RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/2556
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2026 in de zaak tussen
1. 1. [eiser 1] , uit [plaats] , eiser 1;
2. [eiseres 2] , uit [plaats] , eiseres 2;
samen eisers,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eisers hebben ingesteld, omdat het college volgens hen niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 20 augustus 2025 tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor een terras aan de achterzijde van het pand van [restaurant] aan de [adres] in [plaats] .
Omdat het beroep van eiser 1 kennelijk niet-ontvankelijk is en het beroep van eiser 2 kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2. De rechtbank heeft het college op 7 mei 2026 en 27 mei 2026 verzocht om de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift in te dienen. Het college heeft dit tot op heden niet gedaan. Dit betekent dat de rechtbank op basis van de bij haar bekende stukken, ingediend door eisers, uitspraak zal doen.
Beoordeling door de rechtbank met betrekking tot eiser 1
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat [eiser 1] geen toereikende machtiging heeft ingediend. Hij heeft dat verzuim niet op tijd hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
4. Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
Is een machtiging overgelegd?
5. Het beroepschrift is ingediend door [eiser 1] . Hij vermeldt daarin dat hij de gemachtigde is van verschillende bewoners van het [hof] in Breda. Hij heeft bij het beroepschrift echter geen machtiging bijgevoegd waaruit blijkt dat hij gemachtigd is om het beroep in te stellen namens deze bewoners. De rechtbank heeft hem bij brief van 7 mei 2026 verzocht om binnen vier weken dit verzuim te herstellen. [eiser 1] heeft bij brief van 18 mei 2026 een machtiging overgelegd die enkel is ondertekend door een van de bewoonsters van het [hof] , namelijk eiseres 2. Bij brief van 10 juli 2026 heeft de rechtbank [eiser 1] verzocht om binnen twee weken dit verzuim te herstellen door alsnog een machtiging over te leggen die is ondertekend door alle door hem genoemde bewoners van het [hof] . [eiser 1] heeft op 23 juli 2026 verzocht om uitstel van deze termijn met twee weken. De rechtbank heeft hem dit uitstel verleend bij brief van 30 juli 2026. Tot op heden heeft [eiser 1] geen toereikende machtiging ingediend.
Is het niet op tijd indienen van een machtiging verontschuldigbaar?
6. [eiser 1] heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Uit het beroepschrift blijkt dat [eiser 1] niet de bedoeling heeft voor zichzelf in beroep te komen.
Conclusie en gevolgen voor eiser 1
7. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beoordeling door de rechtbank met betrekking tot eiseres 2
8. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep kennelijk gegrond?
9. Het beroep van eiseres 2 is kennelijk gegrond. Eiseres heeft het bezwaarschrift ingediend op 20 augustus 2025. Het college moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn voorbij is. Omdat er een adviescommissie is, geldt in dit geval een termijn van twaalf weken. Het college had dus uiterlijk op 3 december 2025 moeten beslissen. De termijn waarbinnen het college moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiseres heeft het college op 25 februari 2026 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
Welke beslistermijn moet aan het college worden opgelegd?
10. Omdat het college nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het college dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het college dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak.
Welke dwangsom wordt aan het college opgelegd?
11. De rechtbank bepaalt dat het college een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het college. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Stelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vast?
12. Eiseres heeft verzocht om de bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden.
Het college heeft de hoogte van de bestuurlijke dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit op grond van artikel 8:55c van de Awb nu alsnog. De rechtbank constateert dat uit de stukken blijkt dat sinds twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling op 25 februari 2026 meer dan 42 dagen zijn verstreken. De rechtbank stelt de bestuurlijke dwangsom dan ook vast op het maximale bedrag van € 1.442,-.
Conclusie en gevolgen voor eiseres 2
13. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres 2 gelijk krijgt, het college de onder 10 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het college de onder 11 genoemde dwangsom wordt opgelegd. De rechtbank stelt ook de door het college al verschuldigde bestuurlijke dwangsom vast zoals onder 12.1. berekend.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres 2 vergoeden en krijgt eiseres 2 ook een vergoeding voor haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres 2 een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep van eiser 1 niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep van eiseres 2 gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet op tijd nemen van een besluit;
draagt het college op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het bezwaar van eiseres 2 bekend te maken;
- bepaalt dat het college aan eiseres 2 een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
- stelt de door het college te betalen bestuurlijke dwangsom aan eiseres 2 vast op € 1.442,-;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan eiseres 2 moet vergoeden;
veroordeelt het college tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres 2.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 11 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.