RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-281292-25
raadkamernummer : 26-002915
datum : 20 mei 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van [naam] advocaat te Tilburg, (Postbus 902, 5000 AX Tilburg),
hierna te noemen: verzoeker.
1. De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het op 28 januari 2026 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
Op 8 mei 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn gehoord de officier van justitie mr. C.P.G. Tax en [naam] als gemachtigd advocaat van verzoeker.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
De advocaat heeft desgevraagd in raadkamer nader uitgelegd waarom het verzoekschrift langer dan drie maanden na de sepotbeslissing is ingediend. De sepotbeslissing is nimmer aan verzoeker betekend, noch door hem ontvangen. Verzoeker heeft dan ook pas (veel) later dan 22 oktober 2025 kennis genomen van die beslissing en binnen drie maanden na kennisneming is onderhavig verzoekschrift ingediend. Verzoeker stelt aldus ontvankelijk te zijn in zijn verzoek. Deze nadere toelichting heeft de advocaat al voor 11 maart 2026 aan het Openbaar Miniserie gestuurd. De geschreven 0,60 uren reistijd zien op de reistijd voor het politieverhoor.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie dat het verzoek geheel kan worden toegewezen.
2. De beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.
Ontvankelijkheid
Gelet op de nadere toelichting van de advocaat in raadkamer is de rechtbank is van oordeel dat verzoeker ontvankelijk is in zijn verzoek. De kennisgeving aan zijn cliënt heeft pas na 28 oktober 2025 plaatsgevonden. De eerdere kennisgeving van de sepotbeslissing aan de advocaat doet daar niet aan af.
Op grond van artikel 530 Sv kan aan een gewezen verdachte een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
Verzoeker heeft een bedrag ter hoogte van € 1.199,35 verzocht voor vergoeding van kosten voor rechtsbijstand. Gelet op de nadere toelichting van de advocaat in raadkamer is de rechtbank van oordeel dat het verzochte bedrag in voldoende mate is onderbouwd en de rechtbank ook billijk voorkomt. De rechtbank zal dit bedrag dan ook toewijzen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 825,00 toegekend.
3. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 2.024,35, bestaande uit:
- € 1.199,35 aan kosten van rechtsbijstand;
- € 825,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
bepaalt dat een bedrag van € 2.024,35 zal worden overgemaakt op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [naam] , onder vermelding van
“ [vermelding] ”.
Deze beslissing is genomen door mr. R.J.H. de Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van
Mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 20 mei 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.