RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-222177-25
vonnis van de meervoudige kamer van 12 februari 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats]
wonende op het [woonadres] .
Raadsman mr. A. Aïssal, advocaat te Rotterdam.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 januari 2026, waarbij de officier van justitie, mr. P.W.P. Emmen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Daarnaast hebben [benadeelde 1] en [benadeelde 2] gebruik gemaakt van hun spreekrecht en daarnaast een drietal verklaringen op schrift voorgelezen, namens de nabestaanden.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als Bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er -kort en feitelijk weergegeven- op neer dat verdachte zich primair schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval met dodelijke afloop en subsidiair dat hij dusdanig aan het verkeer heeft deelgenomen dat gevaar en/of hinder is veroorzaakt.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Verweer aangaande het vormverzuim
De verdediging is van mening dat er sprake is van een vormverzuim door de inbeslagname en het onderzoek aan de telefoon van verdachte. Dit vormverzuim moet leiden tot bewijsuitsluiting, zoals wordt bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.
De officier van justitie heeft ter zitting het verweer gemotiveerd betwist en betoogd dat er geen sprake is van een vormverzuim.
Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat verdachte vrijwillig de inlogcode van het toestel heeft opgegeven. Op dat moment was van een verhoorsituatie van een verdachte nog geen sprake. De inbeslagname zelf is gegrond op artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering en de telefoon is aan een nader onderzoek onderworpen voor waarheidsvinding. Een proces-verbaal van bevindingen en een kennisgeving van inbeslagname hebben de feitelijke gang van zaken omschreven. De inbeslagname kan daarom als rechtmatig worden beschouwd.
Uit het dossier komt naar voren dat er vervolgens een beperkt onderzoek heeft plaatsgevonden aan de telefoon. Er is alleen gekeken naar de mogelijk relevante gegevens omtrent de toedracht van het ongeval; in dit geval de GPS locaties. Het gaat dan om de gegevens van direct voorafgaand aan en tijdens het verkeersongeval. Dit betreft een zeer korte tijdspanne en informatie die uiterst summier is. Van een verdergaand onderzoek is niet gebleken. Het gaat dan ook om een zeer beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte. Het onderzoek aan de telefoon wordt daarom eveneens als rechtmatig beschouwd.
De rechtbank concludeert dat van een onherstelbaar vormverzuim geen sprake is, zowel bij de inbeslagname als bij het onderzoek aan de telefoon. Er is geen reden om tot bewijsuitsluiting over te gaan.
Het verweer van de verdediging wordt verworpen.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft gepleegd. Verdachte heeft aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag tentoongespreid. Verdachte heeft met zijn auto een te hoge snelheid behaald en het verloop van de rijbaan niet goed gevolgd. Hierdoor is het voertuig tegen een trottoirband gereden en in een slip geraakt, waardoor verdachte de macht over het stuur is verloren en een boom heeft geraakt. De passagier in de auto is, als gevolg van het letsel door dit verkeersongeval, komen te overlijden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en het subsidiair ten laste gelegde feit. De resultaten van het onderzoek aan de telefoon van verdachte, waarmee op basis van de GPS coördinaten de snelheid is vastgesteld, kunnen niet als bewijs worden meegenomen. Deze coördinaten zijn onbetrouwbaar, er wordt onvoldoende rekening gehouden met foutmarges en er is geen steunbewijs voor de beweerdelijke snelheidsovertreding. De enkele vaststelling dat de controle over het voertuig is verloren, is onvoldoende om schuld in zin van artikel 6 Wegenverkeerswet aan het verkeersongeval of gevaarzettend verkeersgedrag te kunnen aannemen.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in Bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Het juridisch kader
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad komt het bij de beoordeling van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt met zich mee dat niet in algemene zin is aan te geven of één verkeersovertreding voldoende is voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet. Voor schuld is dus meer nodig dan het veronachtzamen van de voorzichtigheid en de oplettendheid die van een normale verkeersdeelnemer mag worden verwacht. Verder kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag, dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
Feiten en omstandigheden
Verdachte heeft op 7 november 2024 als bestuurder van een personenauto deelgenomen aan het verkeer. [slachtoffer], de neef van verdachte, heeft als bijrijder in dat voertuig gezeten. Verdachte reed met zijn voertuig over de Rucphensebaan in Roosendaal. Het voertuig is ter hoogte van de chicane met de rechter wielen tegen de trottoirband en vervolgens in de berm gereden, waarna de bestuurder de controle over het voertuig is kwijtgeraakt en in een slip is geraakt. Tijdens de slip is het voertuig richting de rechterberm gegaan en aldaar met de rechterzijde van het voertuig tegen een in de berm staande boom gebotst. Door de botsing is het voertuig 180 graden om zijn as gedraaid en in het midden van de weg tot stilstand gekomen. De bijrijder [slachtoffer] is, als gevolg van het letsel dat is opgelopen bij het verkeersongeval, komen te overlijden.
De politie heeft op basis van de GPS posities in de telefoon van verdachte getracht om te achterhalen wat de gereden snelheid is geweest ten tijde van het ongeluk. Uit de berekening komt naar voren dat er op dat moment is gereden met variërende snelheden van 89, 92 en 99 kilometer per uur. De maximaal toegestane snelheid op de Rucphensebaan in Roosendaal is 60 kilometer per uur. Op basis van het forensisch onderzoek heeft de politie vastgesteld dat het voertuig van verdachte geen gebreken heeft vertoond die het ongeval (mede) veroorzaakt kunnen hebben. Daarnaast is op basis van datzelfde onderzoek vastgesteld dat er ten aanzien van het wegdek- en beheer, alsook de ter plaatse geldende verkeersmaatregelen, geen omstandigheden zijn die het ongeval (mede) veroorzaakt kunnen hebben.
Het verweer
Met betrekking tot de stellingname dat de GPS coördinaten die tot de snelheidsberekeningen hebben geleid niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt nu deze onbetrouwbaar zijn en steunbewijs ontbreekt, overweegt de rechtbank het volgende.
Op de eerste plaats is het onderzoek gebaseerd op meerdere steekproeven, meet- en tijdschrijfgegevens. Het gaat niet om één enkele meting. De GPS coördinaten en de aan de hand daarvan uitgevoerde berekeningen verschillen onderling niet veel, maar liggen juist in elkaars verlengde. Dit geldt zowel voor de tijd, de afstand en de snelheid. Dit vergroot de aannemelijkheid van de gemeten snelheden. Op de tweede plaats liggen de meetpunten precies op de route in Roosendaal die het voertuig heeft afgelegd om op de plaats van het verkeersongeval uit te komen. Dit gegeven verstevigt eveneens de bewijswaarde van het onderzoek. Tot slot gaat het wettelijk bewijsminimum, opgenomen in artikel 342 tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, over de gehele tenlastelegging en niet over de afzonderlijke bestanddelen of feitelijkheden daarvan. Voor zover de raadsman heeft bedoeld dat de snelheidsoverschrijding ook moet blijken uit minstens één ander bewijsmiddel, steunt het verweer op een eis die de wet niet kent.
De rechtbank gaat uit van de betrouwbaarheid van het onderzoek naar de berekening van de gereden snelheid op basis van de GPS coördinaten. Het bewijsmiddel waaruit volgt dat de snelheidslimiet is overschreden, is dan ook bruikbaar.
Het verweer van de verdediging slaagt niet.
Het oordeel van de rechtbank
Op basis van de hiervoor omschreven feiten en omstandigheden die volgen uit de (in Bijlage II aangehechte) bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte met een te hoge snelheid de weg heeft proberen te volgen. Hij heeft de maximumsnelheid van 60 kilometer per uur ruimschoots overschreden. Verdachte heeft nagelaten om zijn rijgedrag aan te passen op een naderende chicane, terwijl dit wel van hem mocht worden verlangd. Hij heeft immers door een S-vormige bochtencombinatie gereden, die er juist voor bedoeld is om de snelheid te verminderen en de verkeersveiligheid te vergroten. Verdachte heeft de weg ter plaatse niet goed op waarde geschat en is door eigen toedoen verantwoordelijk voor dit ongeval. Er zijn geen uitzonderlijke (weers)omstandigheden, voertuigmankementen of infrastructurele tekortkomingen die tot een andere beoordeling kunnen leiden. Verdachte had het ongeluk kunnen voorkomen door zich wel aan de verkeersregels te houden en zijn focus te leggen op de verkeerssituatie.
Conclusie
Er bestaat volgens de rechtbank een causaal verband tussen de door verdachte begane (snelheid)overtreding, zijn weggedrag en het ongeval dat daarop heeft plaatsgevonden. De verdachte heeft zichzelf in die situatie gebracht. De botsing met de dodelijke afloop voor de bijrijder [slachtoffer] is onvermijdelijk het gevolg van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend verkeersgedrag van verdachte. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet. Het onder feit 1 primair tenlastegelegde kan wettig en overtuigend bewezen worden.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 7 november 2024 te Roosendaal als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Rucphensebaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, met een hogere snelheid dan de aldaar voor personenauto’s toegestane maximum snelheid van 60 kilometer per uur te rijden, en niet, de rijbaan van voornoemde weg te volgen en daarbij met banden de aan de rechterzijde van de weg, gezien verdachtes rijrichting, liggende trottoirband te raken, en de controle over de door hem bestuurde personenauto te verliezen, en in de rechterberm, gezien verdachtes rijrichting, tegen een boom te botsen, waardoor een ander genaamd [slachtoffer] werd gedood.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 240 uur subsidiair 120 dagen hechtenis. Daarnaast is in de strafeis opgenomen een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar.
Het standpunt van de verdediging
Er is verzocht, mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring zijn gekomen, om aansluiting te zoeken bij de uitgangspunten van straffen voor artikel 5 van de Wegenverkeerswet.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich op 7 november 2024 in Roosendaal schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval met dodelijke afloop. Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto met een te hoge snelheid gereden, waardoor hij een chicane verkeerd heeft ingeschat, in een slip is geraakt en tegen een boom is gebotst.. De impact van het verlies voor de nabestaanden is groot en onder woorden gebracht tijdens het uitoefenen van het spreekrecht en in de schriftelijk voorgedragen slachtofferverklaringen. Zij zullen moeten leven met het verlies van hun dierbare, terwijl dit verkeersongeluk door verdachte voorkomen had kunnen worden. Daarnaast heeft verdachte zich onverschillig getoond tegenover de verkeersveiligheid in het algemeen.
Verdachte heeft er zowel bij het politieverhoor als bij het onderzoek ter zitting voor gekozen om geen openheid van zaken te geven door zich (grotendeels) op zijn zwijgrecht te beroepen. Hierdoor heeft verdachte nagelaten om zijn visie te geven op deze tragische gebeurtenis en evenmin zijn spijt betuigd. Het slachtoffer was de neef van verdachte en mogelijk kan de proceshouding van verdachte ook verband houden met de impact van dit verlies op verdachte en eventuele daarmee gepaard gaande schuldgevoelens. Het dossier bevat hiervoor weliswaar aanwijzingen, maar nu verdachte ook daarover niets heeft willen zeggen, getuigt zijn houding van weinig zelfreflectie en neemt de rechtbank verdachte dit ook kwalijk.
Verdachte is niet eerder met justitie in aanraking gekomen, zo getuigt zijn uittreksel uit de Justitiële Documentatie. De rechtbank houdt er rekening mee dat het verkeersgedrag van verdachte valt binnen de lichtste categorie van schuld, die bij toepassing van artikel 6 van de Wegenverkeerswet wordt onderscheiden. De rechtbank heeft verder acht geslagen op de rechterlijke oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken. Het uitgangspunt voor deze categorie van schuld is een taakstraf van 240 uur en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van een jaar. Voorts neemt de rechtbank in overweging dat er een positief reclasseringsrapport omtrent verdachte is opgemaakt. Verdachte functioneert op alle leefgebieden stabiel en de reclassering ziet geen aanleiding voor hulpverlening of een andere vorm van interventie.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel, met de officier van justitie, dat een taakstraf voor de duur van 240 uur subsidiair 120 dagen hechtenis en ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van een jaar, passend en geboden is.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. De beslissing
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994;
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het primair tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het primair bewezenverklaarde feit, het volgende strafbare feit oplevert:
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderdtwintig) dagen;
- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 (één) jaar.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.G.F. Vliegenberg, voorzitter, mr. M.A.E. Dekker en
mr. W.J.M. Fleskens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.C. Admiraal, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 12 februari 2026.
De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
9. Bijlage I
De tenlastelegging
primair:
hij op of omstreeks 7 november 2024 te Roosendaal als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Rucphensebaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, met een hogere snelheid dan de aldaar voor personenauto’s toegestane maximum snelheid van 60 kilometer per uur te rijden (te weten ongeveer rond 99 km per uur), in elk geval gereden met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was
en/of
niet, althans onvoldoende, de rijbaan van voornoemde weg te volgen en/of (daarbij) met één of meer band(en) de aan de rechterzijde van de weg, gezien verdachtes rijrichting, liggende trottoirband te raken, en/of de controle over de door hem bestuurde personenauto te verliezen, en/of in de (rechter)berm, gezien verdachtes rijrichting, tegen een boom te botsen/aan te rijden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) werd gedood;
(artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 november 2024 te Roosendaal als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Rucphensebaan, met een hogere snelheid dan de aldaar voor personenauto’s toegestane maximumsnelheid van 60 kilometer per uur heeft gereden (te weten ongeveer rond 99 km per uur), in elk geval gereden met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was en/of
niet, althans onvoldoende, de rijbaan van voornoemde weg heeft gevolgd en/of (daarbij) met één of meer band(en) de aan de rechterzijde van de weg, gezien verdachtes rijrichting, liggende trottoirband heeft geraakt, en/of de controle over de door hem bestuurde personenauto heeft verloren, en/of in de (rechter)berm, gezien verdachtes rijrichting, tegen een boom is gebotst/aangereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
(artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994)