Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-061820-26
Vonnis van de meervoudige kamer van 11 september 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats] (Polen),
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie] ,
niet in Nederland ingeschreven in de basisregistratie personen,
raadsman mr. M.R.J. Schönfeld, advocaat te Breda.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 augustus 2026, waarbij de officier van justitie mr. L. van Hemert en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering.
De definitieve tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 27 februari 2026 heeft geprobeerd om [slachtoffer] te doden, dan wel hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door hem met een mes in zijn linkerzij, althans bovenlichaam, te steken.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Door met een mes in de borstkas, althans in de richting van het bovenlichaam te steken, heeft verdachte bewust het risico genomen dat een verwonding zou ontstaan aan de gevolgen waarvan het slachtoffer zou kunnen komen te overlijden, nu in de borstkas vitale organen en belangrijke bloedvaten liggen. Het alternatief scenario dat is geschetst door [slachtoffer] bij de rechter-commissaris schuift zij als ongeloofwaardig terzijde.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen omdat het dossier onvoldoende informatie bevat om de feitelijke gang van zaken precies vast te kunnen stellen. De raadsman neemt de verklaring van [slachtoffer] als uitgangspunt en stelt dat niet kan worden bewezen dat verdachte gericht heeft gestoken en daarmee (voorwaardelijk) opzet had op de dood van het slachtoffer, dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feiten en omstandigheden
Verdachte deelde met het [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer), een kamer in een woning aan [adres] in [plaats] . Zij hadden (en hebben) een relatie. In de middag op 27 februari 2026 was verdachte in de woning samen met het slachtoffer en een medebewoner, de heer [getuige] , (hierna: de getuige), alcohol aan het drinken. Op enig moment ontstond tussen verdachte en het slachtoffer ruzie, welke steeds heviger werd. Toen de getuige terugkwam van de badkamer zag hij het slachtoffer kreunend op de grond liggen. Hij zag verdachte versteend boven/naast het slachtoffer hangen met een mes in haar rechterhand. De getuige pakte het mes uit haar handen en legde het mes in de gootsteen van de keuken. De getuige en verdachte droegen het slachtoffer vervolgens naar zijn slaapkamer. De getuige zag op dat moment letsel onder de linker oksel van het slachtoffer. Verdachte heeft deze verwonding dichtgedrukt.
Door het ambulancepersoneel dat ter plaatse kwam, is geconstateerd dat het slachtoffer veel bloed verloor en er bestond een vermoeden van inwendig bloedverlies in de longen. Er is een drain geplaatst en het slachtoffer is met spoed naar het ziekenhuis vervoerd. De politie die ter plaatse was, omschrijft een wond van ongeveer 5 centimeter breed. In de medische rapportage die later is opgemaakt, wordt omschreven dat sprake was van een steekverwon-ding aan de linkerzijde van de borstkas van het slachtoffer, waarbij het letsel potentieel dodelijk was.
Verdachte was op het moment dat de politie ter plaatse kwam onvast ter been en bij de voorlopige ademanalyse werd een A/G indicatie gemeten.
Verdachte heeft ter zitting op een foto in het dossier van de gootsteen een zwart mes aangewezen en hierover verklaard dat zij dit ten tijde van het incident vasthield. Zij heeft verder verklaard dat het mes een lengte had van - ongeveer - die van een doos tissues. De rechtbank concludeert dat het derhalve om een vrij groot mes ging.
Is er sprake geweest van een stekende beweging?
Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat verdachte op enig moment gedurende de ruzie met het slachtoffer een vrij groot mes voor zich heeft gehouden. Voorts stelt zij vast dat het slachtoffer direct na het incident een steekverwonding had aan de linkerzijde van zijn borstkas. De rechtbank trekt op basis hiervan de conclusie dat deze steekverwonding is veroorzaakt met het mes dat verdachte op dat moment in haar handen had.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte bewust een stekende beweging heeft gemaakt richting het slachtoffer, of dat het slachtoffer bij het geven van een knuffel of door te struikelen in het mes is gelopen, zoals door verdachte is verklaard. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Verdachte en het slachtoffer hebben wisselende verklaringen afgelegd over wat er zou zijn gebeurd. Eerst zou het slachtoffer door onbekende mannen in [wijk] zijn gestoken. Later is verklaard dat het slachtoffer, mogelijk terwijl verdachte in de keuken iets aan het snijden was, dronken in het mes is gelopen of is gestruikeld. De rechtbank beschouwt zowel de verklaring van verdachte als die van het slachtoffer ongeloofwaardig. Zij kent bij dat oordeel veel gewicht toe aan het feit dat deze verklaringen sterk wisselen, maar ook aan de aard van de verwonding en de plaats waar deze wordt aangetroffen. Deze sluiten naar het oordeel van de rechtbank niet goed aan bij een dronken knuffel of struikelen en wel bij een bewuste stekende beweging. Ten slotte wordt het alternatieve scenario ook overigens niet ondersteund door de inhoud van het dossier.
Uit de bewijsmiddelen volgt niet zonder meer hoe het mes in de borstkas van het slachtoffer is terecht gekomen en of daarbij sprake is geweest van een stekende beweging. Vast staat echter dat verdachte onder invloed van alcohol was en hevig ruzie had met het slachtoffer. Voorts staat vast dat verdachte een mes in haar hand had en op het moment van het ontstaan van het letsel dicht bij het slachtoffer heeft gestaan. Mede gelet op de aard en de hoogte van de steekwond kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte het slachtoffer met het mes heeft gestoken.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte het slachtoffer met een mes heeft gestoken.
Poging tot doodslag
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de handelingen van verdachte gekwalificeerd kunnen worden als een poging tot doodslag, dan wel tot een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag moet kunnen worden geconclu-deerd dat door het handelen van verdachte een aanmerkelijk kans is ontstaan dat het slachtoffer letsel zou oplopen waardoor hij zou komen te overlijden en dat verdachte deze kans bewust heeft aanvaard. Of door het steken met een mes deze aanmerkelijke kans ontstaat, moet worden beoordeeld naar de omstandigheden van het geval. Daarbij speelt de specifieke plaats waar wordt gestoken een belangrijke rol, maar ook de aard van het steekwapen zelf en de kracht waarmee is gestoken. De rechtbank stelt vast dat de steekwond bij het slachtoffer niet forensisch is onderzocht. De enige relevante informatie over de steekwond in het dossier is dat deze in de linkerzijde ter hoogte van de borstkas zat, dat sprake was van verminderd ademgeruis (links), dat de verwonding ongeveer 5 centimeter breed en potentieel dodelijk was, en ten slotte dat er een drain is geplaatst en het slachtoffer ter observatie is opgenomen in het ziekenhuis. Er is niet gebleken van blijvend letsel. Voorts bevat het dossier geen informatie over de diepte van de verwonding of de kracht waarmee is gestoken en evenmin over de exacte plaats van de steekwond ten opzichte van (vitale) organen in de borstkas. De rechtbank kan op basis hiervan niet concluderen dat er een aanmerkelijk kans heeft bestaan dat het slachtoffer door de onderhavige messteek zou komen te overlijden. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primaire feit, te weten de poging tot doodslag.
Poging tot zware mishandeling
De rechtbank is van oordeel dat de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wel kan worden bewezen. Door met een mes in het bovenlichaam van iemand te steken, ontstaat de aanmerkelijk kans dat diegene daardoor zwaar lichamelijk letsel oploopt. Voor dat oordeel is de kracht waarmee is gestoken en de diepte van de verwonding minder belangrijk dan bij een poging tot doodslag, omdat ook bij oppervlakkiger letsel schade aan de longen, spieren en zenuwen kan ontstaan waarvoor operatief ingrijpen noodzakelijk is of waarvan het herstel langer duurt. De rechtbank is van oordeel dat verdachte deze kans ook bewust heeft aanvaard en leidt dit af uit de aard van de gedraging zelf, te weten het steken met een vrij groot mes in het bovenlichaam.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 27 februari 2026 te [plaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] eenmaal met een mes in het bovenlichaam heeft gestoken,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 42 maanden met aftrek van voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ter zitting gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en daarbij onder meer verwezen naar de verslagen van de penitentiaire inrichting. Wanneer aan verdachte een taakstraf wordt opgelegd, zal zij woonruimte in Nederland zoeken om de taakstraf naar behoren te kunnen verrichten.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door haar partner met een mes in het bovenlichaam te steken. Het steken met een mes in het bovenlichaam brengt naar zijn aard een aanzienlijk risico op zwaar lichamelijk letsel met zich. Dat dit risico zich in dit geval niet heeft verwezenlijkt, is geenszins aan het handelen van verdachte te danken. Verdachte heeft zelfs, in plaats van gelijk de hulpdiensten te bellen, haar partner eerst naar boven verplaatst. Daarmee heeft zij niet alleen nagelaten onmiddellijk de noodzakelijke medische hulp voor het slachtoffer in te schakelen, maar heeft zij ook de ernst en mogelijke gevolgen van haar handelen onvoldoende onderkend.
De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat zij dit feit heeft gepleegd in de beslotenheid van de gezamenlijke woning, een plaats waar het slachtoffer zich bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen. Verder heeft zij, door eerst een andere en leugenachtige verklaring af te leggen, de politie nodeloos extra werk bezorgd.
De omstandigheid dat het slachtoffer geen aangifte heeft gedaan en de relatie met verdachte wil voortzetten, plaatst naar het oordeel van de rechtbank de ernst van het door verdachte gepleegde feit en de strafwaardigheid daarvan, niet in een ander licht. Het gaat om een ernstig geweldsdelict waarbij de lichamelijke integriteit van het slachtoffer op forse wijze is aangetast. Het strafrecht moet mensen beschermen tegen dit soort geweld, ook wanneer zij zelf geen aangifte wensen te doen.
De rechtbank houdt bij de strafmaat rekening met het feit dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest en als ‘first offender’ kan worden aangemerkt.
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Voor het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen, niet zijnde een vuurwapen, geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven maanden. Bij een poging wordt daarop een derde in mindering gebracht. Daarmee komt het uitgangspunt voor een poging tot zware mishandeling met een mes uit op 140 dagen gevangenisstraf.
Gelet op de ernst van het feit en de hiervoor genoemde omstandigheden acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van deze duur passend en geboden.
Nu verdachte en het slachtoffer de relatie willen voortzetten en het feit lijkt te zijn gepleegd in een situatie waarin sprake was van alcoholgebruik door beiden, acht de rechtbank het risico op herhaling aanwezig. Een voorwaardelijk strafdeel zou in beginsel dan ook wenselijk zijn. Gezien de duur van de voorlopige hechtenis bestaat daarvoor echter onvoldoende ruimte.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 140 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
poging tot zware mishandeling;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 140 dagen;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Faouzi, voorzitter, en mr. E.B. Prenger en mr. J.F.C. Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.J.M. van de Vrede, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 september 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
zij op of omstreeks 27 februari 2026 te [plaats], althans in Nederland,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de (linker)zij, althans in het (boven)lichaam heeft gestoken,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)