ECLI:NL:RBZWB:2026:8890

ECLI:NL:RBZWB:2026:8890

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 11-09-2026
Datum publicatie 14-09-2026
Zaaknummer 02-321900-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Bewezenverklaring vervoer cocaine en hennep. Veroordeling tot taakstraf van 240 uren en een gevangenisstraf van 8 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-321900-25

Vonnis van de meervoudige kamer van 11 september 2026

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2000 te [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

raadsman mr. A.M.J. Joris, advocaat te Breda.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 augustus 2026, waarbij de officier van justitie mr. E. Kool en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I van dit vonnis opgenomen. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte 960 gram cocaïne en 6500 gram hennep heeft vervoerd.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte 960 gram cocaïne en 6500 gram hennep heeft vervoerd. De doorzoeking van de auto waarin verdachte reed, heeft rechtmatig plaatsgevonden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt dat de doorzoeking van de auto onrechtmatig heeft plaatsgevonden, omdat op dat moment geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit. Dit levert een vormverzuim op en moet leiden tot bewijsuitsluiting van de aangetroffen drugs. Hierdoor is er onvoldoende bewijs om tot een bewezenverklaring te komen en dient verdachte te worden vrijgesproken. Ook wanneer de rechtbank niet tot bewijsuitsluiting overgaat, bepleit de verdediging vrijspraak. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van de drugs.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II van dit vonnis opgenomen.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Rechtmatigheid doorzoeking auto

Uit het dossier blijkt dat er op 20 februari 2025 op de A16 ter hoogte van de Moerdijkbrug een ANPR-hit was op een auto, een Fiat 500 met [kenteken]. Deze auto is in het ANPR-systeem geplaatst met als doel om deze auto te controleren vanwege of in verband met ondermijnende criminaliteit. De politie heeft de auto daarom op grond van artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna WVW) een stopteken gegeven waaraan gevolg werd gegeven. De bestuurder van de auto is verdachte. De politie zag dat verdachte erg zenuwachtig was. Bij het overhandigen van zijn rijbewijs trilden zijn handen en hij sprak met een trillende stem. Wanneer de politie het politiesysteem raadpleegt, blijkt dat er op 29 april 2024 een MMA-melding over verdachte is gedaan waarin stond dat hij in drugs handelt. Tijdens de technische controle van de auto op grond van de WVW ziet de politie werkhandschoenen in het portier van de bestuurder en een gezichtsbedekkend voorwerp in een openstaande tas op de bijrijdersstoel. Hierop heeft de politie de auto op grond van artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering doorzocht. Dit artikel geeft opsporingsambtenaren de bevoegdheid om in geval van verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, een voertuig te doorzoeken, De rechtbank is van oordeel dat op grond van voornoemde omstandigheden redelijkerwijs door de politie kon worden vermoed dat er verboden goederen in de auto aanwezig waren. De rechtbank concludeert daarom dat de doorzoeking van de auto rechtmatig is geweest en verwerpt het verweer van de verdediging.

Wetenschap en beschikkingsmacht

In de kofferbak van de auto stond een grote kartonnen doos met daarin 6500 gram hennep. In een tas onder de bestuurdersstoel zat 960 gram cocaïne. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van de drugs. Uit de bewijsmiddelen blijkt echter dat verdachte met zijn telefoon meerdere gesprekken heeft gevoerd over het ophalen en rondbrengen van drugs. Gelet hierop acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de hennep en cocaïne. Verdachte was de bestuurder van de auto, zodat hij ook de beschikkingsmacht had over de drugs.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder feit 1 en 2 genoemde hard- en softdrugs heeft vervoerd.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1op 20 februari 2025 te Breda, opzettelijk heeft vervoerd, 960 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2op 20 februari 2025 te Breda, opzettelijk heeft vervoerd, 6500 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 240 uur met aftrek van het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervoeren van hard- en softdrugs. Het is algemeen bekend dat drugs sterk verslavend zijn en ernstige schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers. Daarnaast gaat de handel in drugs veelal gepaard met verschillende vormen van criminaliteit, geweldsdelicten en illegale geldstromen, waarbij de drugshandel een belangrijke schakel vormt in de keten van criminele ondermijnende activiteiten die de samenleving ontwrichten. Verdachte heeft in deze keten een rol gehad door de drugs te vervoeren.

De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat verdachte geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor de feiten. Hij is ook niet op de zitting verschenen. Volgens de raadsman zou verdachte momenteel bij familie in Zwitserland wonen, daar een baan hebben en dat het beter zou gaan, maar dit is op geen enkele wijze onderbouwd. De rechtbank kan daarom niet vaststellen of de situatie van verdachte daadwerkelijk zo is. Daarbij komt dat de reclassering, ondanks diverse pogingen daartoe, geen contact met verdachte heeft kunnen leggen en om die reden geen advies heeft kunnen uitbrengen. De rechtbank heeft hierdoor slechts beperkt zicht gekregen op de persoon van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden.

De rechtbank stelt vast dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Volgens de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) is het uitgangspunt bij het vervoeren van harddrugs met een gewicht tussen de 500 en 1000 gram een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden. Dit uitgangspunt geldt ook voor het aanwezig hebben van 5000 tot 10.000 gram softdrugs. De rechtbank ziet geen aanleiding om van deze uitgangspunten af te wijken. Een taakstraf, zoals door de officier van justitie is gevorderd, acht de rechtbank niet passend. Bovendien is er van verdachte geen woon- of verblijfadres bekend en is een eerder aan hem opgelegde taakstraf niet uitgevoerd. De rechtbank zal wel een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. Gelet op de jonge leeftijd van verdachte en de omstandigheid dat hij ten tijde van de feiten deel uitmaakte van een crimineel milieu, acht de rechtbank het van belang hem ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf dient daarbij als stok achter de deur.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van acht maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren passend en geboden en legt dit aan verdachte op.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de

Opiumwet gegeven verbod;

feit 2: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de

Opiumwet gegeven verbod;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. van Althuis, voorzitter, en mr. D.H. Hamburger en

mr. A.L. de Boer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Andraws, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 september 2026.

De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

1hij op of omstreeks 20 februari 2025 te Breda, althans in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 960 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;(art. 10 lid 4 Opiumwet, art. 2 ahf/ond B Opiumwet)

2hij op of omstreeks 20 februari 2025 te Breda, althans in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 6500 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;(art. 11 lid 2 Opiumwet, art. 3 ahf/ond B Opiumwet).

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. P.E. van Althuis
  • mr. D.H. Hamburger
  • mr. A.L. de Boer

Griffier

  • mr. E. Andraws

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand