RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
parketnummer: 02-341043-25
rk-nummer: 26-006045
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker]
geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] ,
woonplaats kiezende op het kantoor van mr. C. van Aken advocaat te Geertruidenberg, (Markt 33, 4931 BR Geertruidenberg),
hierna te noemen: de verzoeker.
1. De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het op 27 februari 2026 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 van het Wetboek van strafvordering (Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:
Op 13 mei 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie, mr. M. Nieuwenhuis, en mr. C. van Aken als gemachtigd advocaat van verzoeker, gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
De advocaat van verzoeker heeft aangevoerd dat het verzochte bedrag aan kosten rechtsbijstand kan worden toegewezen. De advocaat is niet in het bezit van het strafdossier. Het beschikbaar stellen daarvan ligt op de weg van het Openbaar Ministerie. Op basis van het politieverhoor, waarbij de advocaat aanwezig was, kan worden gesteld dat er onvoldoende bewijs was voor de mishandeling, hetgeen maakt dat deze zaak niet zou leiden tot een veroordeling.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen, nu er sprake is van een bewijsbare zaak maar er op andere gronden is afgezien van vervolging. Het bewijs steunt op de aangifte, foto’s van het letsel en de getuigenverklaring van de schoonmoeder van verzoeker. Voorgaande maakt dat ook de forfaitaire vergoeding moet worden afgewezen.
2. De beoordelingDe rechtbank overweegt als volgt.
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd, zou worden vervolgd of voor het laatst werd vervolgd.
Op grond van artikel 530 Sv wordt aan een gewezen verdachte een vergoeding toegekend van de reis- en verblijfskosten die voor het onderzoek en de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Er kan ook een vergoeding worden toegekend voor de schade die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden. Tot slot kan ook een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
Uit het beleidssepot van 16 december 2025 blijkt dat er voor het delict bedreiging, gepleegd op 9 juni 2024, onvoldoende bewijs is. Voor het delict mishandeling, gepleegd op 15 augustus 2025, is sprake van medeschuld van de benadeelde. Er kunnen gronden van billijkheid voor toekenning van een vergoeding ontbreken als verzoeker de kosten aan zichzelf te wijten had.
Uit de door de officier van justitie aangehaalde stukken blijkt dat verzoeker, in het geval van de mishandeling, het aan zichzelf te wijten heeft gehad dat hij onderwerp is geworden van een opsporingsonderzoek en waardoor de kosten voor rechtsbijstand voor zijn risico moeten blijven. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking de aangifte, de foto’s van het letsel en de getuigenverklaring van [persoon] , de schoonmoeder van verzoeker. Uit deze laatste verklaring blijkt van het gedrag van verzoeker voorafgaand aan de vechtpartij. Hij was agressief, ging tekeer, trok schilderijen van de muur en gooide deze vervolgens op de grond. Gelet daarop komen de kosten die verband houden met de verdenking van de mishandeling niet voor vergoeding in aanmerking. De kosten die gemaakt zijn in verband met de verdenking van de bedreiging komen wel voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal op gronden van billijkheid een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand toekennen tot een bedrag van € 1.000,00.
Ingevolge artikel 530, eerste lid, Sv kunnen de reiskosten van een gewezen verdachte slechts worden vergoed voor zover deze zijn gemaakt voor het onderzoek en de behandeling van de zaak. Volgens de wetsgeschiedenis gaat het dan om onderzoeken waar een rechter bij betrokken is (vgl. o.a. ECLI:NL:GHARL:2014:1898, ECLI:NL:GHAMS:2018:1196). De rechtbank zal de verzochte vergoeding van reiskosten in verband met het vervoer naar het politiebureau dan ook afwijzen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 825,00 toegekend.
3. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 1.825,00, bestaande uit:
- € 1.000,00 aan kosten van rechtsbijstand;
- € 825,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
wijst het verzoek voor het overige af;
bepaalt dat een bedrag van €1.825,00 zal worden overgemaakt op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [naam] , onder vermelding van “ [vermelding] ”.
Deze beslissing is op 27 mei 2026 genomen door mr. J. Bergen rechter, in tegenwoordigheid van
mr. D.J. Gentenaar van der Landen, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 27 mei 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.