhoogte. Hoewel er formeel sprake is van een overschrijding van het toegestane bouwvolume, acht het college deze afwijking marginaal van aard. De overschrijding blijft ruim binnen de aanvaardbare planologische grenzen en leidt niet tot een onevenredige aantasting van belangen van derden, zoals privacy, bezonning of het uitzicht. Het college acht om die reden handhavend optreden zodanig onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van handhaven in deze concrete situatie wordt afgezien.

3. Standpunt van partijen

Eiser stelt dat het college het besluit heeft genomen in strijd met het recht en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het besluit is namelijk ondeugdelijk gemotiveerd, het onderzoek is gebrekkig uitgevoerd en er is gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van fair play. Daarnaast betwist eiser de juistheid en deugdelijkheid van de meting van het betreffende bouwwerk en de wijze waarop deze in de besluitvorming is betrokken. Daarnaast stelt eiser dat de schuur een evidente privaatrechtelijke belemmering oplevert in de zin van artikel 5:50 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Het college stelt zich op het standpunt dat voldoende zorgvuldig en controleerbaar onderzoek is verricht naar de hoogte van het bouwwerk. Er bestaat geen rechtsregel die vereist dat uitsluitend op basis een vooraf vastgesteld meetplan, kalibratierapporten of een expliciete onzekerheidsmarge tot een rechtens houdbare vaststelling kan worden gekomen. Het college voert aan voldoende inzicht te hebben gegeven in de gemaakte afweging.

Dat in dit geval is overwogen om van handhaving af te zien wegens de beperkte aard van de overschrijding en de onevenredige gevolgen daarvan, is niet onredelijk of in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

4. Is sprake van een overtreding?

Niet in geschil is dat de maximaal vergunningvrije bouwhoogte is overschreden. Daarmee staat vast dat sprake is van een overtreding en dat het college bevoegd is handhavend op te treden. De rechtbank laat de omvang van de overschrijding en de metingen daarom verder buiten beschouwing.

5. Toetsingskader

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van een overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Verder kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Met betrekking tot de onevenredigheid heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) in haar uitspraak van 27 mei 2026

(ECLI:NL: RVS: 2026:3018) overwogen dat de enkele omstandigheid dat sprake is van een beperkte overschrijding van de maximale toegestane bouwhoogte niet meebrengt dat sprake is van een overtreding van geringe aard en ernst die rechtvaardigt dat van handhavend optreden wordt afgezien. Dat het college de overschrijding beperkt acht, is daarom op zichzelf onvoldoende om handhavend optreden wegens onevenredigheid achterwege te laten.

6. Wijziging van standpunt ter zitting

Ter zitting is besproken dat belanghebbende recentelijk een aanvraag heeft ingediend voor een omgevingsvergunning ter legalisatie van de gebouwde schuur.

Het college heeft op de zitting toegelicht dat het zich niet langer op het standpunt stelt dat van handhaving moet worden afgezien op grond van het evenredigheidsbeginsel, maar dat het zich op het standpunt stelt dat er nu concreet zicht is op legalisatie.

Eiser heeft toegelicht dat het wijzigen van standpunt ter zitting in strijd is met de goede procesorde. Indien de rechtbank de ter zitting genoemde vergunningsaanvraag bij haar beoordeling betrekt, voert eiser aan dat volgens vaste jurisprudentie slechts sprake kan zijn van concreet zicht op legalisatie indien een formele, ontvankelijke aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend. Daarnaast moet de aanvraag betrekking hebben op de feitelijk bestaande situatie en het bevoegde gezag moet bereidheid hebben uitgesproken om de gevraagde vergunning te verlenen. Volgens eiser is aan deze voorwaarden niet voldaan, waardoor geen sprake is van concreet zicht op legalisatie.

7. Procedureel

De rechtbank stelt vast dat het college tijdens de zitting van standpunt is gewijzigd doordat het zijn motivering van het bestreden besluit mondeling heeft herzien. Zij ziet hierin al aanleiding om het beroep van eiser gegrond te verklaren. Het college heeft hiermee namelijk bevestigd dat eiser zich terecht op het standpunt gesteld dat het college niet op grond van het evenredigheidsbeginsel van handhaving kon afzien.

Gelet op de aard van het door het college ter zitting ingenomen gewijzigde standpunt en de inhoudelijke reactie die eiser daarop ter zitting heeft gegeven, is de rechtbank van oordeel dat het door het college wijzigen van het standpunt ter zitting niet in strijd is met de goede procesorde. Eiser heeft zich ter zitting inhoudelijk uitgelaten over de wijziging van het standpunt van het college. Niet is gebleken dat eiser daardoor in zijn processuele belangen is geschaad. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om te oordelen dat de wijzing van het standpunt van het college ter zitting is strijd is met de goede procesorde.

8. Concreet zicht op legalisatie

Nu de rechtbank het gewijzigde standpunt van het college niet wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing laat, beoordeelt zij of sprake is van concreet zicht op legalisatie. Dit is nodig om te bepalen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.

De rechtbank stelt vast dat de aanvraag ziet op een binnenplanse omgevingsplanactiviteit. Het bouwen van bijgebouwen met een bouwhoogte van ten hoogste 6 meter is ter plaatse toegestaan, omdat het bouwen van de schuur met een hoogte van 5,20 meter in overeenstemming is met het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Op grond van artikel 8.0a, eerste lid, van de Bkl moet de omgevingsvergunning in dat geval worden verleend. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van concreet zicht op legalisatie. Dit gewijzigde standpunt van het college leidt ertoe dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.

9. Conclusie en gevolgen

Het beroep is gegrond. Omdat het college ter zitting het bestreden besluit van een andere motivering heeft voorzien, vernietigt de rechtbank het bestreden besluit.

De rechtbank ziet echter, met het oog op een finale beslechting van het geschil, aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Dit betekent dat het college niet handhavend zal optreden tegen de bouw van de schuur.

Omdat het beroep gegrond is moet het college wel het griffierecht van € 194,- aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten, namelijk de door hem gemaakte reiskosten voor het kunnen bijwonen van de zitting.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;

veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 42,48.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Faqiri, griffier op 1 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraaak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: relevante wet- en regelgeving

Omgevingswet

Artikel 5.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:

o a. een omgevingsplanactiviteit,

o b. een rijksmonumentenactiviteit,

o c. een ontgrondingsactiviteit,

o d. een stortingsactiviteit op zee,

o e. een Natura 2000-activiteit,

o f. een jachtgeweeractiviteit,

o g. een valkeniersactiviteit,

tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.

2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:

o a. een bouwactiviteit,

o b. een milieubelastende activiteit,

o c. een lozingsactiviteit op:

 1° een oppervlaktewaterlichaam,

 2° een zuiveringtechnisch werk,

o d. een wateronttrekkingsactiviteit,

o e. een mijn bouwlocatieactiviteit,

o f. een beperkingen gebied activiteit met betrekking tot:

 1° een weg,

 2° een waterstaatswerk,

 3° een luchthaven,

 4° een hoofdspoorweg, lokale spoorweg of bijzondere spoorweg,

 5° een installatie in een waterstaatswerk,

o g. een flora- en fauna-activiteit,

voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.

Besluit bouwwerken leefomgeving

Artikel 2.25

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten geldt voor een bouwactiviteit, voor zover die betrekking heeft op een gebouw of ander bouwwerk met een dak en dat gebouw of andere bouwwerk:

a. niet op de grond staat;

b. hoger is dan 5 m;

c. bij meer dan een bouwlaag, is voorzien van een verblijfsgebied op de tweede bouwlaag of hoger;

d.is voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; of

e. als gevolg van de bouwactiviteit een hoofdgebouw wordt.

Besluit kwaliteit leefomgeving

Artikel 8.0a

1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.

2 Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Bestemmingsplan gemeente Woudrichem WAAU2017

Bijgebouwen

de bijgebouwen zijn zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan;

de goothoogte van een aangebouwd bijgebouw mag niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste verdiepingsvloer van het hoofdgebouw vermeerderd met 0,30 m;

de goothoogte van een vrijstaand bijgebouw mag niet meer dan 3 m bedragen;

e bouwhoogte van bijgebouwen mag niet meer dan 6 m bedragen;

buiten het bouwvlak bedraagt het maximum bebouwingspercentage 60% van het gehele bouwperceel, met een maximum van 100 m2 per hoofdgebouw;

de afstand van bijgebouwen tot aan de voorgevellijn bedraagt minimaal 1 meter;

ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding uitgesloten - voor bewoning bedoelde bijbehorende bouwwerken' zijn de gronden geen erf zoals bedoeld in artikel 1 behorende bij bijlage II van het Besluit omgevingsrecht voor zover het gaat om bijbehorende bouwwerken die functioneel aan het hoofdgebouw zijn verbonden.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand