Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-341554-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 11 september 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 1989 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] ,
raadsman mr. R.T.A.G. Keller, advocaat te Tilburg.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Overeenkomstig artikel 369 van het Wetboek van Strafvordering heeft de politierechter de zaak naar de meervoudige kamer verwezen.
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 augustus 2026, waarbij de officier van justitie mr. E. Kool en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I van dit vonnis opgenomen. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht dan wel heeft geprobeerd om aan hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht bewezen dat verdachte aan [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak, omdat er onvoldoende bewijs is voor de ten laste gelegde gedragingen en niet kan worden vastgesteld dat verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II van dit vonnis opgenomen.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat op [datum] 2024 een incident heeft plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer] . Bij dit incident waren [persoon 1] (de vriendin van [slachtoffer] en verder te noemen [persoon 1] ) en [persoon 2] (de vriendin van verdachte, tevens zus van [slachtoffer] en verder te noemen [persoon 2] ) aanwezig. Door het incident heeft [slachtoffer] letsel opgelopen, namelijk een wond bij zijn oog en wenkbrauw een breuk in zijn neus en een scheur in zijn oogkas. De verklaringen van verdachte en [slachtoffer] over de wijze waarop het letsel is ontstaan, lopen uiteen. Wel staat vast dat het verdachte is geweest die op enig moment een mes van tafel heeft gepakt en dat met dit mes het letsel is ontstaan.
[slachtoffer] heeft bij de politie verklaard dat tussen hem en verdachte een woordenwisseling ontstond, waarna zij over en weer hebben geduwd en getrokken. Vervolgens voelde [slachtoffer] een stekende pijn, alsof hij een klap in zijn gezicht kreeg. Hij voelde bloed langs zijn neus over zijn gezicht stromen. Hierop is hij in de spiegel gaan kijken en zag dat er een groot stuk huid bij zijn oog loshing.
De verklaring van [slachtoffer] wordt ondersteund door de verklaringen van [persoon 1] en [persoon 2] . Zij hebben kort na het incident tegenover de politie verklaard dat verdachte een mes heeft gepakt en daarmee in het gezicht van [slachtoffer] heeft gestoken. Volgens [persoon 1] had verdachte het mes ter hoogte van zijn gezicht vast. De rechtbank ziet geen reden om aan deze verklaringen van [persoon 1] en [persoon 2] te twijfelen, nu deze kort na het incident en bovendien spontaan zijn afgelegd. Dat zij tijdens hun latere verhoren bij de rechter-commissaris niet opnieuw over het steken met een mes hebben verklaard, maakt hun eerdere verklaringen niet onbetrouwbaar.
Gelet op het voorgaande past de verklaring van verdachte dat het letsel van [slachtoffer] tijdens de worsteling is ontstaan, niet bij de overige bewijsmiddelen. De rechtbank volgt de verklaringen van [slachtoffer] , [persoon 1] en [persoon 2] en gaat ervan uit dat verdachte met een mes in het gezicht van [slachtoffer] heeft gestoken.
Zware mishandeling?
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het letsel van [slachtoffer] als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt.
Uit het dossier blijkt niet dat verdachte vol opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] . De rechtbank is echter van oordeel dat er wel sprake is van voorwaardelijk opzet.
De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat verdachte met een mes in het gezicht van [slachtoffer] heeft gestoken. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gezicht en het hoofd kwetsbare onderdelen zijn van het lichaam, door de zich daar bevindende (vitale) onderdelen zoals de slaap en de hersenen. Ook aan de ogen kan gemakkelijk blijvend letsel worden toegebracht, zoals in dit geval ook is gebeurd. Naar algemene ervaringsregels is de kans aanmerkelijk dat iemand die met een mes in het gezicht wordt gestoken, zwaar lichamelijk letsel oploopt. De handelingen van verdachte moeten naar hun aard en uiterlijke verschijningsvorm dan ook worden geacht daarop gericht te zijn geweest, aangezien verdachte met een mes in het gezicht van [slachtoffer] heeft gestoken. Door zo te handelen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Van contra-indicaties is niet gebleken.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan [slachtoffer] en dat verdachte hier voorwaardelijk opzet op heeft gehad. Verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan zware mishandeling, zoals primair ten laste is gelegd.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op [datum] 2024 te Oosterhout aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een steekwond bij het linkeroog en een gebroken neus en een scheur in de oogkas, heeft toegebracht door voornoemde [slachtoffer] eenmaal met kracht- met een mes in het gezicht te steken.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Het standpunt van de verdediging
Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte een beroep op noodweer(exces) toekomt, waardoor hij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Nadat er een woordenwisseling ontstond viel [slachtoffer] verdachte aan, waarbij hij ook meerdere keren werd geslagen door [slachtoffer] . Ter verdediging van deze aanval heeft verdachte een mes, dat bij een kaasplankje op tafel lag, gepakt.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een noodweersituatie niet aannemelijk is geworden op grond het dossier.
Het oordeel van de rechtbank
Voor een geslaagd beroep op noodweer moet sprake zijn van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waaronder ook wordt verstaan een onmiddellijk dreigend gevaar voor een dergelijke aanranding, waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Naar het oordeel van de rechtbank is een dergelijke situatie niet aannemelijk geworden. Dat [slachtoffer] de agressor is geweest en verdachte heeft aangevallen waartegen hij zich moest verdedigen, vindt geen steun in het dossier. Uit niets blijkt van een aanval door [slachtoffer] waartegen verdachte zich met een mes moest verdedigen. Het beroep op noodweer wordt daarom verworpen. De rechtbank komt daarmee ook niet toe aan het beroep op noodweerexces.
Er zijn geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit of van verdachte uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op, waarvoor verdachte ook strafbaar is.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 15 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan de proeftijd dienen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld. Daarnaast verzoekt zij de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met bijzondere voorwaarden, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest. Het feit is inmiddels twee jaar geleden en verdachte heeft zich gedurende deze periode aan de schorsingsvoorwaarden gehouden. Naast de voorwaardelijke gevangenisstraf kan een taakstraf worden opgelegd. Het verzoek van de officier van justitie om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren dient te worden afgewezen, omdat het risico op recidive laag is.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich op [datum] 2024 schuldig gemaakt aan zware mishandeling van zijn zwager. [slachtoffer] vierde die dag zijn verjaardag. In plaats van zijn verjaardag op een leuke manier af te sluiten, is hij door verdachte met een mes in zijn gezicht gestoken. Als gevolg hiervan heeft [slachtoffer] een steekwond bij zijn oog en wenkbrauw, een gebroken neus en een scheur in zijn oogkas opgelopen. Uit het verzoek tot schadevergoeding blijkt dat de steekwond een blijvend litteken heeft veroorzaakt. Dit moet voor [slachtoffer] iedere dag enorm confronterend zijn. Voor verdachte was kennelijk een woordenwisseling over een deuk in de auto van zijn vriendin genoeg om tot dit geweld over te gaan en een mes te gebruiken. Het gemak waarmee verdachte daartoe is overgegaan, geeft reden tot zorg.
Bovendien blijkt uit het strafblad van verdachte dat hij al meerdere keren is veroordeeld voor geweldsfeiten.
De reclassering spreekt in haar advies van 6 augustus 2026 ook van een delictpatroon en ziet risicoverhogende factoren op het gebied van relatie, gezin en familie, het middelengebruik van verdachte, zijn psychosociaal functioneren en zijn houding. Verdachte staat sinds 30 oktober 2024, in het kader van de aan hem opgelegde schorsingsvoorwaarden, onder reclasseringstoezicht. Uit het rapport volgt dat verdachte zijn praktische leefgebieden nu op orde heeft en open is geweest over zijn middelengebruik. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag tot gemiddeld. Er moet echter nog worden gewerkt aan gedragsverandering en dus moet de focus liggen op verdere behandeling. De reclassering adviseert daarom om aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen, met daaraan gekoppeld een meldplicht, een ambulante behandeling en een contact- en locatieverbod met [slachtoffer] .
Volgens de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) is het uitgangspunt bij het opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met een wapen (niet zijnde een vuurwapen) een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden. De rechtbank ziet reden om hiervan af te wijken. Verdachte staat namelijk al sinds 30 oktober 2024 onder toezicht van de reclassering en heeft zich gedurende die periode aan de opgelegde voorwaarden gehouden, ondanks de moeilijke situatie tussen hem en zijn zwager. Daarnaast vindt de rechtbank het belangrijk dat de behandeling van verdachte wordt voortgezet. Zij zal daarom een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen en daaraan de geadviseerde voorwaarden verbinden. Om de ernst van het feit te benadrukken, legt de rechtbank ook een taakstraf op.
Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf van 240 uur met aftrek van het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 5 maanden met een proeftijd van twee jaar passend en geboden. De rechtbank verklaart de hieraan te koppelen bijzondere voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar, omdat niet aan de wettelijke vereisten daarvoor is voldaan. De reclassering schat het risico op recidive in als laag. Daarom kan niet worden aangenomen dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
7. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 13.025,28, bestaande uit
€ 3.025,28 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade.
De materiële schade bestaat uit:
- medische kosten:
o behandeling bij Amphia Ziekenhuis: € 2.468,15;
o spoedeisende ambulancezorg: € 945,82;
o medicatie / antibiotica: € 33,94.
Een deel van de medische kosten is betaald door de verzekering van de benadeelde partij, namelijk € 887,63.
Materiële schade
De benadeelde partij heeft als onderbouwing voor de medische kosten een factuur van het Amphia Ziekenhuis toegevoegd. Op die factuur staan drie kostenposten vermeld, namelijk
€ 70,40, € 134,35 en € 322,60 (totaal: € 527,35). Ook van de ambulancekosten en de medicatie is een factuur opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn al deze kosten voldoende onderbouwd en een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal het bedrag van € 619,48 (€ 527,35 + € 945,82 + € 33,94 - € 887,63) toewijzen.
Voor de overige kosten van de behandeling bij het Amphia Ziekenhuis en het eigen risico heeft de benadeelde partij geen stukken overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze kosten, die ook zijn betwist, hierdoor onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.
De kosten voor het beschadigde T-shirt zal de rechtbank wel toewijzen, nu op grond van het dossier voldoende vast is komen te staan dat op het T-shirt meerdere bloedvlekken zaten door het bewezenverklaarde handelen van verdachte.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft aangevoerd dat hij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte immateriële schade heeft geleden. De rechtbank overweegt dat de benadeelde door verdachte, zijn zwager, in het oog is gestoken met een mes. Als gevolg daarvan heeft de benadeelde partij een steekwond bij zijn oog, een gebroken neus en een scheur in zijn oogkas opgelopen. Uit de vordering blijkt dat de breuken volledig zijn hersteld, maar dat het litteken als gevolg van de steekwond blijvend is. De benadeelde partij heeft een ooglidcorrectie ondergaan. Hoewel hierdoor verbetering is opgetreden, heeft hij nog steeds een ontsierend litteken in zijn gezicht. Ook traant zijn oog nog regelmatig. Naast de fysieke klachten heeft de benadeelde ook nog steeds last van psychische gevolgen van het incident. Zo vermijdt hij sociale situaties en voelt hij zich onzeker over zijn uiterlijk. Dit speelt met name een rol in zijn werk als accountmanager, waarin hij regelmatig videomeetings heeft.
Gelet op de omstandigheden van het geval en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank een vergoeding van € 5.000,00 billijk. Voor het overige deel zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal ten aanzien van de toegewezen schade (in totaal € 5.619,48) de wettelijke rente toewijzen, gerekend vanaf [datum] 2024. De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
zware mishandeling;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
Voorwaardelijke gevangenisstraf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarden:
* dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met Reclassering Nederland, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door ambulant forensisch centrum Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. Verdachte is reeds aangemeld. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op emotie- en agressieregulatie. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
* dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met: [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1996;
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd niet bevindt in de [locatie] ;
- van rechtswege gelden de volgende voorwaarden:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Taakstraf
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf naar rato van 2 uur per dag;
Benadeelde partij [slachtoffer]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 5.619,48, waarvan € 619,48 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf [datum] 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
Schadevergoedingsmaatregel
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[slachtoffer] , € 5.619,48 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf [datum] 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 53 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.H. Hamburger, voorzitter, en mr. P.E. van Althuis
en mr. A.L. de Boer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Andraws, griffier, en is
uitgesproken ter openbare zitting op 11 september 2026.
De jongste rechter en de griffier zijn niet in staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks [datum] 2024 te Oosterhout aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een steek/snijwond bij het linkeroog en/of een gebroken neus en/of een scheur in de oogkas, heeft toegebracht door voornoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (met kracht)- met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht te steken en/of te snijden en/of- in het gezicht te slaan en/of stompen;(art. 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks [datum] 2024 te Oosterhout, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal (met kracht)- met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht van voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden en/of- in het gezicht van voornoemde [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.(art. 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art. 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht).