RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-252012-24
vonnis van de meervoudige kamer van 12 februari 2026
in de strafzaak tegen de minderjarige
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2009 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] ,
raadsvrouw mr. A.P.M.A. Laeyendecker, advocaat te Oss.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk met gesloten deuren behandeld op de zitting van 29 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. J. Verschuren, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 9 mei 2024, samen met anderen, een ontploffing heeft veroorzaakt in een woning door een vuurwerkbom naar binnen te gooien.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Naast gemeen gevaar voor goederen was door de ontploffing ook levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor bewoners van omliggende woningen te duchten. De officier van justitie baseert zich op de aangifte, de bekennende verklaring van verdachte en de medeverdachten, het forensisch onderzoek van de politie en de camerabeelden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank weliswaar tot een bewezenverklaring kan komen vanwege de bekennende verklaring van verdachte, maar stelt dat er geen sprake was van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.
Het oordeel van de rechtbank
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Partiële vrijspraak levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel anderen
De rechtbank stelt voorop dat het een feit van algemene bekendheid is dat er veel gevaar uitgaat van een vuurwerkbom die bestaat uit zwaar illegaal vuurwerk met daaraan vastgemaakt een fles met brandversnellende vloeistof. In algemene zin is de conclusie dan ook gerechtvaardigd dat het tot ontploffing brengen van een dergelijke vuurwerkbom in een woning gevaarlijk is voor goederen en mensen die zich in de directe omgeving van de ontploffing bevinden.
De vraag die in deze zaak moet worden beantwoord, is of door de ontploffing en de daaruit ontstane brand in dit specifieke geval en onder de onderhavige feiten en omstandigheden, naast gevaar voor goederen, ook levensgevaar of gevaar voor lichamelijk letsel voor een ander te duchten was zoals bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht.
Zodanig gevaar kan aangenomen worden als uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen volgt dat dit levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was.
De rechtbank stelt vast dat uit het dossier volgt dat de bewoners van de woning waarin de ontploffing heeft plaatsgevonden en waar vervolgens brand heeft gewoed, zelf niet thuis waren. Ook is niet gebleken dat er zich tijdens de ontploffing mensen op straat of nabij de woning hebben bevonden die door de ontploffing rechtstreeks in gevaar zijn geweest. Uit het dossier volgt wel dat de ontploffing tot brand heeft geleid en er in de panden naast en in de nabijheid van de woning waar de ontploffing plaatsvond ten tijde van het incident mensen aanwezig waren. Dit op zichzelf is echter onvoldoende om (levens)gevaar voor personen te kunnen aannemen. Niet is immers gebleken dat de brand zich zodanig snel heeft ontwikkeld dat omwonenden zich daardoor niet meer in veiligheid konden stellen. Integendeel, uit de camerabeelden volgt dat de ontploffing met een harde knal gepaard is gegaan, waarna de omwonenden hun huis snel hebben kunnen verlaten.
Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank de conclusie niet die in het proces-verbaal forensische opsporing wordt getrokken en zal zij verdachte vrijspreken van de bestanddelen ‘te duchten levensgevaar’ en ‘gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen’.
Bewezenverklaring
Aangezien verdachte ten aanzien van het feit voor het overige een bekennende verklaring heeft afgelegd en ten aanzien hiervan geen vrijspraak is gevraagd, zal de rechtbank alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert benoemen:
het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] , opgemaakt in de wettelijke vorm door de politie Zeeland-West Brabant, opgenomen op pagina 76-77 van het eindproces-verbaal met nummer 2024116173/ZB4R024058, genummerd 1 t/m 288;
het proces-verbaal van forensisch onderzoek woning ( [adres] ), opgenomen op pagina’s 274-277 van voornoemd eindproces-verbaal;
de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 29 januari 2026.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 9 mei 2024 te [plaats], tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door- een explosief aan te steken,- een tegel door de ruit van de woning aan [adres] te gooien en - dat explosief in de woning door de kapotte ruit te gooien, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten die woning en inboedel van die woning te duchten was;
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een deels voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 93 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van 2 jaar met hieraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming.
Daarnaast vordert de officier van justitie om een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen voor de duur van 200 uur.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank om bij het bepalen van de straf rekening te houden met de positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte zoals die tijdens de zitting naar voren zijn gebracht. Verdachte is een first offender, heeft een baan en een vriendin en gaat na een slechte periode weer naar school. Hij heeft hard aan zichzelf gewerkt en vrijwillig meegewerkt aan de hulpverlening in het kader van MST. Dit is positief afgerond. De verdediging verzoekt in dat kader om geen bijzondere voorwaarden op te leggen nu dit in het MST-rapport wordt afgeraden en nu dit verdachte zal overvragen met alle negatieve gevolgen van dien.
Het oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ontploffing in een woning. Verdachte was één van de uitvoerders. Hij is samen met een ander naar de woning toegegaan en heeft de vuurwerkbom door een eerder kapotgemaakte ruit de woning ingegooid. Door de kracht van de explosie en de daaropvolgende brand is forse schade ontstaan op de benedenverdieping van de woning. Gelet op de aard en omvang hiervan, sluit de rechtbank niet uit dat het heel anders was afgelopen wanneer de bewoners thuis waren geweest.
Het teweegbrengen van ontploffingen is tegenwoordig aan de orde van de dag en heeft vaak tot doel om personen te intimideren. Het is een groot en toenemend maatschappelijk probleem. Dergelijke feiten raken niet alleen aan de veiligheid van de direct betrokkenen, maar veroorzaken ook gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank acht deze vorm van brandstichting een zeer ernstig feit. Niet alleen vanwege de schade die wordt aangericht aan en in de woning waarbij er spullen onherstelbaar en onvervangbaar worden vernield, maar ook doordat het gevoel van veiligheid van de bewoners blijvend en in vergaande mate wordt aangetast, zoals [aangeefster] in haar slachtoffer-verklaring ter terechtzitting zeer treffend heeft verwoord. Zij en haar partner konden lange tijd niet terugkeren in hun woning en door alle herstelwerkzaamheden die noodzakelijk zijn geweest, heeft zij niet langer het gevoel dat de woning haar (t)huis is. De rechtbank begrijpt heel goed dat er bij haar en haar partner nog veel onbegrip en woede is.
Verdachte heeft het feit gepleegd voor een geringe financiële beloning en heeft vooraf kennelijk geen moment stilgestaan bij de gevolgen die een dergelijke daad zou kunnen hebben. Verdachte had zich gedurende een week op verschillende momenten kunnen bedenken, maar heeft ervoor gekozen om dit niet te doen. De rechtbank neemt verdachte dit alles zeer kwalijk.
De persoon van verdachte
Verdachte heeft een blanco strafblad. Hij heeft zich bij de politie gemeld naar aanleiding van beelden van hem op social media. In zijn tweede verhoor heeft hij openheid van zaken gegeven over zijn aandeel in het strafbare feit. Ook heeft verdachte spijt betuigd en excuses aangeboden aan het slachtoffer ter zitting en deze excuses zijn op de rechtbank als oprecht overgekomen.
Verdachte, ten tijde van het feit nog maar 14 jaar oud, heeft 3 dagen in voorarrest gezeten en heeft zich in het kader van een schorsing van zijn voorlopige hechtenis tot aan de zitting aan verschillende bijzondere voorwaarden moeten houden, waaronder een huisarrest en het volgen van aanwijzingen door de jeugdreclassering. Hij heeft zich hier goed aan gehouden. Verdachte heeft zijn leven op dit moment in overwegende mate op orde. Hij blowt enkel nog in het weekend, heeft een baan, gaat naar school en heeft een vriendin. Ook heeft hij samen met zijn ouders een hulpverleningstraject gevolgd middels MST. De rechtbank neemt dit in haar overweging in het voordeel van de verdachte mee.
Uit het rapport van de Raad van 13 januari 2026 volgt - onder meer- dat het recidiverisico laag wordt ingeschat. Wel heeft de Raad zorgen over verschillende domeinen zoals school(verzuim) en het middelengebruik, welke ook van invloed lijken te zijn geweest tijdens het plegen van het feit. Volgens de Raad is het belangrijk dat hier zicht op blijft en er mogelijk (aanvullende) hulpverlening wordt ingezet. Het is in het belang van verdachte dat hij werkt aan het versterken van zijn vaardigheden en stopt met middelengebruik. Dit kan middels MST en begeleiding van de jeugdreclassering. De Raad acht vanwege de betrokken hulpverlening een leerstraf niet noodzakelijk. Nu verdachte zich positief heeft ingezet en nu hij zich op positieve wijze ontwikkelt, wijkt de Raad af van het gebruikelijke advies tot een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie bij dit soort feiten, maar adviseert hij een (deels) voorwaardelijke werkstraf met hieraan een proeftijd verbonden en bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd in het Raadsrapport.
De vader van de verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij veel met verdachte praat en dat de verdachte ten positieve is veranderd.
De strafoplegging
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon van verdachte. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat voor een feit als het onderhavige in beginsel niets anders passend is dan een onvoorwaardelijke jeugddetentie. Niet alleen omdat de ernst van dit feit dit vraagt of vanwege het gemak waarmee verdachte het feit heeft gepleegd, maar juist ook om een preventieve werking te laten uitgaan naar anderen. De rechtbank houdt bij de straftoemeting in strafverminderende zin rekening met de zeer jonge leeftijd van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden, de – weliswaar beperkte – overschrijding van de redelijke termijn en de partiële vrijspraak van het levensgevaar en het gevaar voor zwaar lichamelijk letsel, dat de rechtbank anders dan de officier van justitie, niet bewezen acht.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie voor de duur van 93 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden is.
De rechtbank ziet anders dan de Raad geen meerwaarde in het opleggen van bijzondere voorwaarden. De Raad heeft de kans op recidive laag ingeschat en heeft met name zorgen over het welzijn en het incidenteel schoolverzuim van de verdachte, welke zorgen de rechtbank deelt. De verdachte heeft ter zitting laten zien ervan te zijn doordrongen dat dit niet meer moet gebeuren. De rechtbank is van oordeel dat de inzet van hulpverlening onder begeleiding van de jeugdreclassering geen invloed zal hebben op het recidiverisico. De rechtbank neemt hierbij ook in aanmerking dat de verdachte en zijn ouders reeds een intensief traject hebben doorlopen in het kader van MST. Dit traject is positief afgesloten. Uit dat rapport volgt dat wordt voorzien dat het opleggen van verdere bijzondere voorwaarden slechts averechts zal gaan werken. Dit alles maakt dat de rechtbank van oordeel is dat het opleggen van voorwaarden niet is geïndiceerd, gelet op de geringe kans op recidive en het mogelijk doorkruisen van de positieve ontwikkeling.
Teneinde de ernst van het feit te benadrukken, legt de rechtbank naast een voorwaardelijke jeugddetentie ook een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op van 200 uren te vervangen door 100 dagen vervangende jeugddetentie.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
7. De benadeelde partij
De benadeelde partij [aangeefster] vordert een schadevergoeding van € 4.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte het feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in haar persoon is aangetast. De benadeelden zijn zonder enige aanleiding geconfronteerd met een forse vuurwerkbom die in hun woning is gegooid. De ontploffing en daaropvolgende brand hebben tot een ravage geleid waardoor flinke herstelwerkzaamheden noodzakelijk waren. Dit heeft tot gevolg gehad dat de benadeelden langere tijd niet naar hun woning konden terugkeren en nog immer het gevoel hebben dat hun huis niet meer als hun thuis voelt. Tot op de dag van vandaag voelen zij zich onveilig. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending, zoals hiervoor uiteengezet, meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Het feit dat de benadeelden ten tijde van de ontploffing en brand niet in de woning aanwezig waren, doet hier niet aan af. Gelet op alle omstandigheden en rekening houdend met wat in soortgelijke zaken wordt toegekend, acht de rechtbank het gevorderde bedrag van € 4.000,- billijk en daarom volledig toewijsbaar.
Schadevergoedingsmaatregel, wettelijke rente en hoofdelijkheid
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de toegewezen bedragen toewijzen vanaf 9 mei 2024.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van de toegekende schadebedragen. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. Gelet op de toepassing van het jeugdstrafrecht zal de duur van de gijzeling op 0 dagen worden vastgesteld.
De rechtbank stelt vast dat verdachte dit feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht allen aansprakelijk zijn voor de gehele schade. De rechtbank zal daarom de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald en andersom.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36f, 47, 77a. 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 157 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
Medeplegen van opzettelijk brand stichten en een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
-veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 93 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie conform artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;
- bepaalt dat de voorwaardelijke jeugddetentie niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;
-veroordeelt verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 200 uren te vervangen door 100 dagen jeugddetentie;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster] van
€ 4.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 9 mei 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- bepaalt dat verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[aangeefster] , € 4.000,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 9 mei 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. N. van der Hoeven, voorzitter, mr. E.B. Prenger en mr. R. de Jong, kinderrechters, in tegenwoordigheid van L.P.C. Akkermans-Bruijs, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 12 februari 2026.
Mr. Van der Hoeven is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.
10. Bijlage I
De tenlastelegging
hij op of omstreeks 9 mei 2024 te [plaats], tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door- een explosief aan te steken,- een tegel, althans een hard voorwerp door de ruit van de woning aan [adres] te gooien en/of- dat explosief in de woning door de kapotte ruit te gooien, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te weten die woning en/of inboedel van die woningen/of een of meer omliggende woningen en/of inboedel van die omliggendewoningen en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten bewoners van de omliggende woningen te duchten was;
( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek vanStrafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )