ECLI:NL:RBZWB:2026:900

ECLI:NL:RBZWB:2026:900

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 12-02-2026
Datum publicatie 12-02-2026
Zaaknummer 02-308017-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Ontploffing veroorzaakt door vuurwerkbom in woning [plaats]. Verdachte ronselde twee jongens die de uitvoering deden. Partiële vrijspraak levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel. Geen toepassing ASR. Gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met algemene en bijzondere voorwaarden en proeftijd 2 jaar. Vordering van slachtoffer toegekend van 4000 euro.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/308017-24

vonnis van de meervoudige kamer van 12 februari 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] ,

raadsvrouw mr. N. Assouiki, advocaat te Tilburg.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 januari 2026, waarbij de officier van justitie, mr. J. Verschuren, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 9 mei 2024, samen met anderen, een ontploffing heeft veroorzaakt in een woning door een vuurwerkbom naar binnen te gooien.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen dat. Naast gemeen gevaar voor goederen was door de ontploffing ook levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor bewoners van omliggende woningen te duchten

daarbij op de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte en de medeverdachten, het forensisch onderzoek van de politie en de camerabeelden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt dat er geen sprake was van levensgevaar voor de bewoners omdat er niemand thuis was en er evenmin levensgevaar was voor omwonenden omdat de vuurwerkbom afging in de avond. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de rest van de bewezenverklaring vanwege de bekennende verklaring van verdachte en de andere bewijsmiddelen in het dossier.

Het oordeel van de rechtbank

Partiële vrijspraak bestanddeel levensgevaar/zwaar lichamelijk letsel

De rechtbank stelt voorop dat het een feit van algemene bekendheid is dat er veel gevaar uitgaat van een vuurwerkbom die bestaat uit zwaar illegaal vuurwerk met daaraan vastgemaakt een fles met brandversnellende vloeistof. In algemene zin is de conclusie dan ook gerechtvaardigd dat het tot ontploffing brengen van een dergelijke vuurwerkbom in een woning gevaarlijk is voor goederen en mensen die zich in de directe omgeving van de ontploffing bevinden.

De vraag die in deze zaak moet worden beantwoord, is of door de ontploffing en de daaruit ontstane brand in dit specifieke geval en onder de onderhavige feiten en omstandigheden, naast gevaar voor goederen, ook levensgevaar of gevaar voor lichamelijk letsel voor een ander te duchten was zoals bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht.

Zodanig gevaar kan aangenomen worden als uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen volgt dat dit levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was.

De rechtbank stelt vast dat uit het dossier volgt dat de bewoners van de woning waarin de ontploffing heeft plaatsgevonden en waar vervolgens brand heeft gewoed, zelf niet thuis waren. Ook is niet gebleken dat er zich tijdens de ontploffing mensen op straat of nabij de woning hebben bevonden die door de ontploffing rechtstreeks in gevaar zijn geweest. Uit het dossier volgt wel dat de ontploffing tot brand heeft geleid en er in de panden naast en in de nabijheid van de woning waar de ontploffing plaatsvond ten tijde van het incident mensen aanwezig waren. Dit op zichzelf is echter onvoldoende om (levens)gevaar voor personen te kunnen aannemen. Niet is immers gebleken dat de brand zich zodanig snel heeft ontwikkeld dat omwonenden zich daardoor niet meer in veiligheid konden stellen. Integendeel, uit de camerabeelden volgt dat de ontploffing met een harde knal gepaard is gegaan, waarna de omwonenden hun huis snel hebben kunnen verlaten.

Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank de conclusie niet die in het proces-verbaal forensische opsporing wordt getrokken en zal zij verdachte vrijspreken van de bestanddelen ‘te duchten levensgevaar’ en ‘gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen’.

Bewezenverklaring

Aangezien verdachte ten aanzien van het feit voor het overige een bekennende verklaring heeft afgelegd en ten aanzien hiervan geen vrijspraak is gevraagd, zal de rechtbank alleen de bewijsmiddelen benoemen waarop zij haar oordeel baseert:

het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] , opgemaakt in de wettelijke vorm door de politie Zeeland-West Brabant, opgenomen op pagina 76-77 van het eindproces-verbaal met nummer 2024116173/ZB4R024058, genummerd 1 t/m 288;

het proces-verbaal van bevindingen; opgenomen op pagina 26 van het aanvullend proces-verbaal dossier, eveneens met nummer 2024116173/ZB4R024058, genummerd 1 t/m 30;

het proces-verbaal van forensisch onderzoek woning ( [adres] ), opgenomen op pagina’s 274-277 van voornoemd eindproces-verbaal genummerd 1 t/m 288;

de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 29 januari 2026.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 9 mei 2024 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door- een explosief aan te steken,- een tegel door de ruit van de woning aan [adres] te gooien en - dat explosief in de woning door de kapotte ruit te gooien, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten die woning en inboedel van die woning, te duchten was.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie ziet geen aanleiding voor toepassing van het adolescentenstrafrecht en vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar met de bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd door de reclassering.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich allereerst op het standpunt dat het adolescentenstrafrecht van toepassing moet zijn vanwege de nog jonge leeftijd van destijds 19 jaar, de omstandigheid dat verdachte ADD en een licht verstandelijke beperking heeft, over beperkte handelings-vaardigheden beschikt en moeite had met scholing. Hij kon de gevolgen van zijn handelen destijds niet overzien. Dat verdachte een kwetsbare jongen is, blijkt ook uit het feit dat voor zijn achttiende levensjaar verschillende jeugdbeschermingsmaatregelen zijn ingezet. Een opvoedkundige aanpak en jeugdhulp zouden nog steeds beter aansluiten bij zijn huidige ontwikkeling.

Voorts stelt de verdediging dat er contra-indicaties zijn voor een (jeugd)detentie omdat verdachte beïnvloedbaar is en er detentieschade zou kunnen ontstaan. Een taakstraf zou beter passend zijn met eventueel een voorwaardelijke (jeugd)detentie zodat de hulp van de reclassering de ingezette positieve lijn kan voortzetten.

Het oordeel van de rechtbank

Aard en ernst van het feit

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ontploffing in een woning. Hij heeft twee jonge medeverdachten geregeld en hen de opdracht gegeven om een explosief in een woning te gooien. De medeverdachten zijn vervolgens daadwerkelijk naar de woning toegegaan, hebben een ruit vernield en een vuurwerkbom naar binnen gegooid. Door de kracht van de explosie en de daaropvolgende brand is forse schade ontstaan op de benedenverdieping van de woning. Gelet op de aard en omvang hiervan, sluit de rechtbank niet uit dat het heel anders was afgelopen wanneer de bewoners thuis waren geweest.

Het teweegbrengen van ontploffingen is tegenwoordig aan de orde van de dag en heeft vaak tot doel om personen te intimideren. Het is een groot en toenemend maatschappelijk probleem. Dergelijke feiten raken niet alleen aan de veiligheid van de direct betrokkenen, maar veroorzaken ook gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank acht deze vorm van brandstichting een zeer ernstig feit. Niet alleen vanwege de schade die wordt aangericht aan en in de woning waarbij er spullen onherstelbaar en onvervangbaar worden vernield, maar ook doordat het gevoel van veiligheid van de bewoners blijvend en in vergaande mate wordt aangetast, zoals [aangeefster] in haar slachtoffer-verklaring ter terechtzitting zeer treffend heeft verwoord. Zij en haar partner konden lange tijd niet terugkeren in hun woning en door alle herstelwerkzaamheden die noodzakelijk zijn geweest, heeft zij niet langer het gevoel dat de woning haar (t)huis is. De rechtbank begrijpt heel goed dat er bij haar en haar partner nog veel onbegrip en woede is.

Verdachte heeft het feit gepleegd voor een geringe financiële beloning en heeft vooraf kennelijk geen moment stilgestaan bij de gevolgen die een dergelijke daad zou kunnen hebben. De rechtbank neemt het verdachte in het bijzonder kwalijk dat hij jonge en kwetsbare mensen heeft betrokken bij zijn criminele gedrag en hen heeft bewogen om de uitvoeringshandelingen te verrichten. De rechtbank neemt dit alles verdachte zeer kwalijk.

Persoonlijke omstandigheden

Verdachte was slechts 19 jaar oud ten tijde van het feit en is ten tijde van het wijzen van het vonnis 21 jaar oud. Hij heeft anderhalve dag op het politiebureau verbleven in het kader van zijn inverzekeringstelling. Verdachte is blijkens zijn strafblad eerder met politie en justitie in aanraking gekomen, maar er is – volgens de reclassering – geen sprake van een zorgelijk delictpatroon. Het recidivererisico wordt ingeschat als gemiddeld. Uit het reclasserings-rapport blijkt dat verdachte een beperkt probleemoplossend vermogen heeft en zich makkelijk liet overhalen tot dit feit om uit de financiële problemen te komen. Uit het rapport, maar ook uit het dossier en uit zijn verklaring ter zitting, is gebleken dat verdachte zich schuldig voelt over dit feit. Het schuldgevoel bij verdachte komt op de rechtbank oprecht over. Verdachte heeft zichzelf gemeld terwijl hij nog niet in beeld was bij de politie.

In zijn algemeenheid ziet de reclassering nog zorgen op diverse leefgebieden. Verdachte heeft inmiddels (sinds 3 maanden) werk met vooruitzicht op een duurzamer contract, maar in het verleden heeft betrokkene moeite gehad met werk vinden en weten te behouden.Daarnaast zijn er nog steeds schulden. Betrokkene woont thuis, maar er is geen sprake meer van pedagogische beïnvloeding. Betrokkene ontvangt hulp vanuit de gemeente Tilburg. De reclassering ziet voldoende aanknopingspunten voor een reclasseringstoezicht, om betrokkene verder te begeleiden op de diverse leefgebieden.

Adolescentenstrafrecht

De rechtbank stelt vast dat verdachte ten tijde van het delict meerderjarig was, maar de leeftijd van 23 jaar nog niet had bereikt. Artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht (Sr) biedt de rechtbank de mogelijkheid om voor jongvolwassenen het jeugdsanctierecht toe te passen, indien de rechtbank daartoe aanleiding vindt in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. Uitgangspunt is echter dat meerder-jarige verdachten worden berecht op basis van de regels uit het strafrecht voor volwassenen. Anders dan de verdediging ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om artikel 77c Sr toe te passen. Verdachte was slechts 19 jaar ten tijde van het plegen van het delict en de rechtbank wil - ondanks het ontbreken van rapportages – maar gelet op hetgeen in het dossier zit en de eigen waarneming ter zitting wel aannemen dat verdachte een kwetsbare jongvolwassene is, die op verschillende leefgebieden hulp nodig heeft. Dit weegt op zichzelf echter niet op tegen de omstandigheden waaronder het zeer ernstige feit is gepleegd. Verdachte heeft als (tussenpersoon van een) opdrachtgever jongere jongens overgehaald om een aanslag te plegen. Zijn handelen getuigt van een berekenende en volwassen manier van handelen en is allerminst impulsief geweest. Verdachte heeft de opdracht aangenomen, op verschillende momenten de twee jongens geregeld die de klus zouden uitvoeren, het adres aan hen doorgegeven, de cobra’s, de benzine en duct tape ontvangen en vervolgens overgedragen aan de uitvoerders en geld ontvangen en betaald aan de uitvoerders. Alles in een tijdsbestek van - naar verdachtes zeggen - enkele dagen. De rechtbank is van oordeel dat hier een pro-criminele houding van uitgaat, hetgeen een forse contra-indicatie is voor het toepassen van artikel 77 Sr. De rechtbank weegt verder mee dat verdachte weliswaar nog thuis woont en ondersteuning nodig heeft, maar volgens het advies van de reclassering niet pedagogisch beïnvloedbaar is. De rechtbank ziet daarom geen mogelijkheden of aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van het volwassen strafrecht.

Strafoplegging

De rechtbank is van oordeel dat voor een feit als het onderhavige in beginsel geen andere sanctie passend is dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Niet alleen omdat de ernst van dit feit dit vraagt of vanwege het gemak waarmee verdachte het feit heeft gepleegd, maar ook om een preventieve werking te laten uitgaan richting anderen. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat zij het levensgevaar en het gevaar voor zwaar lichamelijk letsel niet bewezen acht, wel reden om een lagere straf op te leggen dan is geëist door de officier van justitie.

Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en de voorwaarden zoals genoemd door de reclassering, te weten een meldplicht, meewerken aan de gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, een locatieverbod, het meewerken aan en behouden van een zinvolle dagbesteding, aflossing van schulden en ambulante begeleiding.

De tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangeefster] vordert een schadevergoeding van € 4.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte het feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in haar persoon is aangetast. De benadeelden zijn zonder enige aanleiding geconfronteerd met een forse vuurwerkbom die in hun woning is gegooid. De ontploffing en daaropvolgende brand hebben tot een ravage geleid waardoor flinke herstelwerkzaamheden noodzakelijk waren. Dit heeft tot gevolg gehad dat de benadeelden langere tijd niet naar hun woning konden terugkeren en nog immer het gevoel hebben dat hun huis niet meer als hun thuis voelt. Tot op de dag van vandaag voelen zij zich onveilig. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending, zoals hiervoor uiteengezet, meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Het feit dat de benadeelden ten tijde van de ontploffing en brand niet in de woning aanwezig waren, doet hier niet aan af. Gelet op alle omstandigheden en rekening houdend met wat in soortgelijke zaken wordt toegekend, acht de rechtbank het gevorderde bedrag van € 4.000,- billijk en daarom volledig toewijsbaar.

Schadevergoedingsmaatregel, wettelijke rente en hoofdelijkheid

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de toegewezen bedragen toewijzen vanaf 9 mei 2024.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van de toegekende schadebedragen. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht allen aansprakelijk zijn voor de gehele schade. De rechtbank zal daarom de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald en andersom.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 157 van het Wetboek van Strafrecht en Wettenlijst zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Medeplegen van opzettelijk brand stichten en een ontploffing teweeg brengen/ veroorzaken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden, waarvan 8 (acht) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij de Reclassering op het adres Ringbaan West 275 Tilburg. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

* dat verdachte zich ambulant laat behandelen op de praktische leefgebieden van Maatwerk en Zorg Waalwijk of een soortgelijke forensische zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

* dat verdachte actief deelneemt aan de gedragsinterventie Cova-plus of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd niet bevindt op [adres] , inclusief de hierop aansluitende straten;

* dat verdachte zich inspant tot het vinden en behouden van betaald werk met een vaste structuur;

* dat verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden. Verdachte houdt zich aan afspraken en aanwijzingen gegeven door de begeleiding;

- stelt vast dat van rechtswege de volgende voorwaarden gelden:

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Vordering benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster] van

€ 4.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 9 mei 2024 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- bepaalt dat verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[aangeefster] , € 4.000,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 9 mei 2024 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 40 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, mr. R. de Jong en mr. N. van der Hoeven, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.P.A.J. Joosen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 12 februari 2026.

Mr. van der Hoeven is niet in staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

De tenlastelegging

hij op of omstreeks 9 mei 2024 te [plaats] ,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door

- een explosief aan te steken,

- een tegel, althans een hard voorwerp door, de ruit van de woning aan de

[adres] te gooien en/of

- dat explosief in de woning door de kapotte ruit te gooien,

terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten die woning en/of inboedel van die woning

en/of een of meer omliggende woningen en/of inboedel van die omliggende

woningen en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten

bewoners van de omliggende woningen te duchten was;

( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek van

Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. R. de Jong
  • mr. N. van der Hoeven
  • mr. E.B. Prenger

Griffier

  • mr. G.P.A.J. Joosen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?