Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-211068-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 10 september 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]
,
raadsman mr. M.J.C. Verlaan, advocaat te Amsterdam.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 augustus 2026, waarbij de officier van justitie mr. P. Emmen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
op 9 december 2024 een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor anderen zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen, subsidiair ten laste gelegd als het veroorzaken van gevaar op de weg.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). Uit informatie van de Event Data Recorder (EDR) volgt namelijk dat verdachte over een langere periode zijn aandacht niet op de weg heeft gehad en daarmee aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden. Verdachte heeft met zijn onvoorzichtige rijgedrag aan twee personen zwaar lichamelijk letsel toegebracht.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen ten aanzien van het primair tenlastegelegde feit. Gelet op het totale verkeersbeeld is het aannemelijk dat verdachte een black-out heeft gehad waardoor hij gedurende een korte tijd buiten zijn eigen schuld niet in staat is geweest om naar behoren te functioneren. Er kan daarom niet worden vastgesteld dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Onder deze omstandigheden kan wel een bewezenverklaring volgen voor het subsidiair tenlastegelegde artikel 5 WVW, maar moet verdachte voor dit feit wegens verontschuldigbare onmacht worden ontslagen van alle rechtsvervolging (OVAR).
Subsidiair is verzocht om bij een eventuele bewezenverklaring van artikel 6 WVW bij de bepaling van de mate van schuld de strafrechtelijke ondergrens van aanmerkelijke schuld te hanteren en verdachte partieel vrij te spreken van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1] .
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt vast dat verdachte met zijn passagier [slachtoffer 2] op 9 december 2024 omstreeks 20:20 uur in zijn personenauto over de Gilzerweg (N260) richting Alphen reed. De heer [slachtoffer 1] reed op dat moment met zijn personenauto over dezelfde weg op de tegengestelde rijstrook richting Gilze. De N260 is een onverlichte asfaltweg die uit één rijbaan bestaat die door middel van een dubbele onderbroken as-markering in twee rijstroken is verdeeld. De maximumsnelheid van deze weg bedraagt 80 kilometer per uur. Het was donker en de weersomstandigheden waren helder en droog.
Uit het dossier volgt dat verdachte omstreeks 20:23 uur door een onbekend gebleven oorzaak met zijn voertuig geheel op de tegengestelde rijstrook terecht is gekomen en hierdoor frontaal met de personenauto van [slachtoffer 1] in botsing is geraakt.
Uit de Verkeersongevallenanalyse (VOA) is gebleken dat de Gilzerweg op de plaats van het ongeval een recht wegverloop heeft en dat de verlichtingsschakelaar van beide voertuigen in de stand “A” automatisch stond.
Primair - schuld in de zin van artikel 6 WVW
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verdachte door zijn gedragingen schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW en indien dit het geval is, welke mate van schuld dit dan betreft. Bij de beoordeling hiervan moet worden gekeken naar het geheel van de gedragingen, de aard én de ernst van de verkeersovertreding(en) en de overige omstandigheden van het geval. Niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het handelen van verdachte kan worden afgeleid dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Van dergelijke schuld is pas sprake wanneer de verdachte zich roekeloos dan wel in hoge of aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gedragen. De omstandigheden van het geval – waartoe ook de aard van de verkeerssituatie kan worden gerekend – kunnen zodanige aandacht vergen dat ook een kort moment van onoplettendheid als zeer onvoorzichtig kan worden aangemerkt. Het rijgedrag van verdachte moet daarbij worden afgezet tegen dat wat van de gemiddelde verkeersdeelnemer mag worden verwacht.
De rechtbank overweegt dat uit het aanvullend procesdossier blijkt dat verdachte 4.5 seconde voorafgaand aan de botsing een stuurbeweging naar links heeft gemaakt. Hierdoor is verdachte met zijn personenauto volledig op de rijstrook voor het tegemoetkomend verkeer terecht gekomen. Een dergelijke verplaatsing kan naar het oordeel van de rechtbank niet in een kort moment van onoplettendheid ontstaan. Verdachte is tenminste 4.5 seconde afgeleid geweest en had zijn aandacht niet op de weg gericht. Ook het feit dat verdachte niet heeft geremd of heeft bijgestuurd terwijl de koplampen van de direct tegemoetkomende tegenligger voor verdachte al langer zichtbaar moeten zijn geweest, draagt bij aan het oordeel van de rechtbank dat de onoplettendheid van verdachte langer heeft geduurd dan een enkel ogenblik en daarmee aanzienlijk is geweest. Het verweer van de verdediging dat verdachte een black-out heeft gehad waardoor hij gedurende een korte tijd buiten zijn eigen schuld niet in staat is geweest om naar behoren te functioneren volgt de rechtbank niet. Hiervoor zijn geen verdere objectieve aanwijzingen uit het dossier gebleken. Bovendien heeft ook zijn bijrijder hier niet over verklaard. De rechtbank komt tot de conclusie dat verdachte aanmerkelijk onoplettend heeft gehandeld, waardoor er sprake is van schuld aan het verkeersongeval.
Kwalificatie van letsel
[slachtoffer 2] , die als bijrijder in de auto van verdachte zat, heeft ten gevolge van de frontale botsing breuken opgelopen aan haar neus, schouder, linkerarm en tenen van haar linkervoet. Voor de breuk aan haar schouder was operatief ingrijpen vereist. Daarnaast was er sprake van hersenletsel en hechtingen in het aangezicht. De rechtbank is van oordeel dat het letsel van passagier [slachtoffer 2] gekwalificeerd kan worden als zwaar lichamelijk letsel.
Tegenligger [slachtoffer 1] heeft naast de breuk in zijn rechterbeen verklaard over een blauwe plek op zijn linkerheup en een pijnlijk en beurs gevoel op meerdere plekken. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat het letsel van [slachtoffer 1] niet als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt. De rechtbank zal verdachte hiervoor partieel vrijspreken. Wel acht de rechtbank dat sprake is van zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onoplettend heeft gehandeld en daarmee schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW, waardoor aan anderen (zwaar) lichamelijk letsel is toegebracht. Het primair ten laste gelegde feit is daarmee wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 9 december 2024 te Alphen, gemeente Alphen-Chaam, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een
motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de N260, zich zodanig heeft gedragen
dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door
aanmerkelijk onoplettend,
op de rijstrook bestemd voor het hem tegemoetkomende verkeer terecht te komen
waarbij
verdachte zich onvoldoende ervan heeft vergewist dat de rijstrook
voor hem, verdachte, vrij was van enig verkeer en het met hem, verdachte,
bestuurde motorrijtuig niet is uitgeweken om een aanrijding of botsing met het voor
hem rijdende motorrijtuig te voorkomen en vervolgens frontaal tegen
een tegenligger aan te rijden,
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten
een gebroken neus en een gebroken rechter schouder en linker arm en
enige hersenschade en meer gebroken tenen, werd toegebracht, en
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke
ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid (OBM) van 1 jaar met een proeftijd van 2 jaren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt er rekening mee te houden dat er geen sprake is geweest van roekeloosheid of het willens en wetens creëren van een situatie waarin een ernstig ongeval voorzienbaar was. Het gaat in deze zaak om een jonge verdachte zonder enige justitiële documentatie die door een onbekend gebleven oorzaak op de verkeerde weghelft terecht is gekomen. Verdachte heeft zich de gevolgen van het ongeval zeer aangetrokken en heeft zich richting de slachtoffers niet onverschillig opgesteld. Daarom wordt verzocht om aan verdachte enkel een beperkte taakstraf op te leggen, eventueel in combinatie met een geheel voorwaardelijke OBM met een proeftijd van 1 jaar. Een dergelijke straf zal ruimschoots recht doen aan de mate van verwijtbaarheid die aan verdachte kan worden toegerekend.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte is met zijn auto op de tegengestelde rijstrook beland en heeft daardoor een frontale botsing veroorzaakt. Door deze botsing heeft zijn bijrijder [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel opgelopen en ook aan zijn tegenligger [slachtoffer 1] is lichamelijk letsel toegebracht. De impact van deze frontale klap was voor alle betrokkenen enorm. Zo verklaarde passagier [slachtoffer 2] dat zij, naast het reeds vastgestelde letsel, vijf dagen in coma heeft gelegen en haar familie er al was bijgehaald om afscheid te nemen.
Naast de ernst van het feit neemt de rechtbank bij de bepaling van de strafmaat in ogenschouw dat er sprake is van schuld in de laagste schuldgradatie van artikel 6 WVW. Daarnaast worden de blanco justitiële documentatie en de persoonlijke omstandigheden van verdachte meegewogen.
Uit het reclasseringsrapport van 27 juli 2026 dat over verdachte is opgemaakt volgt dat er sprake is van een stabiele situatie. Verdachte is recent afgestudeerd en gaat starten met een masteropleiding in het buitenland. Er is sprake van een pro-sociaal netwerk en geen sprake van middelenproblematiek.. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag. Uit de rapportage volgt dat verdachte er last van heeft dat hij de zaak niet kan afsluiten. Verdachte kan zich niets van het ongeval herinneren, maar denkt er over na en kan geen invulling geven aan wat er precies is gebeurd. Verdachte toont in het gesprek met de reclassering empathie richting de slachtoffers. De rechtbank overweegt dat dit beeld van verdachte overeenkomt met wat zij ter zitting heeft waargenomen.
De oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) gaan voor een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg, waarbij geen alcoholgebruik aan de orde is en de schuldgradatie ‘aanmerkelijk onoplettend’ bewezen wordt verklaard, uit van een taakstraf voor de duur van 120 uren en een onvoorwaardelijke OBM voor de duur van 6 maanden. Gelet op het tijdsverloop van 1,5 jaar na het ongeval acht de rechtbank de oplegging van een onvoorwaardelijke OBM echter niet meer opportuun.
Alles overwegende acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden. De rechtbank zal daarom aan verdachte opleggen een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis en een voorwaardelijke OBM van 1 jaar met een proeftijd van 2 jaren.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen;
Bijkomende straffen
- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat de voorwaardelijke rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Kralingen, voorzitter,
en mr. drs. K. Verschueren en mr. L.W.A. Gruijthuijsen, rechters,
in tegenwoordigheid van J.H. Cornelissen, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 10 september 2026.
De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 9 december 2024 te Alphen, gemeente Alphen-Chaam, in elkgeval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van eenmotorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de N260, zich zodanig heeft gedragendat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden doorroekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,op de rijstrook bestemd voor het hem tegemoetkomende verkeer terecht te komenen/of (waarbij)verdachte zich niet, althans onvoldoende, ervan heeft vergewist dat de rijstrookvoor hem, verdachte, vrij was van enig verkeer en/of het met hem, verdachte,bestuurde motorrijtuig niet is uitgeweken om een aanrijding of botsing met het voorhem rijdende motorrijtuig te voorkomen en/of (vervolgens) frontaal tegenvoornoemd motorrijtuig/een tegenligger aan te rijden,waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel, te weteneen gebroken neus en/of een gebroken rechter schouder en/of linker arm en/ofenige hersenschade en/of één of meer gebroken te(e)nen, of zodanig lichamelijkletsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in deuitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, en/ofwaardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten eengebroken been, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijkeziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;( art 6 Wegenverkeerswet 1994 )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op of omstreeks 9 december 2024 te Alphen, gemeente Alphen-Chaam alsbestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, deN260,op de rijstrook bestemd voor het hem tegemoetkomende verkeer terecht isgekomen en/of (waarbij)verdachte zich niet, althans onvoldoende, ervan heeft vergewist dat de rijstrookvoor hem, verdachte, vrij was van enig verkeer en/of het met hem, verdachte,bestuurde motorrijtuig niet is uitgeweken om een aanrijding of botsing met het voorhem rijdende motorrijtuig te voorkomen en/of (vervolgens) frontaal tegenvoornoemd motorrijtuig/een tegenligger aan is gereden,door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,althans kon worden gehinderd;( art 5 Wegenverkeerswet 1994 )