ECLI:NL:RBZWB:2026:8915

ECLI:NL:RBZWB:2026:8915

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 16-09-2026
Datum publicatie 14-09-2026
Zaaknummer 02-160107-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Verkeersongeval. Overschrijding maximumsnelheid. Alcohol. Roekeloosheid. Dodelijk slachtoffer. Zwaar lichamelijk letsel. Onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Ontzegging rijbevoegdheid.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Parketnummer: 02-160107-24

Vonnis van de meervoudige kamer van 16 september 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Bulgarije) op [geboortedag] 1985,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,

raadsman mr. H. Goedegebure, advocaat te Middelburg.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 september 2026, waarbij de officier van justitie mr. I.M. Peters en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Wat betreft feit 1 gaat de officier van justitie er daarbij van uit dat verdachte roekeloos heeft gereden. Voor zover nodig gaat de rechtbank daar bij de bijzondere overwegingen nader op in.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van feit 1. Voor zover nodig gaat de rechtbank daar bij de bijzondere overwegingen nader op in. De verdediging heeft geen verweer gevoerd over feit 2 en 3.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1

Feiten en omstandigheden

Op grond van de inhoud van het dossier en de behandeling ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

Verdachte reed op 12 mei 2024 op linker rijstrook van de A58 richting Vlissingen in zijn personenauto, een Mercedes. Ter hoogte van Goes wisselde een personenauto, merk Daihatsu met bestuurder [slachtoffer 2] en inzittenden [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 3] ( [slachtoffer 3] ), op diezelfde weg van de rechter rijstrook naar de linker rijstrook om de ervoor rijdende personenauto in te halen. Dat was een personenauto van het merk Volkswagen met bestuurder [slachtoffer 4] en inzittende [slachtoffer 5] . Deze inhaalmanoeuvre heeft [slachtoffer 2] aangekondigd door het aanzetten van de knipperlichten van de auto, wat door verdachte ook is gezien. Toen de Daihatsu al volledig op de linker rijstrook reed, is verdachte met zijn Mercedes achterop de Daihatsu gebotst. Verdachte heeft geprobeerd de botsing te voorkomen door te remmen en met zijn auto uit te wijken. Als gevolg van de botsing is de Daihatsu tegen de geleiderail in de middenberm aangekomen en over de kop geslagen. Verdachte is na de botsing met de Daihatsu met zijn auto op de rechter rijstrook terechtgekomen en is daar achterop de Volkswagen gebotst.

Verdachte reed ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol. Uit de uitgevoerde ademanalyse blijkt dat hij meer dan driemaal de toegestane hoeveelheid alcohol had gedronken. Hij had een ademalcoholgehalte van 750 microgram per liter, terwijl maximaal 220 microgram per liter is toegestaan.

De rechtbank stelt daarnaast vast dat verdachte ten tijde van en voorafgaande aan het ongeval reed met een fors hogere snelheid dan was toegestaan. Uit botsproeven volgt dat het verschil in snelheid tussen de Daihatsu en de Mercedes ten tijde van de botsing minimaal 55 kilometer per uur moet zijn geweest. Uitgaande van een snelheid van de Daihatsu van 110 kilometer per uur was de minimale indicatieve botssnelheid van de Mercedes 165 kilometer per uur. Aan de hand van camerabeelden bij de Vlaketunnel (hectometer paal 139.6) en het moment van stilstand op de plaats van het ongeval (hectometerpaal 147.3) is de snelheid van de Mercedes tussen de twee punten berekend. De (gemiddelde) snelheid van verdachte gedurende de 7.700 meter tussen die twee punten betrof 181 kilometer per uur. Hieruit volgt dat verdachte de toegestane maximum snelheid van 130 kilometer per uur (kort) voor de botsing voor de botsing met minstens 35 kilometer per uur heeft overschreden en dat hij gedurende het traject van 7.700 meter vóór het ongeval de snelheid zelfs met, gelet op de remming door verdachte bij het ongeval, minimaal 51 kilometer per uur heeft overschreden. Verder blijkt uit het dossier dat verdachte ook voorafgaand aan het voornoemde traject al gedurende langere tijd met een fors te hoge snelheid reed. Ook tussen [tankstation] en de Vlaketunnel heeft verdachte met een gemiddelde snelheid van 153 kilometer per uur gereden. Dit blijkt uit de tijdstippen waarop hij die punten heeft gepasseerd.

Als gevolg van het ongeval is [slachtoffer 1] overleden. [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] hebben door het ongeval letsel opgelopen. Op de aard en ernst van het letsel zal de rechtbank hierna nog nader ingaan in het kader van de beoordeling of sprake is van (zwaar) lichamelijk letsel in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet (hierna: WVW). Bij [slachtoffer 3] is geen letsel geconstateerd.

Schuld

Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van artikel 6 van de WVW is onder meer vereist dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte te wijten is geweest. Dat betekent in de eerste plaats dat er een causaal verband moet bestaan tussen de gedragingen van verdachte en het ongeval.

De rechtbank volgt het verweer van de verdediging, namelijk dat de inhaalmanoeuvre (in belangrijke mate) heeft bijgedragen aan het ongeval, niet. Daarbij betrekt de rechtbank de veel te hoge snelheid van verdachte en de verklaringen van meerdere getuigen waaruit blijkt dat als verdachte niet zo hard had gereden, hij tijdig had kunnen remmen en de inhaalactie van [slachtoffer 2] zonder aanrijding mogelijk zou zijn geweest. Daarbij komt dat [slachtoffer 2] al volledig op de rijstrook van verdachte reed ten tijde van de botsing. De rechtbank is van oordeel dat het aan de veel te hoge snelheid van verdachte is te wijten dat het hem niet lukte om tijdig voldoende snelheid te minderen om een botsing te voorkomen, niet aan de inhaalmanoeuvre van [slachtoffer 2] . Dat de omstandigheid dat zij niet beschikte over een geldig rijbewijs feitelijk heeft bijgedragen aan het ongeval, is niet gebleken.

De rechtbank concludeert dat het ongeval is veroorzaakt door het handelen van verdachte. Hij heeft gereden na het gebruik van (veel) te veel alcoholhoudende drank. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van alcohol het reactievermogen beïnvloedt. Daarnaast heeft hij gereden met een veel hogere snelheid dan de toegestane maximum snelheid en onvoldoende afstand gehouden en/of is hij niet tijdig uitgeweken voor de voor hem rijdende weggebruikers. Daarmee is sprake van een causaal verband tussen de gedragingen van verdachte en het verkeersongeval.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte niet (voldoende) op het voor hem gelegen weggedeelte van die weg en/of op het overige verkeer heeft gelet en evenmin dat hij in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig niet zodanig te regelen dat hij in staat was het voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was. Uit het dossier volgt immers dat hij de knipperlichten van de Daihatsu wel heeft gezien, maar dat hij desondanks een botsing niet kon voorkomen. Daarnaast ging het er in de situatie waarin het ongeval is ontstaan niet om dat verdachte zijn voertuig volledig tot stilstand kon brengen, maar om het voldoende kunnen verminderen van zijn snelheid om zo een botsing te kunnen voorkomen.

Mate van schuld

In de tweede plaats moet verdachte ten aanzien van het verkeersongeval een schuldverwijt kunnen worden gemaakt. Schuld in de zin van artikel 6 WVW heeft de betekenis van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Of sprake is van schuld in deze zin, hangt volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad af van het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Wanneer sprake is van gedragingen met een hogere graad van verwijtbaarheid, kan dit worden gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig en/of onoplettend handelen en in zeer ernstige gevallen als roekeloos rijgedrag.

Roekeloosheid

Bij de beoordeling van de mate van schuld heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat per 1 januari 2020 de Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten in werking is getreden. In het tweede lid van artikel 175 WVW, waarin de strafbaarstelling van artikel 6 WVW is geformuleerd, is de begripsbepaling van roekeloosheid toegevoegd, waarbij wordt teruggegrepen op artikel 5a WVW. Daarmee is feitelijk het toepassingsbereik van het begrip roekeloosheid verbreed. Van roekeloosheid is nu in ieder geval sprake indien het (verkeers)gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW kan worden aangemerkt.

Om vast te kunnen stellen of het verkeersgedrag van verdachte aan de delictsomschrijving van artikel 5a, eerste lid, WVW voldoet, moet de rechtbank beoordelen of verdachte met de hiervoor vastgestelde verkeersgedragingen (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.

a. Schending van verkeersregels

In het eerste lid van artikel 5a WVW zijn onder a tot en met m verkeersgedragingen opgenomen die als grondslag voor een veroordeling ter zake van artikel 5a WVW aangemerkt zouden kunnen worden. Als schending van de verkeersregels wordt in artikel 5a WVW onder andere genoemd: het overschrijden van de maximumsnelheid. Gebleken is dat verdachte veel harder heeft gereden dan de ter plaatse toegestane snelheid. Bovendien reed verdachte terwijl hij onder invloed was van alcohol en meer dan driemaal de toegestane hoeveelheid alcohol had gedronken. Door deze gedragingen heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank meerdere verkeersregels geschonden.

b. In ernstige mate

Artikel 5a WVW heeft alleen betrekking op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. Volgens de wetgever gaat het daarbij bijvoorbeeld om het meerdere keren of gedurende langere tijd schenden van een verkeersregel, of het schenden van meerdere verkeersregels. Gekeken moet worden naar het samenstel van de gedragingen van verdachte, waarbij alle omstandigheden in ogenschouw moeten worden genomen. Op grond van artikel 5a, tweede lid, WVW wordt hierbij ook de mate waarin verdachte onder invloed verkeerde in aanmerking genomen.

Verdachte heeft, zoals hiervoor is overwogen, gedurende een lange periode gereden met een snelheid die veel hoger was dan toegestaan. Verdachte verkeerde op dat moment onder invloed van alcohol. Het alcoholgehalte in het bloed van verdachte betrof meer dan driemaal de toegestane grenswaarde. De rechtbank is van oordeel dat verdachte met de genoemde combinatie van gedragingen de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden.

c. Opzettelijk

Artikel 5a WVW vereist dat het opzet van verdachte zowel gericht is op het schenden van de verkeersregels als het in ernstige mate schenden van die regels. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van dergelijk opzet moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze zijn verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. Daaruit moet kunnen worden afgeleid dat de gedragingen, in samenhang bezien, naar hun uiterlijke verschijningsvorm op opzettelijke ernstige schending van de verkeersregels gericht zijn geweest.

De rechtbank is van oordeel dat het besturen van een personenauto onder invloed van meer dan driemaal de toegestane hoeveelheid alcohol en het zeer fors overschrijden van de maximumsnelheid naar de uiterlijke verschijningsvorm niet anders kunnen worden aangemerkt dan als het willens en wetens in ernstige mate overtreden van de verkeersregels.

d. Te duchten gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen

In zijn algemeenheid acht de rechtbank het voorzienbaar dat gevaarlijke situaties kunnen ontstaan door het hiervoor beschreven verkeersgedrag. Het verkeersgedrag van verdachte was op ieder onderdeel reeds op zichzelf gevaarlijk en door de combinatie van gedragingen alleen maar gevaarlijker. Door veel te hard te rijden kan men zelf niet goed anticiperen op gedragingen van andere weggebruikers. Andere weggebruikers die ervan uitgaan dat bestuurders zich aan de maximale snelheid houden, kunnen op hun beurt worden verrast door het rijden met een veel hogere snelheid van een ander en kunnen hun gedragingen daarop niet goed aanpassen. Gelet op de combinatie van factoren was het zonder meer voorzienbaar dat er gevaarlijke situaties konden ontstaan. Dit gevaar heeft zich daadwerkelijk verwezenlijkt doordat verdachte een verkeersongeval heeft veroorzaakt met meerdere slachtoffers als gevolg. [slachtoffer 1] is als gevolg van haar verwondingen zelfs overleden.

Tussenconclusie

De rechtbank is van oordeel dat het verkeersgedrag van verdachte dat tot het ongeval heeft geleid, kan worden aangemerkt als een overtreding van artikel 5a WVW. Daarmee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een verkeersongeval waarbij sprake is van de zwaarste vorm van schuld, namelijk roekeloosheid.

Overlijden

Als gevolg van het verkeersongeval heeft [slachtoffer 1] zodanig letsel opgelopen dat zij aan haar verwondingen is overleden.

Zwaar lichamelijk letsel bij andere slachtoffers?

Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd. Bij een veelvoud van verwondingen kan in voorkomende gevallen de beoordeling worden betrokken op de verwondingen in hun totaliteit.

[slachtoffer 2]

Uit het dossier volgt dat slachtoffer [slachtoffer 2] als gevolg van het verkeersongeval onder andere een breuk in het linkerkuitbeen (fibula fractuur), ligamentair letsel (schade aan de gewrichtsbanden) in haar linkerknie en dissectie van de arteria vertebralis (scheur in de binnenwand van de wervelslagader) heeft opgelopen. Uit de door haar ten behoeve van de zitting toegestuurde medische informatie volgt dat zij nog steeds (pijn)klachten ervaart door gecompliceerde wondinfecties met uitgebreide littekenvorming aan haar linkerlies en bovenbeen dat is veroorzaakt door het verkeersongeval. Uit de medische informatie blijkt bovendien dat het herstel niet ongecompliceerd is verlopen.

De rechtbank is van oordeel dat het hiervoor genoemde letsel, dat door de gedragingen van verdachte bij het slachtoffer is veroorzaakt, gelet op de aard en de gevolgen daarvan zoals uit de medische gegevens naar voren komt, zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 6 WVW oplevert. [slachtoffer 2] ervaart immers nog steeds pijnklachten als gevolg van het letsel door het ongeval en er is meermalen medisch ingrijpen nodig geweest. Dit betekent dat zwaar lichamelijk letsel bewezen kan worden verklaard.

[slachtoffer 5]

Uit het dossier volgt dat slachtoffer [slachtoffer 5] als gevolg van het verkeersongeval een trauma capitis (zonder aanwijzingen voor traumatische intracraniële afwijkingen) en een hoofdwond heeft opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat dit letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt of als letsel in de zin van artikel 6 WVW. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit het dossier geen noodzaak tot medisch ingrijpen is gebleken, behoudens het aanbrengen van hechtingen. Ook volgt uit het dossier dat de orthopedisch chirurg volledig herstel verwacht, waarbij wordt opgemerkt dat de expertise betreffende de trauma capatis meer bij de neuroloog ligt. Nadere informatie van de neuroloog over het letsel is niet beschikbaar. Op basis van de op dit moment beschikbare medische informatie kan het letsel daarom niet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel of letsel in de zin van artikel 6 WVW. De verdachte zal daarom van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

[slachtoffer 4]

Uit het dossier volgt dat slachtoffer [slachtoffer 4] als gevolg van het verkeersongeval hoog energetisch trauma met traumatisch hersenletsel (hersenbloeding linkerzijde) heeft opgelopen, alsmede een verdraaiing van de nekwervels en kneuzing van de linkerbovenarm. Ten aanzien van de verdraaiing en de kneuzing kan worden gesteld dat die volledig en restloos zullen herstellen binnen twee tot vier weken. De neuroloog schat in dat het hersenletsel volledig en restloos zal herstellen binnen enkele weken tot maanden. Er is ook een kans dat het herstel langer duurt, tot 1 jaar na het ongeval. In hoeverre dit belemmeringen geeft voor de uitvoering van werkzaamheden, is afhankelijk van de aard van de werkzaamheden. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken van een noodzaak tot medisch ingrijpen en is de termijn waarbinnen sprake zal zijn van volledig herstel onduidelijk gebleven. Op basis van de op dit moment beschikbare medische informatie kan het letsel daarom niet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel of letsel in de zin van artikel 6 WVW. De verdachte zal daarom van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Feit 2 en 3

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van feit 2 acht de rechtbank eveneens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich door zijn gedragingen schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van gevaar op de weg door het veroorzaken van een verkeersgeval. Daarbij zijn [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] gewond zijn geraakt. Ook acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gereden onder invloed van alcohol.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1op 12 mei 2024 te Goes als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de A58, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos- na het gebruik van alcoholhoudende drank te rijden, en- met een veel hogere snelheid dan de aldaar voor personenauto’s toegestanemaximum snelheid van 130 kilometer per uur te rijden, en- onvoldoende afstand te houden van en/of niet tijdig uit te wijken voor de voorhem, verdachte, rijdende medeweggebruikers,

waardoor hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto)tegen de personenauto (merk Daihatsu Cuore, gekentekend [kenteken 1] ) met daarinde inzittenden [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] , is gereden,waardoor die [slachtoffer 1] werd gedood, enwaardoor [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht,

terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

2op 12 mei 2024 te Goes als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de A58,- na het gebruik van alcoholhoudende drank heeft gereden, en- met een veel hogere snelheid dan de aldaar voor personenauto’s toegestanemaximum snelheid van 130 kilometer per uur heeft gereden, en- onvoldoende afstand heeft gehouden van en/of niet tijdig uit is geweken voor devoor hem, verdachte, rijdende medeweggebruikers,

door welke gedragingen)van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd, immers heeft verdachte aldus een verkeersongeval veroorzaakt waarbij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] gewond zijn geraakt;

3op 12 mei 2024 te Goes, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 750 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte voor feit 1 en 3 een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van vier jaar met aftrek van het voorarrest en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vijf jaar met aftrek van de tijd dat het rijbewijs al is ingeleverd. Voor feit 2, een overtreding, vordert zij een schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt geen gevangenisstraf op te leggen, maar te volstaan met de maximale werkstraf van 240 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid. Verzocht wordt rekening te houden met overschrijding van de redelijke termijn met 4 maanden.

Het oordeel van de rechtbank

Aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft door zijn roekeloze rijgedrag een verkeersongeval veroorzaakt waardoor meerdere slachtoffers zijn gevallen. [slachtoffer 1] , destijds veertien jaar oud, is door het letsel als gevolg van het verkeersongeval komen te overlijden. [slachtoffer 2] heeft zwaar lichamelijk letsel overgehouden aan het ongeval waardoor ze nu nog steeds klachten ervaart. Verder hebben ook [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] letsel opgelopen. De rechtbank realiseert zich dat verdachte dit verkeersongeval niet heeft gewenst, maar dat neemt niet weg dat het verkeersongeval en de gevolgen hiervan een direct resultaat zijn van zijn handelen, namelijk het rijden onder invloed van alcohol met een veel hogere snelheid dan was toegestaan. Door zijn roekeloze rijgedrag heeft de verdachte als automobilist onaanvaardbare risico's genomen voor de verkeersveiligheid. Dat rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Door het verkeersongeval is een veertienjarig meisje haar toekomst ontnomen. Uit de indringende slachtofferverklaringen die door de nabestaanden ter zitting zijn afgelegd, blijkt de enorme impact van haar overlijden en het gemis dat de nabestaanden van [slachtoffer 1] ervaren,. Hun leven is door de dood van hun dochter en zus voorgoed veranderd. In het geval van [slachtoffer 2] , de moeder van [slachtoffer 1] , komt daar nog bij dat ook zijzelf fors letsel heeft opgelopen door het ongeval waar zij nog steeds last van heeft. Verdachte zal moeten leven met de wetenschap dat door zijn toedoen een jong meisje is overleden en dat anderen (fors) letsel hebben opgelopen.

Samenloop

De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot feit 1, 2 en 3 sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De bewezen verklaarde gedragingen leveren in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet of slechts enigszins uiteenloopt.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Hieruit volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

De rechtbank heeft acht geslagen op de rapporten van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) die over verdachte zijn opgemaakt en in het bijzonder het rapport van 19 augustus 2026. Hieruit volgt dat verdachte onder de indruk is van hetgeen hij de slachtoffers heeft aangedaan en ziet het als een harde leerschool. Hij wil zijn leven op de rit houden. Positieve factoren zijn dat de verschillende leefgebieden op orde zijn: verdachte heeft werk, beschikt over een steunend netwerk en heeft geen schulden. Hij toont voldoende probleembesef en neemt verantwoordelijkheid voor zijn handelen. De keuze om met alcohol op achter het stuur te gaan zitten, wordt als risicofactor gezien. Het recidiverisico wordt als laag ingeschat. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden. Een forensisch kader is niet geïndiceerd en de reclassering vindt interventies of toezicht niet nodig.

Redelijke termijn

Artikel 6, eerste lid, EVRM waarborgt het recht van iedere verdachte om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is niet gebleken. De redelijke termijn is in deze zaak op 13 mei 2024 aangevangen, op het moment van inverzekeringstelling van verdachte. De redelijke termijn is dus met ongeveer vier maanden overschreden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de op te leggen straffen tot gevolg moet hebben als hierna te melden.

Straffen

De rechtbank realiseert zich dat voor de nabestaanden geen enkele straf als passend zal voelen, omdat het [slachtoffer 1] voor hen niet terugbrengt. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de hiervoor omschreven aard en ernst van de feiten en de enorme gevolgen ervan, de persoon van verdachte en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

In strafmatigende zin weegt de rechtbank mee dat uit het reclasseringsrapport blijkt dat verdachte de leefgebieden op orde heeft, dat hij probleembesef toont en dat de feiten diepe indruk op hem hebben gemaakt. Verder blijkt uit het rapport dat het recidiverisico als laag wordt ingeschat. In strafmatigende zin weegt de rechtbank ook de overschrijding van de redelijke termijn mee. Alles afwegend zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van drie jaar, met aftrek van het voorarrest. Feit 2 betreft een overtreding en gelet op het feit dat de rechtbank voor de feiten 1 en 3 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegt, zal de rechtbank niet ook nog eens afzonderlijk voor feit 2 een straf opleggen.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Voor wat betreft een ontzegging van de rijbevoegdheid overweegt de rechtbank dat verdachte niet eerder is veroordeeld, dus ook niet voor overtredingen van de WVW, en dat het CBR naar aanleiding van de melding die aan hen is gedaan naar aanleiding van (het rijgedrag van verdachte ten tijde van) het verkeersongeval een onderzoek heeft gedaan naar de rijgeschiktheid van verdachte en dat uit dat onderzoek blijkt dat verdachte geschikt is om te rijden. Verder blijkt uit het reclasseringsrapport een laag recidiverisico. Tot slot weegt de rechtbank mee dat uit de wet volgt dat een ontzegging van de rijbevoegdheid wordt verlengd met de termijn dat aan een veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen. De rechtbank zal, alles afwegend, een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen voor de duur van twee jaar, met aftrek van de tijd dat verdachte het rijbewijs al heeft ingeleverd (zes maanden). Dat betekent in beginsel dat verdachte zijn rijbewijs na het ondergaan van de gevangenisstraf nog anderhalf jaar kwijt is.

7. Het beslag

De verbeurdverklaring

Het in beslag genomen voorwerp wordt verbeurd verklaard. Het voorwerp is hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om verbeurdverklaring op te leggen, omdat het voorwerp aan verdachte toebehoort en de bewezen verklaarde feiten met behulp van dit voorwerp zijn begaan.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 55 en 62 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 6, 8, 175, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Eendaadse samenloop van:

feit 1:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van deze wet;

en

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van deze wet;

feit 2: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

feit 3: overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 (750 microgram);

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

T.a.v. feit 1 en 3

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Bijkomende straffen

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 24 maanden;

- bepaalt dat de tijd dat verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd in mindering wordt gebracht op de rijontzegging;

T.a.v. feit 2

- bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd;

Beslag

- verklaart verbeurd het volgende voorwerp:

* 1 STK Personenauto (Kenteken: [kenteken 2] , Merk: Mercedes), voorwerpnummer PL2000-2024118788-G2724756.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Louwerse, voorzitter,

en mr. F.L. Donders en mr. B. Akdikan, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.J. van der Welle, griffier,

en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 september 2026.

De oudste rechter en griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

1hij op of omstreeks 12 mei 2024 te Goes, in elk geval in Nederland alsverkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto),daarmede rijdende over de weg, de A58, zich zodanig heeft gedragen dat een aanzijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, in elkgeval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,- na het gebruik van alcoholhoudende drank te rijden, en/of- met een (veel) hogere snelheid dan de aldaar voor personenauto’s toegestanemaximum snelheid van 130 kilometer per uur te rijden, in elk geval te rijden meteen (veel) hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was en/of- niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen weggedeelte van dieweg en/of op het overige verkeer te letten en/of- onvoldoende afstand te houden van en/of niet tijdig uit te wijken voor de voorhem, verdachte, rijdende medeweggebruikers, en/of- in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels enverkeersteken 1990 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig niet zodanigte regelen dat hij in staat was het voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstandwaarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was,

waardoor hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto)tegen de personenauto ( merk Daihatsu Cuore, gekentekend [kenteken 1] ) met daarinde inzittenden [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] , is gereden,waardoor die [slachtoffer 1] werd gedood, en/ofwaardoor [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel, of zodanig lichamelijkletsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in deuitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

en/of

waardoor hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto)(vervolgens) tegen de personenauto (merk Volkswagen Golf, gekentekend [kenteken 3] )met daarin de inzittenden [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] , is gereden,waardoor een of meer anderen (genaamd [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] )zwaar lichamelijk letsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruittijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden isontstaan,

terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste,tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na hetfeit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde,zevende of negende lid van genoemde wet;

( art 6 Wegenverkeerswet 1994 )

2hij op of omstreeks 12 mei 2024 te Goes als bestuurder van een voertuig(personenauto), daarmee rijdende op de weg, de A58,- na het gebruik van alcoholhoudende drank heeft gereden, en/of- met een (veel) hogere snelheid dan de aldaar voor personenauto’s toegestanemaximum snelheid van 130 kilometer per uur heeft gereden, in elk geval heeftgereden met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was en/of- niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen weggedeelte van dieweg en/of op het overige verkeer heeft gelet en/of- onvoldoende afstand heeft gehouden van en/of niet tijdig uit is geweken voor devoor hem, verdachte, rijdende medeweggebruikers, en/of- in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels enverkeersteken 1990 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig niet zodanigheeft geregeld dat hij in staat was het voertuig tot stilstand te brengen binnen deafstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,althans kon worden gehinderd, immers heeft verdachte aldus een verkeersongevalveroorzaakt waarbij [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5][slachtoffer 5] gewond zijn geraakt

( art 5 Wegenverkeerswet 1994 )

3hij op of omstreeks 12 mei 2024 te Goes, als bestuurder van een motorrijtuig,(personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik vanalcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, alsbedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994,750 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per literuitgeademde lucht bleek te zijn

( art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994 )

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand