RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
raadkamernummer : 26-003534
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager] ,
geboren op [geboortedag] 1966,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. S.G.H. Langeweg, advocaat te Koog aan de Zaan (Lagendijk 64a, 1541 KC Koog aan de Zaan),
hierna te noemen: de klager.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
Het klaagschrift is behandeld in raadkamer op 13 mei 2026. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis, klager en (telefonisch) mr. S.G.H. Langeweg als raadsvrouw van klager, gehoord.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klager. Daartoe is aangevoerd dat er geen wettelijke grondslag is voor voorzetting van het beslag. Klager zou hebben gereden zonder geldig rijbewijs maar dat is onjuist. Klager wordt, gelet op zijn persoonlijke omstandigheden, zwaar wordt getroffen door de inbeslagname van de Fiat. Hij heeft het financieel niet breed en heeft de Fiat nodig voor het vervoer in verband met zijn medische situatie. Klager heeft in raadkamer aangevoerd dat hij niet op de hoogte is van een schorsing van zijn rijbewijs. Dat sprake zou zijn van een geschorst rijbewijs blijkt ook niet uit de brief die hij van het CBR heeft ontvangen. Klager is meerdere keren staande gehouden door de politie en ook dan kwam het geschorste rijbewijs niet ter sprake. Hij ging er dan ook vanuit dat hij mocht rijden. Hij heeft zijn rijbewijs nodig in verband met zijn gezondheid.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het strafvorderlijk belang zwaarder dient te wegen dan het persoonlijk belang van klager. Klager heeft meerdere keren de Wegenverkeerswet overtreden en het was aan zijn raadsvrouw geweest om de brief van het CBR, waaruit zou blijken dat het rijbewijs niet is geschorst, aan het dossier toe te laten voegen. Het is niet hoogst onwaarschijnlijk dat de Fiat verbeurd zal worden verklaard.
2. De beoordeling
3. De beslissing
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
De rechtbank is van oordeel dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de Fiat verbeurd zal verklaren. Klager is niet eerder (onherroepelijk) veroordeeld voor soortgelijke feiten. Daarnaast kan op basis van de stukken in het dossier onvoldoende worden vastgesteld dat sprake is van een geschorst rijbewijs. Nu er geen strafvorderlijk belang bestaat bij het voortduren van het beslag en de rechtbank niet is gebleken dat een ander dan klager redelijkerwijs als rechthebbende van de Fiat is aan te merken, zal de rechtbank het klaagschrift tegen het artikel 94 Sv beslag gegrond verklaren en de teruggave van de Fiat aan klager gelasten.
De rechtbank verklaart het klaagschrift gegrond en gelast de teruggave van de Fiat met kenteken [kenteken] aan klager.
Deze beslissing is op 27 mei 2026 genomen door mr. J. Bergen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. D.J. Gentenaar van der Landen, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 27 mei 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).