[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de volgende uitspraken op bezwaar van de inspecteur.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de ingehouden loonheffingen in de tijdvakken opgenomen onder 1. De bezwaren hebben betrekking op de door de werkgever van belanghebbende, per tijdvak, ingehouden loonheffingen in verband met het privégebruik auto op grond van artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964 (de Wet LB).
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en [persoon] , en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of het bepaalde in artikel 13bis, vijfde lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet LB verenigbaar is met de tweede volzin van artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de waarderingsregel niet in strijd met artikel 110 VWEU. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
4. De werkgever van belanghebbende heeft in de tijdvakken opgenomen onder 1 aan belanghebbende een auto voor privédoeleinden ter beschikking gesteld. De werkgever heeft ter zake hiervan, per tijdvak, loonheffing ingehouden als bedoeld in artikel 13bis van de Wet LB.
Belanghebbende heeft al eerder over andere tijdvakken geprocedeerd over het onderhavig geschilpunt.
Motivering
Artikel 110 VWEU
Belanghebbende heeft, ter aanvulling van zijn beroepsgronden, ter zitting zijn standpunt nader toegelicht en gesteld dat hij inderdaad over eerdere tijdvakken tot aan de Hoge Raad geprocedeerd heeft over het onderhavig geschilpunt. De rechtbank en het gerechtshof hebben geoordeeld dat van schending van artikel 110 VWEU geen sprake is. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond verklaard met een verwijzing naar artikel 81 RO. Gelet op het arrest van HvJ EU in zaak Remling kan de Hoge Raad niet volstaan met een verwijzing naar artikel 81 RO. Aldus dient het geschil volgens belanghebbende voorgelegd te worden aan het HvJ EU.
De rechtbank ziet in de argumenten van belanghebbende geen (nieuwe) standpunten die kunnen leiden tot een ander oordeel. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om af te wijken van de eerdere uitspraken ten aanzien van dit geschilpunt.
Immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
Belanghebbende heeft op 4 juni 2026 verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Op grond van vaste jurisprudentie bedraagt de redelijke termijn in beginsel twee jaar vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tot de uitspraak van de rechtbank.
De inspecteur heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat (de gemachtigde van) belanghebbende tegen beter weten in procedeert aangezien over het inhoudelijk geschilpunt tot en met de Hoge Raad uitgeprocedeerd is. Naar de mening van de inspecteur is het doel van de (de gemachtigde van) belanghebbende het aanspraak maken op een immateriële schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn alsmede de daarmee samenhangende proceskostenvergoeding. Volgens de inspecteur is daarom sprake van misbruik van procesrecht.
Belanghebbende betwist het in 4.5 ingenomen standpunt van de inspecteur.
De rechtbank overweegt als volgt. Het staat belanghebbende in beginsel vrij te procederen tegen de ingehouden loonheffingen, ook als hij dat per tijdvak wenst te doen. Ook staat het belanghebbende in beginsel vrij om met enige vasthoudendheid eenzelfde standpunt in een nieuwe procedure nogmaals aan de orde te stellen in de hoop op een gunstiger rechterlijk oordeel. Van belanghebbende mag dan wel worden verwacht dat hij deugdelijk onderbouwt waarom anders moet worden geoordeeld dan in de eerdere procedure(s) is gedaan. Ook mag van belanghebbende worden verwacht dat hij zijn (overige) stellingen concretiseert en daar waar nodig bewijs van die stellingen levert. Voorkomen moet worden dat er rechterlijke procedures worden gevoerd waarvan objectief gezien kan worden gezegd dat die (inmiddels) geen redelijk doel (meer) dienen, zoals procedures waarin in de kern sprake is van een herhaling van overbekende zetten.
De rechtbank constateert dat belanghebbende tegen eerdere tijdvakken gerechtelijke procedures heeft gevoerd (zie 4.1). In die procedures hebben verschillende instanties, waaronder de Hoge Raad – zo ook bevestigd door belanghebbende zelf –
een oordeel gegeven over de vraag of ingehouden loonheffingen in strijd zijn met artikel 110 VWEU. Hoewel aan de inspecteur kan worden toegegeven dat onder bijzondere omstandigheden het per tijdvak procederen over dit punt zonder nadere onderbouwing of concretisering misbruik van procesrecht kan opleveren, acht de rechtbank voor de in geschil zijnde tijdvakken de grens van misbruik van procesrecht nog niet bereikt. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende zich op het standpunt heeft gesteld dat recente jurisprudentie van het Hof van Justitie er toe zouden moeten leiden dat opnieuw een afweging gemaakt moet worden over het al dan niet stellen van de vragen aan het Hof van Justitie. De rechtbank ziet daarom vooralsnog geen aanleiding om toekenning van een immateriële schadevergoeding wegen overschrijding van de redelijke termijn buiten beschouwing te laten.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het oudste bezwaarschrift heeft ontvangen op 26 augustus 2020. De rechtbank doet uitspraak op 10 september 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 49 maanden overschreden. De vergoeding bedraagt € 500 per halfjaar termijnoverschrijding. Belanghebbende heeft daarom recht op een vergoeding van immateriële schade van € 4.500. Omdat de bezwaarfase afgerond 12 maanden heeft geduurd en daarmee 6 maanden te lang komt € 551 (6/49e) voor de rekening van de inspecteur en de rest (€ 3.949) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.
Conclusie en gevolgen
5. De beroepen zijn ongegrond.
Het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt wel toegewezen. Om die reden wordt ook een proceskostenvergoeding toegekend. De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 233,50. De rechtbank past een wegingsfactor van 0,25 toe, omdat uitsluitend recht op een proceskostenvergoeding bestaat wegens een aan de belanghebbende toe te kennen vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Staat en de inspecteur moeten die kosten ieder voor de helft vergoeden.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding is gedaan na het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024. Hetgeen belanghebbende in dit kader heeft aangevoerd, kan niet leiden tot een ander oordeel.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 551, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 3.949, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening;
veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 10 september 2026.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.