ECLI:NL:RBZWB:2026:875

ECLI:NL:RBZWB:2026:875

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 11-02-2026
Datum publicatie 11-02-2026
Zaaknummer 02-210749-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Veroordeling voor voorbereidingshandelingen met betrekking tot de invoer van harddrugs via het havengebied van Vlissingen. De rechtbank legt op een gevangenisstraf van twee jaar met aftrek van het voorarrest.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Parketnummer: 02-210749-24

Vonnis van de meervoudige kamer van 11 februari 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] [plaats 1] ,

raadsman mr. M. Broere en raadsman mr. J. Rokx , advocaten te Roosendaal.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. mr. J.J. Peerboom en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de invoer van harddrugs.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen.

De gedragingen van de verdachte kunnen niet worden aangemerkt als strafbare voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet. En in het dossier zijn geen concrete aanknopingspunten tussen de gesprekken van verdachte en cocaïne te vinden. Daarmee is het onmogelijk om te bewijzen dat het opzet van verdachte gericht was op de invoer van cocaïne en dient hij vrijgesproken te worden van het tenlastegelegde feit.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Beoordelingskader voorbereidings- of bevorderingshandelingen Opiumwet

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het de bedoeling is om met de zelfstandige strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen mogelijk te maken dat in een vroeg stadium van de organisatie van die (internationale) handel in (hard)drugs kan worden ingegrepen. Voor een bewezenverklaring is vereist dat bij de dader het opzet heeft bestaan om de invoer voor te bereiden of te bevorderen. Ook is vereist dat de verdachte aan die intentie uiting heeft gegeven door één of meer van de voorbereidings- of bevorderingshandelingen te verrichten die in artikel 10a, eerste lid, Opiumwet zijn beschreven. Voor het bewijs is niet vereist dat reeds bekend is ter voorbereiding of bevordering van welk concreet misdrijf deze handelingen dienen. Ook is niet relevant dat de verwezenlijking van het misdrijf door bepaalde omstandigheden niet heeft plaatsgevonden. Voorbereidingshandelingen zijn zowel strafbaar wanneer de pleger in de voorbereidingsfase is blijven steken als wanneer het voorgenomen misdrijf waarop de voorbereidingshandelingen zich richten, is gerealiseerd of dat een poging daartoe is ondernomen.

Feiten van algemene bekendheid

Het is een feit van algemene bekendheid dat Nederlandse zeehavens worden gebruikt voor de invoer van harddrugs, meer in het bijzonder van cocaïne. De drugs die via deze havens binnenkomen, komen veelal uit Zuid-Amerika en zijn verstopt in containers en dekladingen, waarbij het meer dan eens gaat om ladingen met bananen. Het is eveneens een feit van algemene bekendheid dat criminelen die betrokken zijn bij die invoer, er belang bij hebben om contact te leggen met havenmedewerkers om te bewerkstelligen – kort gezegd – dat de drugs uit de containers worden gehaald, voordat deze naar de rechtmatige afnemer gaan. Het is in dit verband onder meer gebruikelijk dat havenmedewerkers geronseld worden om inlichtingen te verschaffen over aankomsttijden van schepen en de posities van gezochte containers op de terminal of van de pallets in de koelhuizen.

Specifieke informatie

In het dossier bevindt zich een proces-verbaal, opgemaakt door de teamleider Haven Intelligence Team. Uit dit proces-verbaal blijkt dat de zeehaven van [plaats 2] één van de voornoemde havens is. Het [bedrijf] is een van de bedrijven die opereren in deze haven. [bedrijf] exploiteert een containerterminal waar containers van zeeschepen worden overgeslagen die vervolgens verder worden vervoerd. Meer in het bijzonder worden via [bedrijf] bananen vanuit Zuid-Amerika ingevoerd via de zogenoemde “Chiquita-lijn”. Gelet op de aard van de werkzaamheden is er een reëel gevaar dat drugs via [bedrijf] worden ingevoerd, hetgeen bevestiging vindt in de bij dat bedrijf gegeven ronselcursussen waarin havenmedewerkers worden gewezen op het gevaar te worden geronseld en leren hoe zij daarmee om moeten gaan.

Gedragingen van verdachte en [medeverdachte]

heeft gedurende een jaar, tot april 2024, bij [bedrijf] gewerkt. Tijdens dit dienstverband heeft hij op verzoek van verdachte aan hem onder meer afbeeldingen gestuurd van en informatie gegeven over specifieke containers, de datum waarop deze bij [bedrijf] zijn binnengekomen en de positie van de containers. Onder de afbeeldingen bevinden zich ook afbeeldingen van containers bestemd voor bananen. In zijn verklaring bij de politie geeft [medeverdachte] te kennen dat hij zich er “niet lekker bij voelde” en dat hij als hij de informatie niet zou geven, zij langs zouden komen en hij dan klappen zou krijgen. De rechtbank leidt hieruit af dat [medeverdachte] verdachte informatie verstrekte met het oog op in te voeren harddrugs, meer in het bijzonder cocaïne.

Vaststaat dat verdachte bij het einde van het dienstverband van [medeverdachte] – toen duidelijk was dat [medeverdachte] de voornoemde informatie niet meer aan verdachte kon verstrekken – heeft gevraagd om namen en telefoonnummers van havenmedewerkers die iets bij wilden verdienen, die op een juiste locatie in de haven werkzaam waren en die bereid waren ‘dat werk’ voor verdachte te verrichten. Vaststaat voorts dat verdachte die havenmedewerkers heeft benaderd.

Op grond van de voornoemde feiten van algemene bekendheid, de bewijsmiddelen en meer in het bijzonder gelet op de tussen [medeverdachte] en verdachte tijdens het dienstverband van [medeverdachte] gewisselde informatie en de aard en inhoud van de op de telefoons van verdachte en [medeverdachte] gevonden berichten en afbeeldingen, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat verdachte havenmedewerkers benaderde om het ertoe te leiden dat zij hem informatie zouden verstrekken met betrekking tot de invoer van harddrugs en dat [medeverdachte] dit wist, althans geweten moet hebben toen hij de gegevens van zijn oud-collega’s verschafte. Daaraan doet niet af dat uit het dossier niet blijkt dat expliciet over de invoer van harddrugs is gesproken door verdachte en medeverdachte en ook doet daaraan niet af dat het niet tot concrete afspraken heeft geleid met de benaderde havenmedewerkers. Dat het benaderen van de havenmedewerkers betrekking had op andere goederen dan harddrugs, zoals verdachte bij de politie heeft verklaard en door de verdediging van verdachte is bepleit, is niet aannemelijk geworden.

De gedragingen van verdachte en [medeverdachte] kunnen mitsdien worden aangemerkt als voorbereidingshandelingen die zien op de invoer van harddrugs. De rechtbank oordeelt het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op meerdere tijdstippen in de periode van 9 april 2024 tot en met 11 september 2024 te [plaats 2] en/of [plaats 1] , tezamen en in vereniging met een ander om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,

te weten

- het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen

van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I

een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede teplegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoegelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

door- havenarbeiders/medewerkers van het [bedrijf] [plaats 2] telefonisch en/ofvia Whatsapp te benaderen met de vragen of hij/zijnog bij het betreffende bedrijf werkzaam is/zijn en hij/zij iets bij wil(len) verdienen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van twee jaar met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en geen standpunt ingenomen ten aanzien van de strafmaat wanneer een bewezenverklaring volgt. Wel heeft de verdediging naar voren gebracht dat op het strafblad van verdachte geen relevante antecedenten voorkomen en dat hij meer dan drie maanden in voorarrest heeft doorgebracht.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich beziggehouden met het ronselen van havenmedewerkers. Dit met als doel de invoer van harddrugs via het havengebied van [plaats 2] te kunnen realiseren. Met zijn handelen heeft verdachte een wezenlijke bijdrage geleverd aan de voorbereiding van de invoer van harddrugs naar Nederland. Personen die havenmedewerkers ronselen vormen een essentiële schakel in de keten van het invoertraject.

De wetgever heeft hoge strafmaxima verbonden aan de opzettelijke invoer van harddrugs, juist om de Nederlandse samenleving zo veel mogelijk hiervan te vrijwaren en ter voorkoming van het ontstaan van een grootschalige binnenlandse markt. Om dezelfde reden staan er ook aanzienlijke straffen op handelingen die gericht zijn op de voorbereiding of de bevordering van de invoer van harddrugs.

Harddrugs zijn schadelijke stoffen voor de gezondheid van personen. Door de verspreiding van harddrugs en het gebruik daarvan wordt niet alleen de volksgezondheid ernstig bedreigd, maar de ervaring leert ook dat dit dikwijls gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit. Dit varieert van lichte verwervingscriminaliteit tot zware criminaliteit zoals geweldsmisdrijven en misdrijven die de integriteit van het financiële en economische verkeer schaden. Kennelijk heeft verdachte hier geen boodschap aan gehad en zich enkel gericht op het winstbejag, dat met dergelijke feiten gepaard gaat.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde komt naar het oordeel van de rechtbank slechts een gevangenisstraf als passende sanctie in aanmerking.

Bij de bepaling van de strafmaat heeft de rechtbank rekening gehouden met de straffen die ten aanzien van dit soort misdrijven in vergelijkbare gevallen plegen te worden opgelegd.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het op Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 20 januari 2026, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder is veroordeeld voor in de Opiumwet strafbaar gestelde feiten. Dit waren weliswaar lichtere veroordelingen, maar die hebben verdachte er niet van weerhouden zich opnieuw met Opiumwetdelicten bezig te houden.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden is.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7. Het beslag

De verbeurdverklaring

De volgende inbeslaggenomen voorwerpen worden verbeurd verklaard:

1. STK GSM Omschrijving: PL2000-2024145395-G2769685, Apple iPhone;

3 1 STK GSM Omschrijving: PL2000-2024145395-G2769670, Apple.

Deze voorwerpen zijn hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om naast de hoofdstraf de verbeurdverklaring op te leggen, omdat de voorwerpen aan verdachte toebehoren en het onder 4.4 bewezen feit met behulp van deze voorwerpen is begaan/voorbereid.

De teruggave

Ten aanzien van het hierna genoemde in beslag genomen voorwerp wordt een last gegeven tot teruggave aan verdachte:

2 2.630 Euro Omschrijving: PL2000-2024145395-G2769703 ibn 11-09-2024.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van art. 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken of een ander trachten te bewegen daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twee jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd de volgende voorwerpen:

1. STK GSM Omschrijving: PL2000-2024145395-G2769685, Apple iPhone;

3 1 STK GSM Omschrijving: PL2000-2024145395-G2769670, Apple;

- gelast de teruggave aan verdachte het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:

2 2.630 Euro Omschrijving: PL2000-2024145395-G2769703 ibn 11-09-2024.

Dit vonnis is gewezen door L.W. Boogert, voorzitter,

en mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en mr. L.W. Louwerse, rechters,

in tegenwoordigheid van M.R. Tafazzul, griffier,

en is uitgesproken ter de openbare zitting op 11 februari 2026.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. N. van der Ploeg-Hogervorst
  • mr. L.W. Louwerse

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?