Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-034086-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 16 september 2026
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1982 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres 1] [adres 1] ,
raadsman mr. G.W.L.A.M. Koppen, advocaat te Eindhoven.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 2 september 2026, waarbij de officier van justitie mr. L.A. Pronk en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
feit 1: in de periode van 22 tot en met 30 januari 2025 in [plaats] opzettelijk 209 hennepplanten heeft geteeld;
feit 2: in diezelfde periode in [plaats] elektriciteit van Enexis heeft gestolen door middel van verbreking.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte beide ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit partiële vrijspraak van het bij feit 1 opgenomen aantal hennepplanten. Verdachte verklaart dat hij altijd 200 hennepstekken inkocht, waardoor er niet meer dan 200 hennepplanten kunnen zijn aangetroffen. Voor het overige voert de verdediging geen bewijsverweer.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld, zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 30 januari 2025 en de verklaring van verdachte tijdens de zitting van 2 september 2026. Voor het aantal gaat de rechtbank uit van de door de politie ingevulde en ondertekende ‘ruimlijst hennep’ van 30 januari 2025, waarop een aantal van 209 hennepplanten is vermeld. De rechtbank heeft geen reden te veronderstellen dat de politie verkeerd geteld heeft.
Feit 2
De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op de aangifte van Enexis Netbeheer B.V. van 3 februari 2026 en de verklaring van verdachte tijdens de zitting van 2 september 2026.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
omstreeks 22 januari 2025 tot en met 30 januari 2025 te [plaats] opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan [adres 2] ) een hoeveelheid van 209 stuks hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2
omstreeks 22 januari 2025 tot en met 30 januari 2025 te [plaats] een hoeveelheid elektriciteit die aan Enexis B.V. toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte deze weg te nemen hoeveelheid elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 120 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging vindt de gevorderde straf niet onredelijk en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het telen van een 209 hennepplanten in een woning. Hiermee heeft hij bijgedragen aan de problematiek die met softdrugs gepaard gaat. Langdurig gebruik van hennep kan immers schadelijk zijn voor de gezondheid van gebruikers en bovendien werkt de handel in softdrugs criminaliteit en overlast in de hand. De voor zijn hennepteelt benodigde elektriciteit heeft verdachte afgenomen via een illegale aansluiting die buiten de elektriciteitsmeter om liep. Een dergelijke vorm van diefstal van elektriciteit geeft een kans op kortsluiting of oververhitting en daarmee op brand. Ongeacht de aanwezigheid van een rookmelder en camera’s in de woning heeft deze handelswijze van verdachte een gevaar opgeleverd voor de woning en aangrenzende woningen.
Verdachte heeft zich destijds blijkbaar niet bekommerd over deze gevolgen of deze op de koop toegenomen en uitsluitend het snel verdienen van geld vooropgesteld. Met dit geld wilde hij naar eigen zeggen een schuld bij de Belastingdienst aflossen.
Nadat de hennepteelt in de woning werd ontdekt, heeft verdachte bij de politie direct openheid van zaken gegeven over de periode waarin hij hennepplanten heeft geteeld en hoe hij dit heeft aangepakt. Dat weegt de rechtbank mee in het voordeel van verdachte, die niet eerder is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet. Hij is verder schuldbewust, neemt verantwoordelijkheid en handelt hier ook naar. De door Enexis Netbeheer B.V. geëiste schadevergoeding van € 13.426,77 heeft hij al betaald.
Verdachte lijkt zijn lesje wel te geleerd te hebben, onder meer omdat zijn handelen ingrijpende (financiële) consequenties heeft gehad voor hemzelf en zijn gezin. Ondanks deze consequenties heeft verdachte zijn leven op dit moment op orde. Hij beschikt over een inkomen uit zijn werk als projectmanager en woont samen met zijn vrouw en kinderen in een koopwoning. Voor zijn belastingschuld is een betalingsregeling getroffen.
Ook de reclassering merkt in het advies van 1 augustus 2026 het leefgebied financiën aan als voldoende stabiel en beschouwt het inzicht dat verdachte toont in de nadelige consequenties van zijn handelen als een beschermende factor. De reclassering schat het risico op herhaling bij verdachte in als laag, vindt interventies of toezicht niet nodig en adviseert om hem bij een veroordeling een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.
De rechtbank volgt dit advies op en is alles afwegende van oordeel dat de door officier van justitie gevorderde straf passend en geboden is. De rechtbank legt verdachte daarom een taakstraf op van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis, waarvan 40 uur voorwaardelijk, te vervangen door 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaar.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder B, van de Opiumwet
gegeven verbod;
feit 2: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik
heeft gebracht door middel van verbreking;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze taakstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.H. de Brouwer, voorzitter, en mr. C.H.W.M. Sterk en mr. H. Faouzi, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Lemmens, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 september 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 22 januari 2025 tot en met 30 januari 2025 te [plaats] , althans in
Nederland
opzettelijk
heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk
aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 2] te [plaats] )
een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 209 stuks hennepplanten, althans een
groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van
meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,
zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan
wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
( art 11 lid 2 Opiumwet, art 3 ahf/ond C Opiumwet )
2
hij op of omstreeks 22 januari 2025 tot en met 30 januari 2025 te [plaats] , althans in
Nederland,
een hoeveelheid stroom en/of elektriciteit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of
ten dele aan Enexis B.V., in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde,
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of
deze weg te nemen hoeveelheid stroom en/of elektriciteit onder zijn bereik heeft
gebracht door middel van braak en/of verbreking;
( art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )