RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/430492 / HA ZA 25-17
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
[persoon 1] ,
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [persoon 1] ,
advocaat: mr. P. van Kuijk,
tegen
1. [bedrijf] B.V., per 6 januari 2026 failliet verklaard,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,2. [persoon 2],
te [plaats 3] (België),
gedaagde partij in conventie,
hierna samen te noemen: [bedrijf] en [persoon 2] ,
advocaat: voorheen mr. L.J.P.E. Donckers-Corten (onttrokken).
1. De procedure
[persoon 1] heeft bij dagvaarding van 6 december 2024 vorderingen ingesteld tegen [bedrijf] en de heer [persoon 2] , bestuurder van [bedrijf] . Op 5 maart 2025 hebben [bedrijf] en [persoon 2] hun conclusie van antwoord ingediend. [bedrijf] heeft tegen [persoon 1] reconventionele vorderingen ingesteld.
Bij vonnis van 26 maart 2025 heeft de rechtbank de datum voor de mondelinge behandeling bepaald. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling van 17 augustus 2026 heeft de rechtbank bij bericht van 11 augustus 2026 aan partijen laten weten dat zij bekend is geworden met het faillissement van [bedrijf] op 6 januari 2026. De rechter heeft partijen verzocht zich uit te laten over de gevolgen hiervan voor het verdere verloop van de procedure. Partijen hebben op dit bericht gereageerd.
De mondelinge behandeling heeft op 17 augustus 2026 plaatsgevonden. Hiervan zijn zittingsaantekeningen gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [persoon 1] en [persoon 2] een schikking bereikt. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt en de procedure tussen [persoon 1] en [persoon 2] is daarom doorgehaald.
In de zaak tussen [persoon 1] en [bedrijf] heeft de rechter bepaald om eindvonnis te wijzen. Dit oordeel volgt hieronder.
2. De beoordeling
in conventie
Het faillissement van [bedrijf] betekent voor de procedure in conventie tussen [persoon 1] en [bedrijf] dat deze op grond van artikel 29 Faillissementswet (hierna: Fw) is geschorst. Deze procedure wordt daarom doorgehaald.
in reconventie
[bedrijf] heeft tegen [persoon 1] reconventionele vorderingen ingesteld. Wegens het faillissement van [bedrijf] heeft [persoon 1] in reconventie om ontslag van instantie verzocht op grond van artikel 27 lid 2 Fw. De curator van [bedrijf] heeft schriftelijk meegedeeld geen proceshandelingen meer te zullen verrichten. De rechtbank begrijpt hieruit dat de curator de procedure niet zal overnemen. [persoon 2] heeft namens [bedrijf] tijdens de mondelinge behandeling aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het verzoek om ontslag van instantie. De rechtbank zal het ontslag van instantie daarom verlenen en de vorderingen in reconventie niet inhoudelijk beoordelen.
[bedrijf] wordt in reconventie in de proceskosten van [persoon 1] veroordeeld. Door het ontslag van instantie wordt een einde gemaakt aan de procedure zonder dat de vordering van de failliet in rechte is gehonoreerd. [bedrijf] is in zoverre te beschouwen als de in het ongelijk gestelde partij. De proceskosten van de zijde van [persoon 1] worden vastgesteld op € 614,00 (1 punt tarief II) aan salaris advocaat voor het opstellen van de conclusie van antwoord in reconventie.
3. De beslissing
De rechtbank
tegen [bedrijf]
in conventie
verstaat dat de procedure op de voet van artikel 29 Faillissementswet is geschorst en haalt de procedure om die reden door,
in reconventie
verleent [persoon 1] het door hem verzochte ontslag van instantie,
veroordeelt [bedrijf] in de proceskosten van [persoon 1] , vastgesteld op € 614,00,
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Vlieger en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.