[belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van Sabewa, de heffingsambtenaar,
(gemachtigde: mr. B. de Smit).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 3 oktober 2024.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 24 februari 2024 de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats 2] (de woning) op 1 januari 2023 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 269.000. Tegelijk met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Terneuzen voor het jaar 2024 opgelegd (de aanslag OZB).
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft de beroepen op 31 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de heffingsambtenaar deelgenomen. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.
De griffier heeft belanghebbende bij aangetekende brief, verzonden op 22 mei 2026 aan belanghebbende op het [adres] te [plaats 2] , onder vermelding van plaats en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Uit informatie van PostNL blijkt dat de brief op 23 mei 2026 op voorgenoemd adres is bezorgd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op de juiste wijze, tijdig en op het juiste adres is aangeboden.
Feiten
2. Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het is een vrijstaande woning (bouwjaar 1956) met een gebruiksoppervlakte van 122 m2, een aanbouw woonruimte van
12 m2 en een grondoppervlakte van 1.405 m2.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt eerst of het beroep ontvankelijk is. Als het beroep
niet-ontvankelijk is, dan kan de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordelen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Motivering
Ontvankelijkheid beroep
4. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Wanneer het beroepschrift met de gewone post wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn onder voorwaarden ook tijdig ingediend. Die voorwaarden zijn dat het beroepschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij de rechtbank is ontvangen.
Als een beroepschrift te laat wordt ingediend, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verschoonbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
Vast staat dat de dagtekening van de uitspraak op bezwaar 3 oktober 2024 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending daarvan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is daarmee geëindigd op 14 november 2024. De rechtbank heeft het beroepschrift op 18 december 2024 ontvangen.
Gelet op de poststempel op de enveloppe gaat de rechtbank ervan uit dat het beroepschrift op 16 december 2024 op de post is gedaan. De rechtbank begrijpt het standpunt van belanghebbende zo dat hij het beroepschrift voor de tweede keer heeft verstuurd op 16 december 2024, omdat hij van de rechtbank geen ontvangstbevestiging van het eerder verzonden beroepschrift had ontvangen. De rechtbank heeft echter geen eerder beroepschrift van belanghebbende ontvangen. Belanghebbende heeft zijn stelling dat hij het beroepschrift eerder heeft verstuurd ook niet met bewijsstukken, zoals een verzendbevestiging, onderbouwd. De rechtbank is daarom van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij het beroepschrift eerder heeft verstuurd. Dit betekent dat het beroepschrift niet voor het einde van de beroepstermijn op de post is gedaan en daarom niet tijdig is ingediend.
De vervolgvraag is of de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Ook krijgt belanghebbende het griffierecht niet vergoed.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Damen, griffier, op 11 september 2026. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De rechter is buiten staat te tekenen.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.