RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
raadkamernummer : 26-005102
datum : 27 mei 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 1975,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. E. van de Rakt advocaat te Breda, (Postbus 4650, 4803 ER Breda),
hierna te noemen: de verzoeker.
1. De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het op 23 februari 2026 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 van het Wetboek van strafvordering (Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:
Op 13 mei 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie, mr. M. Nieuwenhuis, en mr. E. van de Rakt als gemachtigd advocaat van verzoeker, gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
De advocaat van verzoeker heeft aangevoerd dat op 26 januari 2026 namens verzoeker een klaagschrift ex artikel 552a Sv is ingediend, omdat op 23 januari 2026 onder verzoeker een horloge van het merk Rolex in beslag is genomen. Op 6 februari 2026 is besloten tot teruggave van dit horloge aan verzoeker, waarna het klaagschrift is ingetrokken. Verzoeker heeft kosten van rechtsbijstand gemaakt en heeft daarom onderhavig verzoekschrift ingediend.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek dient te worden afgewezen. Uit vaste jurisprudentie volgt dat een vergoeding voor het indienen van een klaagschrift pas gerechtvaardigd is op het moment dat er minimaal voorafgaand om teruggave is verzocht. Voorafgaand aan het klaagschrift is niet om teruggave gevraagd, met als gevolg dat er geen aanleiding is om tot vergoeding over te gaan.
2. De beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, omdat het klaagschrift in behandeling was bij de rechtbank.
De rechtbank stelt vast dat uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is gebleken dat verzoeker op 6 februari 2026 ervan op de hoogte is gesteld dat het horloge teruggegeven zou worden, waarna het klaagschrift is ingetrokken. De zaak is geëindigd door intrekking van het klaagschrift.
De Hoge Raad heeft op 16 juni 2020 geoordeeld dat op grond van artikel 530 Sv ook vergoeding gevraagd kan worden van de rechtsbijstandskosten gemaakt in een klaagschriftprocedure. Volgens artikel 534, eerste en vierde lid, Sv wordt een schadevergoeding toegekend als, en voor zover, de rechtbank dat billijk vindt. De rechtbank houdt daarbij rekening met alle omstandigheden.
De stelling van de officier van justitie dat kosten in verband met een klaagschriftprocedure pas voor vergoeding in aanmerking komen als er voorafgaand aan de indiening van het klaagschrift om teruggave is verzocht, vindt geen steun in de wet. Niet is betwist dat het horloge is teruggeven naar aanleiding van het ingediende klaagschrift en niet is gebleken dat er onnodig kosten zijn gemaakt. Gelet daarop en nu het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand ter hoogte van € 929,89 de rechtbank billijk voorkomt, zal de rechtbank dit bedrag toewijzen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 825,00 toegekend.
3. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 1.754,89, bestaande uit:
- € 929,89 aan kosten van rechtsbijstand;
- € 825,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
bepaalt dat een bedrag van € 1.754,89 zal worden overgemaakt op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [naam] , onder vermelding van “ [vermelding] ”.
Deze beslissing is op 27 mei 2026 genomen door mr. J. Bergen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. D.J. Gentenaar van der Landen, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 27 mei 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.