Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02-374416-24, 10-302056-24 en 02-335383-24 (gev. ttz)
Vonnis van de meervoudige kamer van 11 september 2026
in de strafzaak tegen de minderjarige
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2009,
wonende te [woonadres] ,
raadsman mr. M.P. Kloppenburg, advocaat te Rotterdam.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 28 augustus 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.P. de Graaf en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 Sv.
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
02-374416-24
op 22 september 2024 te Rotterdam openlijk geweld heeft gepleegd tegen personen.
10-302056-24
Feit 1: op 22 september 2024 te Rotterdam [benadeelde partij 1] , een ambtenaar in functie, heeft mishandeld.
Feit 2: op 22 september 2024 te Rotterdam een bivakmuts bij zich heeft gehad, waarvan aannemelijk was dat deze was meegebracht om de openbare orde of de veiligheid te verstoren.
02-335383-24
Op 22 december 2023 te Breda openlijk geweld heeft gepleegd tegen personen en/of goederen.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht alle feiten wettig en overtuigend bewezen, gelet op de aangiften, beelden en de deels bekennende verklaring die de verdachte op zitting heeft afgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder parketnummer 02-374416-24 ten laste gelegde openlijke geweldpleging. Op het moment dat verdachte aan komt gelopen heeft het geweld al voor 99% plaatsgevonden. Verdachte blijft erbij dat hij bij de groep hoort die probeert de foodstand weer recht te zetten.
Ten aanzien van de overige feiten refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
10-302056-24
Feit 1
Aangezien verdachte ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sv. De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de zitting op 28 augustus 2026;
- het proces-verbaal van aangifte door [benadeelde partij 1] d.d. 22 september 2024, opgenomen op pagina 5 en verder van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL1700-2024316040.
Feit 2
Aangezien verdachte ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sv. De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de zitting op 28 augustus 2026;
- de kennisgeving van inbeslagneming d.d. 22 september 2024, opgenomen op pagina 25 van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL1700-2024316040.
02-335383-24
Aangezien verdachte ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sv. De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de zitting op 28 augustus 2026;
- de camerabeelden zoals getoond tijdens de zitting;
- het proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 18 en verder van het eindproces-verbaal met dossiernummers PL2000-2024250809.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
02-374416-24
Uit de bewijsmiddelen, waaronder de camerabeelden, leidt de rechtbank af dat op zondag 22 september 2024 de voetbalwedstrijd Feyenoord-NAC heeft plaatsgevonden in de Kuip in Rotterdam. Na de wedstrijd hebben NAC supporters geweld gebruikt richting een foodstand met daarachter een vijftal cateringmedewerkers. De NAC-supporters bleven geweld uitoefenen tegen de foodstand en de foodstand werd in zijn geheel omgegooid, waardoor de cateringmedewerkers tussen de foodstand en een hek in de knel kwamen.
Op de camerabeelden is duidelijk te zien dat verdachte pas in beeld komt op het moment dat het openlijk geweld, zoals beschreven in de tenlastelegging al heeft plaatsgevonden. De foodstand was al naar achteren geduwd en omgegooid voordat verdachte zich in de groep NAC-supporters mengde. Op basis van de camerabeelden stelt de rechtbank wel vast dat verdachte nog een duw tegen de kraam geeft, maar deze enkele handeling levert niet een wezenlijke bijdrage aan het feit op. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van dit feit.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
10-302056-24 1op omstreeks 22 september 2024 te Rotterdam, een ambtenaar, [benadeelde partij 1] ,gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bedieningheeft mishandeld door die [benadeelde partij 1] tegen het hoofd, althans tegen zijn mobiele-eenheid helm te trappen;
2op 22 september 2024 te Rotterdam, op een openbare plaats, te weten aan de Olympiaweg, een voorwerp, te weten een bivakmuts bij zich heeft gehad, waarvan aannemelijk was dat deze was meegebracht om de openbare orde of veiligheid te verstoren;
02-335383-24 op 22 december 2023 te Breda, openlijk, op of aan de openbare weg, de Rat Verleghstraat en/of de Stadionstraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen,welk geweld bestond uit het een of meerdere malen tegen en/of in de richting van politieambtenaren - te schreeuwen, en - te gooien met glazen flesjes, althans met voorwerpen, en - te gooien met zwaar vuurwerk, en - maken van schoppende en slaande bewegingen, en - met een broekriem slaan tegen een schild.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een werkstraf van 140 uur, waarvan 70 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De officier van justitie houdt hierbij rekening met de overschrijding van de redelijke termijn.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank bij het bepalen van de straf onder meer rekening te houden met de forse overschrijding van de redelijke termijn in jeugdstrafzaken. Ook verzoekt de verdediging er rekening mee te houden dat verdachte in de zaak 02-335383-24 niet met vuurwerk heeft gegooid. De verdediging vindt een werkstraf van 100 uur, waarvan 60 uur voorwaardelijk passend.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich twee keer schuldig gemaakt aan ernstig voetbalgeweld.
Verdachte heeft zich, samen met andere relschoppers, schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging na afloop van de voetbalwedstrijd tussen NAC Breda en Willem II op 22 december 2023. De daar aanwezige leden van de mobiele eenheid (hierna: ME) zijn die bewuste avond fysiek aangevallen door tientallen NAC-supporters en met vrijwel alles wat voorhanden was bekogeld waaronder zwaar vuurwerk. De geweldpleging heeft veel impact gehad op de betrokken leden van de ME, zo blijkt ook uit de verklaringen in dossier. Niet alleen vanwege de dreiging en angst die zij hebben ervaren temidden van het geweld, maar ook vanwege de blijvende gehoorschade die zij hebben overgehouden van het vuurwerk dat naast hen is ontploft. Verdachte heeft weliswaar niet ook zelf met vuurwerk gegooid, maar dit neemt niet weg dat hij door zijn handelen een aandeel heeft gehad in het geweld tegen de ME. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich heeft laten meeslepen in het geweld tegen de ME, terwijl de ME er juist is om ervoor te zorgen dat de veiligheid voor iedereen tijdens of na afloop van een voetbalwedstrijd is gewaarborgd.
Op 22 september 2024 heeft verdachte na afloop van de voetbalwedstrijd Feyenoord en NAC Breda verbalisant [benadeelde partij 1] , eveneens lid van de ME, mishandeld. Nadat [benadeelde partij 1] zijn wapenstok heeft laten vallen en voorover bukte om de wapenstok op te pakken, heeft verdachte hem een trap tegen zijn helm gegeven. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij wederom zonder enkele reden geweld tegen de ME heeft gepleegd en dat hij bovendien in een kennelijk onbewaakt moment heeft geschopt. Na zijn aanhouding is bij verdachte ook nog een bivakmuts aangetroffen. Gelet op de gewelddadigheden die rondom de voetbalwedstrijd hebben plaatsgevonden, waarbij het overgrote deel van de NAC supporters het gezicht had bedekt, is aannemelijk dat verdachte deze bivakmuts had meegebracht om de openbare orde of de veiligheid te verstoren.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
Justitiële documentatie
Uit het strafblad van verdachte van 17 juli 2026 blijft dat verdachte niet eerder voor een misdrijf is veroordeeld. Wel is hij op 27 mei 2025 en 25 september 2025 veroordeeld voor een verkeersovertreding. De rechtbank houdt rekening met de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Advies van de Raad van de Kinderbescherming
De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van de Raad van de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en de mondelinge toelichting daarop ter zitting. De Raad merkt op dat er inmiddels geruime tijd verstreken is sinds de strafbare feiten hebben plaatsgevonden. De persoonlijke situatie van verdachte is inmiddels veranderd; hij gaat niet meer naar school, maar werkt fulltime, hij bevindt zich niet meer in de invloedsfeer van zijn netwerk waar hij mee naar voetbalwedstrijden ging en is het afgelopen jaar niet meer in aanraking gekomen met de politie. Ook is er sprake van een stadionverbod dat inmiddels is verlengd tot 2029.
Gezien de huidige situatie van verdachte vindt de Raad een werkstraf met een voorwaardelijk deel passend. Nu het stadionverbod van verdachte is verlengd tot 2029 vindt de Raad een proeftijd van één jaar passend.
Advies van de jeugdreclassering
Door de jeugdreclassering wordt aangevoerd dat bij de start van de begeleiding een zelfbepalende jongen werd gezien. De jeugdreclassering heeft veel gesprekken met verdachte gevoerd en hij wil laten zien dat hij is veranderd. De jeugdreclassering heeft ingezet op een passende daginvulling voor verdachte. Inmiddels is hij gestopt met school en is hij fulltime aan het werk. Onlangs heeft hij zich ingeschreven bij de Kamer voor Koophandel en is hij gestart met een eigen dakdekkersbedrijf. Nadat de zaken vorig jaar op zitting waren gepland en niet door zijn gegaan, kreeg de jeugdreclassering bericht dat de begeleiding door de jeugdreclassering was beëindigd. Via de Raad is de begeleiding door de jeugdreclassering in het vrijwillige kader voortgezet. Doordat verdachte vijf dagen in de week werkt, heeft de jeugdreclassering vooral telefonisch contact met verdachte. Volgens de jeugdreclassering is voor verdachte duidelijk dat hij weg moet blijven bij voetbalwedstrijden. Het stadionverbod is daarbij helpend. De jeugdreclassering sluit zich aan bij het advies van de Raad om een deels voorwaardelijke werkstraf aan verdachte op te leggen.
Redelijke termijn
De rechtbank stelt verder vast dat bij de afhandeling van deze zaak de redelijke termijn, zoals is bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens een verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als een zodanige handeling te gelden. Wel moeten de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de dagvaarding als zo'n handeling worden aangemerkt. Als uitgangspunt heeft te gelden dat in een strafzaak van een minderjarige de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen zestien maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen. De redelijke termijn in beide zaken aangevangen op de datum van betekening van de dagvaarding, te weten in de zaak met parketnummer 10-302056-24 op 12 november 2024 en in de zaak met parketnummer 02-335383-24 op 10 maart 2025. Nu het vonnis op de datum van 11 september 2026 is gewezen, is de redelijke termijn geschonden; te weten met twee respectievelijk zes maanden. Deze overschrijding wordt ten gunste van verdachte gecompenseerd door strafvermindering.
De straf
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Ook heeft de rechtbank in het bijzonder laten meewegen de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarnaast heeft de rechtbank in strafverminderde zin rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn, zoals hiervoor reeds is overwogen.
Nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf van 100 uur, waarvan 50 uur voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van twee jaar, passend en geboden is. De rechtbank vindt het belangrijk dat verdachte door het verrichten van een werkstraf de directe gevolgen ondervindt van zijn strafbare gedragingen. Het voorwaardelijke deel van de werkstraf dient om verdachte ervan te weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen. Ondanks dat verdachte een stadionverbod is opgelegd tot 2029 ziet de rechtbank gelet op de ernst van de feiten aanleiding om de proeftijd te bepalen op twee jaar.
7. De benadeelde partijen
10-302056-24
De vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 1] voor feit 1
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert een schadevergoeding van € 500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Ook wordt de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 500,- aan immateriële schade.
Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 22 september 2024.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen. De rechtbank zal, conform de landelijke afspraken hieromtrent, geen gijzeling verbinden aan de schadevergoedingsmaatregel (aantal dagen 0).
02-335383-24
De vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 2]
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert een schadevergoeding van € 500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Ook wordt de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd. Daarnaast wordt een vergoeding van de proceskosten gevorderd ter hoogte van € 348,-.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 500,- aan immateriële schade.
Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 22 december 2023.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen. De rechtbank zal, conform de landelijke afspraken hieromtrent, geen gijzeling verbinden aan de schadevergoedingsmaatregel (aantal dagen 0).
Proceskosten
De rechtbank overweegt dat een redelijke uitleg van artikel 532 Sv meebrengt dat bij de begroting van de daar bedoelde kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. De rechtbank zal aansluiting zoeken bij de in Nederlandse civiele procedures voor kosten van rechtsbijstand gebruikelijke liquidatietarief voor kantonzaken. Daarbij wordt de hoogte van het te vergoeden bedrag gebaseerd op het (totale) bedrag dat ter zake van materiële en immateriële schade wordt gevorderd, ongeacht of dat bedrag voor toewijzing vatbaar is. Het salaris wordt berekend aan de hand van een puntenstelsel, waarbij voor het opstellen en indienen van een voegingsformulier én voor het bijwonen van de zitting samen twee punten worden gehanteerd.
De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 500,-. Voor een bedrag tot en met € 500,= wordt per punt een salaris toegekend van € 87,-. Dat betekent dat een bedrag van € 174,- aan proceskosten zal worden toegekend. De gevorderde proceskosten zullen voor het overige worden afgewezen.
De vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 3]
De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert een schadevergoeding van € 500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Ook wordt de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd. Daarnaast wordt een vergoeding van de proceskosten gevorderd ter hoogte van € 348,-.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 500,- aan immateriële schade.
Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 22 december 2023.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen. De rechtbank zal, conform de landelijke afspraken hieromtrent, geen gijzeling verbinden aan de schadevergoedingsmaatregel (aantal dagen 0).
Proceskosten
De rechtbank overweegt dat een redelijke uitleg van artikel 532 Sv meebrengt dat bij de begroting van de daar bedoelde kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. De rechtbank zal aansluiting zoeken bij de in Nederlandse civiele procedures voor kosten van rechtsbijstand gebruikelijke liquidatietarief voor kantonzaken. Daarbij wordt de hoogte van het te vergoeden bedrag gebaseerd op het (totale) bedrag dat ter zake van materiële en immateriële schade wordt gevorderd, ongeacht of dat bedrag voor toewijzing vatbaar is. Het salaris wordt berekend aan de hand van een puntenstelsel, waarbij voor het opstellen en indienen van een voegingsformulier én voor het bijwonen van de zitting samen twee punten worden gehanteerd.
De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 500,-. Voor een bedrag tot en met € 500,= wordt per punt een salaris toegekend van € 87,-. Dat betekent dat een bedrag van € 174,- aan proceskosten zal worden toegekend. De gevorderde proceskosten zullen voor het overige worden afgewezen.
De vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 4]
De benadeelde partij [benadeelde partij 4] vordert een schadevergoeding van € 500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Ook wordt de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd. Daarnaast wordt een vergoeding van de proceskosten gevorderd ter hoogte van € 348,-.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 500,- aan immateriële schade.
Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 22 december 2023.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen. De rechtbank zal, conform de landelijke afspraken hieromtrent, geen gijzeling verbinden aan de schadevergoedingsmaatregel (aantal dagen 0).
Proceskosten
De rechtbank overweegt dat een redelijke uitleg van artikel 532 Sv meebrengt dat bij de begroting van de daar bedoelde kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. De rechtbank zal aansluiting zoeken bij de in Nederlandse civiele procedures voor kosten van rechtsbijstand gebruikelijke liquidatietarief voor kantonzaken. Daarbij wordt de hoogte van het te vergoeden bedrag gebaseerd op het (totale) bedrag dat ter zake van materiële en immateriële schade wordt gevorderd, ongeacht of dat bedrag voor toewijzing vatbaar is. Het salaris wordt berekend aan de hand van een puntenstelsel, waarbij voor het opstellen en indienen van een voegingsformulier én voor het bijwonen van de zitting samen twee punten worden gehanteerd.
De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 500,-. Voor een bedrag tot en met € 500,= wordt per punt een salaris toegekend van € 87,-. Dat betekent dat een bedrag van € 174,- aan proceskosten zal worden toegekend. De gevorderde proceskosten zullen voor het overige worden afgewezen.
De vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 5]
De benadeelde partij [benadeelde partij 5] vordert een schadevergoeding van € 500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Ook wordt de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd. Daarnaast wordt een vergoeding van de proceskosten gevorderd ter hoogte van € 348,-.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 500,- aan immateriële schade.
Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 22 december 2023.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen. De rechtbank zal, conform de landelijke afspraken hieromtrent, geen gijzeling verbinden aan de schadevergoedingsmaatregel (aantal dagen 0).
Proceskosten
De rechtbank overweegt dat een redelijke uitleg van artikel 532 Sv meebrengt dat bij de begroting van de daar bedoelde kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. De rechtbank zal aansluiting zoeken bij de in Nederlandse civiele procedures voor kosten van rechtsbijstand gebruikelijke liquidatietarief voor kantonzaken. Daarbij wordt de hoogte van het te vergoeden bedrag gebaseerd op het (totale) bedrag dat ter zake van materiële en immateriële schade wordt gevorderd, ongeacht of dat bedrag voor toewijzing vatbaar is. Het salaris wordt berekend aan de hand van een puntenstelsel, waarbij voor het opstellen en indienen van een voegingsformulier én voor het bijwonen van de zitting samen twee punten worden gehanteerd.
De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 500,-. Voor een bedrag tot en met € 500,= wordt per punt een salaris toegekend van € 87,-. Dat betekent dat een bedrag van € 174,- aan proceskosten zal worden toegekend. De gevorderde proceskosten zullen voor het overige worden afgewezen.
02-374416-24
De vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 6]
De benadeelde partij [benadeelde partij 6] vordert een schadevergoeding van € 900,- aan immateriële schade.
Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.
De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
De vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 7]
De benadeelde partij [benadeelde partij 7] vordert een schadevergoeding van € 900,- aan immateriële schade.
Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.
De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
De vordering tot schadevergoeding van NAC Breda
De benadeelde partij NAC Breda heeft in de vordering tot schadevergoeding ingediend, echter hier wordt geen bedrag in genoemd.
Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.
De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36f, 63, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 141 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 2:1 van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. Beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het in de zaak met parketnummer 02-374416-24 ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
10-302056-24
feit 1: mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
feit 2: overtreding van het bepaalde bij artikel 2:1 lid 1 van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012;
02-335383-24
feit 1: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende jeugddetentie, waarvan 50 uren, subsidiair 25 dagen vervangende jeugddetentie, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat voorwaardelijk deel van de werkstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;
Benadeelde partijen
10-302056-24
[benadeelde partij 1] (feit 1)
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] van € 500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 22 september 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] , € 500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 22 september 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
02-335383-24
[benadeelde partij 2]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2] van € 500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 22 december 2023 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij voor rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 174,-;
- wijst de vordering voor zover deze ziet op de kosten van rechtsbijstand voor het overige af;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2] , € 500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 22 december 2023 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
[benadeelde partij 3]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 3] van € 500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 22 december 2023 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij voor rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 174,-;
- wijst de vordering voor zover deze ziet op de kosten van rechtsbijstand voor het overige af;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3] , € 500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 22 december 2023 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
[benadeelde partij 4]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 4] van € 500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 22 december 2023 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij voor rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 174,-;
- wijst de vordering voor zover deze ziet op de kosten van rechtsbijstand voor het overige af;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 4] , € 500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 22 december 2023 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
[benadeelde partij 5]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 5] van € 500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 22 december 2023 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij voor rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 174,-;
- wijst de vordering voor zover deze ziet op de kosten van rechtsbijstand voor het overige af;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 5] , € 500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 22 december 2023 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
02-374416-24
[benadeelde partij 6]
- verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 6] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
[benadeelde partij 7]
- verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 7] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
NAC Breda
- verklaart de benadeelde partij NAC Breda niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. de Jong, voorzitter,
en mr. R. Combee en mr. J.P.E. Mullers, rechters,
in tegenwoordigheid van I.H.E. van Diepen, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 september 2026.
De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.